|
's-Hertogenbosch
P.
de Gruyter & Zoon
De basis van het bedrijf dat zou
uitgroeien tot het grootste kruideniersimperium van Nederland werd
gelegd in 1818 toen Piet de Gruijter (1795-1867) een magazijn annex
winkel in granen, zaden, kippenvoer, meel en rijst opende aan de
Hooge Steenweg. Piet was de zoon uit het eerste huwelijk van
Henricus de Gruijter (1765-1843) met Petronella de Kroon (overleden
1795). Vader Henricus exploiteerde aan de Vughterdijk een rosmolen
waar boekweit en haver werden gepeld schoongemaakt en gegrut. Dat de
zaken voorspoedig gingen blijkt uit de aankopen die in vrij korte
tijd door Piet
|
|
Bronnen, noten en/of referenties:
Beeldbank Erfgoed 's-Hertogenbosch |
|
konden worden gedaan. In 1823 kocht hij het pand ‘Het Schaexburt’ eveneens gelegen aan de Hooge Steenweg nummer 10. In
1826 volgde het belendende pand ‘Het Gulden Kruis’. In de Orthenstraat nummer B 26-27 (gelegen tussen het Eerste en Tweede
straatje van Best) kocht hij in 1828 voor 1800 gulden een
eenvoudig textielfabriekje met een pakhuis ‘De Lintmolen’. Hij richtte in deze fabriek een grutterij in en gebruikte net zoals
zijn vader een paard voor de rosmolen om het graan te kunnen malen.
Een paar knechten werden in dienst genomen om de werkzaamheden als
het malen en zeven van het meel en het splitten en drogen van de
erwten te laten verrichten. In de winkel aan de Hooge Steenweg
werden deze waren verkocht. Op deze manier legde Piet de Gruijter de basis voor het systeem van
eigen productie met verkoop dat jarenlang het concept bleef van het
kruideniersimperium. Piet was ervan overtuigd dat hij op zijn best
kon concurreren als hij alles in eigen hand nam.
Fotoreportage: Van Petrus de
Gruijter de oprichter. Ludovicus Antonius de Gruijter en Ludovicus Antonius
de Gruijter de zonen en een familie foto uit 1918. Pakhuis ‘De Lintmolen’
Orthenstraat 7a met magazijn voor theeopslag. Bronzen plaquette op marmeren
achtergrond in de vestibule van het hoofdkantoor van De Gruyter aangeboden
door het personeel bij het 100-jarig bestaan van het bedrijf. En het familie
graf op begraafplaats Orthen.
P. de Gruyter & Zoon
Piet de Gruijter was een geziene ondernemer in ’s-Hertogenbosch. Hij
was onder meer betrokken bij de Maatschappij ter Bevordering van
Handel, Landbouw en Nijverheid. Het gezin telde vijf kinderen twee
jongens en drie meisjes. De jongste Louis werd geboren op 1 april
1833. Hij kwam in 1862 in de firma van Piet de Gruijter vanaf dat
moment een vennootschap onder de naam
P. de Gruyter & Zoon.
(De familienaam De Gruijter wordt met ij geschreven en de naam van het
bedrijf met de y) In 1865 twee jaar voor zijn dood droeg de
70-jarige Piet de Gruijter ‘De Lintmolen’ inclusief rosmolen het
pakhuis en de paardenstal over aan zijn 32-jarige zoon Louis. Het
bedrijf trad onder de leiding van Louis niet op de voorgrond. Van
invloed was zeer zeker de landbouwcrisis die West-Europa en in het
bijzonder Noord-Brabant tussen 1880 en 1900 in zijn greep had. Aan
het einde van de negentiende eeuw volgde een algehele economische
opleving. Twee zonen van Louis Lambert en Jacques die in de jaren
negentig in de firma waren gekomen zouden van deze omslag
profiteren. Zij slaagden erin de grutterij aanzienlijk te
moderniseren en de onderneming met een eigen winkelketen uit te
breiden. |
Groeien in de Orthenstraat
‘Zelf maken wat we verkopen’ het groeide uit tot het
ondernemingsdogma van Piet de Gruyter & Zoon. In de eerste helft van
de twintigste eeuw was het de sleutel tot een indrukwekkend
economisch succes. Het leidde ook tot heel wat extra bedrijvigheid.
Met de toename van de welvaart en koopkracht van de bevolking
groeide echter de behoefte aan levensmiddelen. Piet’s kleinzoon
Lambert produceerde omstreeks 1905 al meer dan 140 producten. De
formule ‘zelf maken wat we verkopen’ werd zo het vliegwiel voor
bouwactiviteiten. Tussen 1904 en 1931 werden in de Orthenstraat het
fabriekscomplex en kantoorgebouwen gerealiseerd. Het bekende massale
doch slanke gele gebouw. De bouw van het fabriekscomplex leidde tot
sloop van historische panden. Uitbreiding in de Orthenstraat was dan
niet meer mogelijk. Er werden plannen gemaakt voor een heel nieuw
tweede fabriekscomplex in een ander stadsdeel.
Winkels
Was Lambert de degelijke productieman en dominante fabrikant
Jacques was de man achter de winkels hij had het joyeuze en
flamboyante van de gedreven verkoper. ‘Verkoop alleen maar die
artikelen waar je het meeste aan verdient en laat de rest over aan
je concurrenten’ is zijn uitgangspunt. In september 1896 opende
Jacques de eerste De Gruyterwinkel in Utrecht. Nog in hetzelfde jaar
kreeg ook de oude winkel aan de Hooge Steenweg in ’s-Hertogenbosch
het aanzien van wat later de karakteristieke De Gruyterwinkel zou
worden. Die werd zo het in het oog vallend promotiemiddel bij
uitstek. Of zoals Jacques stelde ‘Je moet het product verpakken en
de klant inpakken’.
In 1902 opende Jacques een winkel aan de Nieuwendijk in Amsterdam. filiaal was Het een schoolvoorbeeld van Jacques’
‘modelwinkel’. Het karakteristieke interieur van een winkel van De
Gruyter werd befaamd om de diepblauwe en donkerbruine betegeling de
marmeren toonbank koffiemaalmachine de de roodgelakte glimmende
voorraadbussen en de fraaie kroonluchters ingericht met veel
gepoetst koper tegeltableaus boven de schappen kristallen
kroonluchters en houten voorraadbakken. De klant werd ook nog eens
verleid door geur van koffie en chocolade. Voor zo’n winkel deed je
een beroep op een architect van naam. De inrichtingsontwerpen van de
huisarchitect Willem Welsing (1858-1942) werden voortaan de
standaard.
Tussen de oorlogen
Na afloop van de Eerste Wereldoorlog kende De Gruyter een sterke
groei. Dat gold voor alle onderdelen van de onderneming personeel,
fabrieken en winkels. De werktijden in de fabrieken waren lang
’s-morgens werd er om half zeven begonnen ’s-avonds om zeven uur
kon men naar huis. Maar als het peulvruchtenseizoen was aangebroken
kon het wel eens tien uur worden vóór de arbeiders naar huis konden
terugkeren. In 1920 vonden in de Orthenstraat de openingen plaats
van een vermicelli- en macaronifabriek alsmede van de
chocoladefabriek. Elektriciteit was de nieuwe energiebron waar
machines in deze fabrieken gebruik van maakten. De eerste
chocoladeletters werden in 1930 vervaardigd. Langzamerhand was het
gehele complex in de Bossche binnenstad tot stand gekomen. Het
bekende ‘gele’ blok was voltooid in de dertiger jaren en besloeg een
groot oppervlak. Uitbreiding daar was niet meer mogelijk en er werd
een tweede fabriek bijgebouwd op het industrieterrein achter de
nieuwe Veemarkt. Dit leidde tot vernieuwingen binnen de fabrieken en
een uitbreiding van het aantal producten. Een fabriek voor
suikerwerken werd opgericht waardoor het ook mogelijk was het
bekende ‘snoepje van de week’ te lanceren. Het winkelbestand bleef
groeien in twintig jaren zou het aantal verdrievoudigen.
|
In de winkels werd het uit Amerika afkomstige variabel loonsysteem
toegepast hoe hoger de omzet hoe hoger de lonen. Het systeem
resulteerde in een ‘omzetschaal per winkel en loonschalen voor ieder
lid van het personeel’. Deze waren in iedere winkel dus
verschillend. Een aanwezige omzetthermometer zorgde ervoor dat
iedere werknemer in de winkel kon zien waar hij/zij aan toe was. De
directie was enthousiast over deze oplossing. Geen wonder. Maar hoe
het winkelpersoneel er over oordeelde dat was de vraag. Eén van de
bekendste winkels van De Gruyter stond in de Leidsestraat in
Amsterdam. Het was een zogenaamde reclamewinkel die uiting zou
moeten geven van de voortvarendheid en belangrijkheid van de
onderneming. Daarom werd de helft van de vaste lasten van deze
winkel op een algemene post geboekt. Het was een prachtige winkel
met de Chinese theestand kostbare inrichting en passende
verlichting die dag en nacht brandde. De van iedere winkel bekende
tegeltableaus met de vier seizoenen waren hier ook aanwezig. Het
voorname en uniforme (en daardoor eigen karakter) van de De Gruyter
winkels werd hier duidelijk naar voren gebracht.
Fotoreportage: Van de fabriek in de Orthenstraat en op de
veemarktkade. En de sloop in 1980 van het gele monster zoals die
genoemd werd in de Orthenstraat.
Nieuwe fabrieken
De nieuwe architect in vaste dienst bij het Bouw- en
architectenbureau De Gruyter die technisch gericht was ging vanaf
1931 de uitbreiding van De Gruyter richting Veemarkt |
|
Bronnen, noten en/of referenties:
Beeldbank Erfgoed 's-Hertogenbosch |
|
realiseren. In 1934 werden de eerste twee grote nieuwe hallen van de
nieuwe fabriek, aangeduid als fabriek II, geopend voor de productie. In
1937 volgde de derde grote hal.
Op het nieuwe industrieterrein de Wolfsdonken westelijk van de
spoorlijn werd eind jaren vijftig de fabriek III gebouwd. Fabriek
III Parallelweg In deze tijd met ruim 2.200 werknemers in de
fabrieken was De Gruyter de grootste industriële werkgever in
’s-Hertogenbosch. In de jaren voor de tweede Wereldoorlog was een
nieuwe generatie de Gruijter opgestaan de achterkleinkinderen van de
oprichter Piet. Het waren de zonen van Lambert en Jacques die hun
intrede deden en onderling de taken verdeelden. Nadat voor
’s-Hertogenbosch in oktober 1944 de oorlogsjaren grotendeels
voorbij waren werden direct voorbereidingen getroffen om bij de
algehele bevrijding de voedselproductie naar het noorden op gang te
brengen. Er kwam een nieuwe start. Zo kwamen er vrachtauto’s die
voor het vervoer tussen de fabrieken en de winkels zorgden. Waren er
in 1945/1946 nog maar negen wagens 20 jaren later waren het er 54.
De eerste zelfbedieningswinkel opende De Gruyter in november 1952 in
Rotterdam.
Het personeelsbestand van winkels en fabrieken bleef hierbij
vanzelfsprekend niet achter. Onder andere hield dat in, dat er een
derde fabriekscomplex (fabriek III) in 1960 aan de Parallelweg
moest worden geopend.
Alleen eigen producten
Lodewijk de Gruijter zoon van Lambert en in 1967 scheidend
voorzitter van de Raad van Bestuur van De Gruyter maakt er tijdens
zijn werkzame leven geen geheim van eigen fabricage is ‘het geheim
van de kok’. Deze familietrend werd voortgezet dus inkoop
produceren en verkoop in eigen hand. Lodewijk de Gruijter benadrukte
dit door zijn uitspraak ‘Eigen fabricage is toch echt onontbeerlijk
om de “De Gruyterkwaliteit” te waarborgen’.
Bloei van de onderneming
De formule bij De Gruyter ‘alleen eigen waar verkopen’ is zeer lang
een groot succes gebleken. Aantrekkelijk was het grote assortiment
van hoge kwaliteit dat in een winkel te koop was. De huisvrouwen
vonden het tevens aantrekkelijk bij contante betaling 10% korting te
krijgen op de artikelen. Kleine kruideniers kortingsactie zeer
hadden met deze veel moeite. Dit onderwerp leidde in de
ondernemersvereniging van ’s-Hertogenbosch tot heftige discussies.
De invoering van ‘het snoepje van de week’ bleek ook al een succes
te zijn om klanten de winkels binnen te krijgen.
Het winkelpersoneel van De Gruyter bestond vanaf het begin anders
dan bijvoorbeeld bij Albert Heijn overwegend uit vrouwen en
meisjes. Spil in de verkooporganisatie was de hoofdjuffrouw zij gaf
leiding aan een aantal winkelmeisjes. Een nieuwe verkoopster werd
geïnstrueerd met de grondbeginselen van de verkoopkunde. Een
winkelmeisje had een geweldig verantwoordelijke positie. Zij stond
immers voor de ‘eerst indruk’ van de klant. Door de eigen productie
de eenvormigheid van de winkels en de contante betaling was de
organisatie eenvoudig. De van het winkelbeheer bevoorrading, de
administratie, de supervisie, alles werd centraal vanuit
’s-Hertogenbosch geregeld. Het succes van de onderneming was
hiermede aan te danken. Na de oorlog stond De Gruyter aan de top van
de Nederlandse kruideniersbranche. Kort na de terugkeer in 1948
van Paul de Gruijter uit de Verenigde Staten werd door een andere
ondernemer Chris van Woerkom in Nijmegen de eerste
zelfbedieningszaak in Nederland geopend. Deze nieuwe verkoopformule
werd een succes. De omzet verdubbelde. De kosten stegen niet. De
directies van zowel Albert Heijn als De Gruyter reageerden
aanvankelijk aarzelend op de ‘Amerikaanse ontwikkelingen’. Moesten
meegaan? ze daarin. Maar de klant is enthousiast. De doorsnee
verkoopster van De Gruyter was niet onverdeeld enthousiast. Ze waren
gewend te werken ‘over de toonbank’ in de bedieningswinkels.
Men vond het jammer dat in de zelfbedieningswinkels het contact met
de klant verloren ging. In de loop van 1962 opende De Gruyter de
eerste supermarkt in Amsterdam. Snel daarna volgde er een in
Rotterdam. Albert Heijn bleef niet achter. De Gruyter was succesvol
in de tijd dat ‘de markt’ zich nog liet leiden door de aanbieder
namelijk de grote fabrikant. Al gauw werd duidelijk dat deze marktpositie niet te handhaven bleef.
Donkere wolken
Aan het einde van de jaren zestig pakten zich donkere wolken samen
boven het schier onaantastbare levensmiddelenconcern. De
zelfproductie van De Gruyter werd verliesgevender. Maar de fabrieken
staan er niet voor niets en moesten blijven draaien. Ze werden een
blok aan het been voor een andere aanpak. De grote supermarkten met
name van Albert Heijn wonnen aan populariteit. Wilde De Gruyter
meegroeien, dan moest de supermarktwinkeloppervlakken omhoog winkels
in de binnensteden waren hiervoor niet geschikt (te klein). Het
bedrijfssucces van De Gruyter was rond 1960 op zijn retour. De klant
vroeg meer artikelen omdat hij zich meer en meer kon veroorloven. Na
de oorlog breidde de vraag naar levensmiddelen in een gezin sterk
uit. Het grootwinkelbedrijf antwoordde met een
assortimentsuitbreiding. Voor De Gruyter was dat een dilemma.
Uitbreiding van het assortiment ondergroef de succesformule ‘alleen
eigen waar verkopen’. Er moest flink geïnvesteerd worden om de
assortimentsuitbreiding in eigen beheer te realiseren. De Gruyter
zou veel grotere hoeveelheden moeten produceren en ook het aantal
producten moest sterk omhoog.
Ineens blijkt gigant De Gruyter als producent te klein om daarin mee
te gaan. In 1966 werd er verlies geleden terwijl toch of misschien
‘juist’ het winkel
|
|
Bronnen, noten en/of referenties:
Beeldbank Erfgoed 's-Hertogenbosch |
|
areaal en het aantal werknemers stegen.
In 1966 telde men een personeelsbestand van 7.408 mensen. In de
zestiger jaren van de twintigste eeuw verdwenen ook de ‘De Gruijters’ zelf uit de directie. Buitenstaanders kwamen ervoor
in de plaats. Toen in 1960 de derde fabriek werd geopend maakten de
jaarverslagen al melding van steeds lagere winsten. Tenslotte kwamen
de verliezen.
Fotoreportage: Van de winkels
en de inrichting. En de reclame uitingen van P. de Gruyter & Zoon met het
snoepje van de week.
Overname en teloorgang
In 1962 startte De Gruyter met de formule van de supermarkt waarmee
de Nederlander nog vertrouwd moest worden gemaakt. De klant moest een
consument worden die zelf de weg wist en zijn keuzes maakte. Een nieuwe
winkelformule onder de naam Metromarkt werd gelanceerd in 1966. Naast het
gebruikelijke ruime assortiment vormen dagverse producten een wezenlijk
onderdeel waaraan andere eisen werden gesteld. De overgang van
personeelsintensieve winkels naar winkelpanden met weinig personeel verliep
stroef. Sluiting van oude kleine zaken was nodig om de nieuwe grote winkels
voldoende klandizie te garanderen. Er ontstond overcapaciteit wat de lasten
sterk deed toenemen. Het nog altijd stijgend aantal winkels was dus niet een
teken dat op een positieve ontwikkeling wijst. Tot het einde toe bleef men
vasthouden aan de band tussen productie en handel waarbij de balans al
jarenlang doorsloeg naar de eerste terwijl de algemene trend zich juist ten
voordele van de detailhandel ontwikkelde. Ook de internationalisering en het
verdwijnen van gesloten nationale markten waren aspecten die te weinig
aandacht kregen. Dat heeft De Gruyter in een tijd van hoogconjunctuur nooit
bijtijds ingezien.
Met de expansie van de
bedrijven in ’s-Hertogenbosch ging zij ondertussen door. Er kwam in
1967 een vierde fabriek bij op bedrijventerrein De Rietvelden
waarmee de bedrijfsoppervlakte een toppunt bereikte van 120.000 m2.
Dit leidde ook in deze sector tot overcapaciteit en te grote
productiviteit. De personeelsomvang vertoonde een constant stijgende
lijn. Bij alle mogelijke Nederlandse onderdelen van het concern
werkten meer dan 7.400 mannen en vrouwen. Juist in de jaren zestig
stegen de lonen explosief en bracht dit een algemeen
welvaartsniveau. |
Reorganisatie en mismanagement
In 1964 werd een grootschalige
reorganisatie doorgevoerd. Algemeen uitgangspunt was
decentralisering van het directie voerende hoofdkantoor in
’s-Hertogenbosch. Onder leiding van bedrijfsleiders en winkelchefs
kregen plaatselijke winkels meer zelfstandigheid. Managers volgens
een nieuwe districtsindeling hielden toezicht. Ingrijpender wellicht
was een generatiewisseling die men zag voltrekken onder het
kaderpersoneel. De economisch geschoolde doctorandussen van de
universiteiten van Tilburg en Rotterdam kwamen binnen het concern en
kregen meer invloed. Hun inzichten getuigden lang niet altijd van
zakelijk inzicht en instinct of tact wat naar beneden toe
demotiverend uitpakte. Het Bossche hoofdkantoor werd te zwaar de
kosten voor het management waren te hoog. De concerndirectie en de
Raad van Bestuur was vergrijsd met autoritair optredende leden uit
de familiekring die veelal laat beslissingen namen. De jongste
generatie was te lang buiten de deur gehouden maar ook voor het
leidinggeven aan een concern minder capabel. In 1967 kwam De Gruyter
in de rode cijfers wat het jaar daarop weinig aanleiding gaf het
150-jarig bestaan te vieren.
Toen verdere verliezen onafwendbaar bleken eiste grootaandeelhouder
Unilever dat er ingrijpende veranderingen zouden plaatsvinden.
De Raad van Commissarissen kwam met een preadvies. De
tien procentkorting werd in deze tijd van reële
inkomstenverbetering afgeschaft. De ‘De Gruijter-dynastie’ die
verdeeld was maar alleen als een blok zakelijke beslissingen namen
trok zich omstreeks 1970 definitief terug. Het in 1966
geïntroduceerde concept Metromarkt bleek niet echt aan te slaan en
verdween van het toneel in 1971. De consument die nu een ongekende
welvaart beleefde en dat onder alle lagen van de bevolking koos
massaal voor een ander soort voorziening van de dagelijkse behoefte
discountbeginsel.
Opdeling en onttakeling
1970-1976 en 1978 Veel documentatie op het vlak van instructie of
voorlichting voor personeel respectievelijk klant is uit deze weinig
florissante slotfase voorhanden. Herstructureringen en
reorganisaties brachten intern veel papier voort bij de vleet
inventarisaties, calculaties, marketingboeken, cursussen en
herscholing, van hoog tot laag. Tal van destijds gevierde bureaus
zoals McKinsey in 1971 trokken hun conclusies maar weinig vermocht
het tij keren. Overgenomen door de Steenkolen Handels Vereniging (SHV)
leefden enkele onderdelen van De Gruyter voort zoals
Handelsmaatschappij De Dommel (Hamido). Groots opgezette
reorganisaties moesten redding brengen. Veelvuldige mutaties op
directieniveau signaleerden dat er veel fout zat. Met een uit
Engeland overgenomen nieuw logo De Gruyter winkelkleur geel e.d.
kortom een totaal nieuwe huisstijl dacht een bureau nog in 1972 de
consument weer te kunnen winnen. Ondersteund met een reclamefilm
mislukte de nieuwe formule grandioos. Uitverkoop volgde van
Trefcentra aan Bijenkorf en van Kijkshops aan V&D beide in 1973. De
bezorgdienst omgetoverd tot Buitendienst werd gestaakt in 1975. In
1976 sloten de laatste winkels onder de traditionele naam ‘De
Gruyter’.
Het faillissement werd uitgesproken over de laatste restanten De
Gruyter in 1978. De landelijk bekende naam verdween definitief uit
het straatbeeld.
|
Bronnen, noten en/of referenties:
Industrieel Erfgoed van
's-Hertogenbosch
Beeldbank Erfgoed 's-Hertogenbosch
Niek van der Donk - publicatie website Bedrijfsgeschiedenis en Overlevering De
Gruyter.
Bossche Encyclopedie. |
|