|
's-Hertogenbosch
Mengvoederfabriek Koudijs
In 1864 vestigde de uit Frankrijk
afkomstige meelmolenaar Hippolyte Bruyelle zich in Tilburg. In dat
jaar startte hij daar een stoommeelfabriek. Vanwege aan- en
afvoerproblemen werd in 1909 een nieuwe meelfabriek gebouwd aan de
Bossche Buitendijkstraat. In opdracht van de firma Bruyelle werd
hier op het dan toe onbebouwde terrein aan spoorweg en Dieze in 1909
een meelfabriek gebouwd. De gebroeders François en Leon (die firma
voerden onder de naam van hun vader Hippolyte Bruyelle) bezaten al
een meelfabriek in Tilburg. Maar zij kozen voor de nieuwe vestiging
’s-Hertogenbosch als locatie omdat de ligging aan de Dieze toevoer
van graan met grote schepen mogelijk maakte.
Het gebouw is een ontwerp van de Tilburgse architect Frans de Beer
(1873-1960). Een ander ontwerp van hem in ’s-Hertogenbosch is de
Machinefabriek Grasso die enkele jaren later is gebouwd (1912-1913).
In de fabriek werd het graan gemalen door middel van walsen. Deze
grote stalen rollen hadden verschillende profielen zodat het meel
in verschillende fijnheid en kwaliteit kon worden gemalen. Maximale
productie per dag was 1500 balen meel! Een stoommachine dreef de
walsen aan. Achter de fabriek stond dan ook een machinehuis. De
schoorsteen daarvan op oude afbeeldingen nog te zien is later
afgebroken.
In 1916 verkocht Bruyelle de fabriek aan de Eerste Nederlandse
Coöperatieve Meelfabrieken. Deze coöperatie sinds de jaren 1930
bekend onder de naam Meneba (MEelfafbriek der NEderlandse BAkkerij)
was een initiatief van de Nederlandse Bakkersbond en bedoeld als
tegenwicht tegen particuliere fabrikanten.
Bij de bevrijding van ’s-Hertogenbosch in oktober 1944 werd rond de
meelfabriek hevig gevochten. De schoorsteen werd kapotgeschoten en
ook het torentje op de fabriek werd zwaar onder vuur genomen. Geen
wonder want bovenin zaten Duitse scherpschutters…
|
|
Bronnen, noten en/of referenties:
Beeldbank Erfgoed 's-Hertogenbosch |
|
Van meel naar mengvoeder
Tot na de Tweede Wereldoorlog bleef de meelfabriek in bedrijf. De
productie eindigde in 1949 toen het complex werd overgenomen door
Koudijs Voederfabrieken. Al sinds 1928 bestond met dit bedrijf een
zakelijke relatie. Meneba verhuurde in Rotterdam namelijk
fabrieksruimte aan Koudijs en verstrekte de firma bovendien
leningen. Toen Koudijs de capaciteit wilde uitbreiden werd besloten
tot een ruil de meelfabricage ging naar Rotterdam en Koudijs kwam
naar ’s-Hertogenbosch.
Het betekende grote veranderingen voor de fabriek aan de Dieze.
Eerst nieuwe machinerie. Want er werd niet meer gemalen maar
veevoeder geproduceerd door verschillende meelsoorten te mengen. Dit
was vooral voer voor pluimvee (naast dat voor varkens, paarden en
koeien). Ook verrezen er nieuwe gebouwen er kwamen expeditieruimten
voor vervoer per trein en vrachtauto de insteekhaven naast de
fabriek werd gedempt en er verrezen grote silo’s.
Door bedrijfsovernames veranderde in de loop van de jaren ook een
aantal keren de naam op de gevel van Koudijs BK over Koudijs Wouda (1966)
naar tenslotte De Heus. Dit laatste bedrijf nam namelijk in 1998 de fabriek
over. Overigens veranderde niet alleen de naam in de loop der jaren. Waar in
de jaren 1960 nog 200 mensen werkten in de fabriek waren dat er in 2008 nog
maar 30. Het productieproces was immers grotendeels geautomatiseerd vanuit
een controlekamer werden de granen uit een van |
de 21 silo’s door pijpleidingen gevoerd om
vervolgens gemalen, gedoseerd en gemengd te worden. Als korrels of in poedervorm verliet
het voer voor de vleeskuikens en kippen tenslotte in grote
tankauto’s de fabriek. Het verhitten en koelen van de granen
gedurende de productie veroorzaakte de weeïge geur die vaak in de
omgeving te ruiken was.
De Mengfabriek
In 2014 stopte De Heus met de productie van veevoeder en verkocht de
fabriek aan de gemeente ’s-Hertogenbosch. Daarbij speelden
verschillende factoren een rol zoals de verandering van
productielocaties binnen De Heus en de stankoverlast die het bedrijf
regelmatig in de stad veroorzaakte. In het kader van stedelijke
herontwikkeling heeft de gemeente vervolgens de ruimte geboden aan
‘stadmakers’ om hier culturele waardes sociale structuren en
economische bedrijvigheid te creëren. De gemeente ’s-Hertogenbosch
inmiddels eigenaar van het complex heeft de Tramkade vooruitlopend
op stedelijke herontwikkeling voor tien jaar in gebruik gegeven
voor placemaking het Tramkade Experiment. Sindsdien blazen de
Kaaihallen de Mengfabriek en het Werkwarenhuis de Tramkade nieuw
leven in. Bosschenaren die net een beetje anders tegen de wereld
aankijken hebben de Tramkade getransformeerd in een creatieve en
levendige vrijplaats voor iedereen die jong en jong van geest is.
Het Gebouw
De meelfabriek is op U-vormig
grondplan gebouwd met in de oksel het trappenhuis uitlopend in de
watertoren die boven het gebouw uitsteekt. In later tijd is ook de
binnenplaats bebouwd waarmee het gebouw een vierkant grondplan
heeft gekregen. In de bakstenen oostvleugel die evenwijdig aan de Dieze is gelegen waren het magazijn en de wasserij ondergebracht
in de bakstenen zuidvleugel bevond zich de maalderij terwijl het
betonnen silogedeelte de noordvleugel vormt. Alle vleugels alsmede
de bebouwde binnenplaats hebben een plat dak. Zowel de oost- als de
zuidvleugel telt vijf bouwlagen en is zeven traveeën lang en vier
breed. De traveeën worden van elkaar gescheiden door lisenen. Elke
travee omsluit op elke verdieping een gepaard venster onder dubbele
segmentboog gevuld met recht gesloten ramen met roede verdeling. Op
de bovenste verdieping ontbreken evenwel de segmentbogen. Op de begane grond omvat elke travee een enkel recht gesloten venster met
ramen in roede verdeling. De derde travee in de oostgevel is
evenals de tweede in de zuidgevel op elke verdieping voorzien van
laaddeuren. De houten vloeren in de oost- en zuidvleugel worden
gedragen door ijzeren onderslagbalken die op hun beurt rusten op
ronde gietijzeren kolommen met licht geprofileerde kapitelen. De
bovenverdieping kent evenwel
|
houten standvinken die de houten kapconstructie dragen. De noordvleugel
bestaande uit het betonnen silogedeelte is van dezelfde hoogte als de twee
andere vleugels en telt drie rijen van vier silokoker die op de begane grond
uitlopen in rechthoekige trechters. Twee van de drie rijen trechters zijn
verwijderd. De bovenverdieping bestaat uit een grote ruimte met in de vloer
mangaten die toegang geven tot de silokokers. De zoldering wordt gedragen
door betonnen kolommen die een betonnen kapconstructie dragen. Het
trappenhuis uitlopend in de vierkante watertoren is opgetrokken uit
baksteen en kent een betonnen trap en dito waterreservoir ten
behoeve van de sprinklerinstallatie. De toren heeft een tentdak belegd met verbeterde
Hollandse pannen. In
de noord- en zuidgevel is een drietal hoge recht gesloten vensters
aangebracht met ijzeren ramen in roede verdeling. Daarboven is een
rondvenster met ijzeren raam geplaatst. Een zelfde venster is in de
andere gevels aangebracht. Langs het trappenhuis loopt een
takelschacht met luiken in elke vloer. In de ruimte onder het
waterreservoir is de bijhorende houten lier geplaatst.
De meelfabriek is van algemeen belang.
Zij heeft cultuurhistorische waarde als illustratief voorbeeld van
het voor de tijd moderne type meelfabriek met de voor dit type
kenmerkende ligging omvang en vormgeving. Zij heeft
architectuurhistorische waarde als voorbeeld van sobere en
doelmatige fabrieksarchitectuur en vanwege de plaats die het gebouw
inneemt in het veelzijdig
oeuvre van de architect F.C. de Beer. |
 |
Het
gebouw heeft bouwhistorische waarde vanwege de toegepaste materialen
met name de gietijzeren kolommen de betonnen silo's en het betonnen
waterreservoir. Het heeft ensemblewaarde vanwege de
herkenbare functionele samenhang met de wijk en als beeldbepalend
element hierin. Het is zeldzaam als voorbeeld van het eertijds
gangbare type moderniserende meelfabriek en is bovendien gaaf
behouden.
|