|
's-Hertogenbosch
Kamp Vught
Kamp Vught (Konzentrationslager
Herzogenbusch) was een van de drie Duitse concentratiekampen in
Nederland tijdens de Tweede Wereldoorlog. De andere twee zijn de
doorgangskampen Amersfoort en Westerbork. Kamp Vught bevond zich in
de Noord-Brabantse plaats Vught nabij de recreatieplas de IJzeren
Man. Het heeft ruim anderhalf jaar als concentratiekamp
gefunctioneerd.
Bouw
De bouw van het kamp werd in 1942 gestart, naar model van
Konzentrationslager in nazi-Duitsland en in door dat land
geannexeerde gebieden, omdat Kamp Westerbork en Kamp Amersfoort niet
genoeg capaciteit meer hadden. Het Duitse
Wirtschaftsverwaltungshauptamt (WVHA), de economische poot van de SS
in Berlijn gaf daartoe de opdracht. Het WVHA haalde zijn inkomsten
door kampgevangenen te werk te stellen bij bedrijfsvestigingen vlak
bij de kampen. De bouw werd gefinancierd door Liro, de Duitse
roofbank waarin de tegoeden van gedeporteerde Nederlandse Joden
waren ondergebracht. Toen de eerste gevangenen uit kamp Amersfoort
aankwamen, was het kamp nog niet klaar. De gevangenen moesten het
zelf afbouwen. Er werd om het kamp door de gevangenen een gracht
gegraven en om de 100 meter een wachttoren gebouwd. Het kamp was 1
kilometer lang en 350 meter breed. De nominale maximale capaciteit
van het kamp bedroeg 15.000 mensen.
Het in 1942 gebouwde kamp in Vught was
het enige in Nederland dat opgezet werd volgens hetzelfde model als
de concentratiekampen in Duitsland. De eerste gevangenen arriveerden
in januari 1943 en als gevolg van de erbarmelijke omstandigheden
vielen gedurende de eerste maanden de meeste slachtoffers. In totaal
zouden er tussen januari 1943 en september 1944 ruim 31.000 mensen
voor korte of langere tijd gevangen zitten. Onder de gevangenen
waren circa 12.000 Joden die vanuit het kamp, meestal via
doorgangskamp Westerbork, werden gedeporteerd richting de
vernietigingskampen in Polen. In totaal stierven 421 gevangenen in
het kamp als gevolg van honger, ziekte en mishandeling. 329
gevangenen werden op de fusilladeplaats buiten het kamp
geëxecuteerd. Naar verhouding met de concentratiekampen in Duitsland
en Polen was het sterftecijfer echter klein. Het Duitse
bezettingsbestuur in Nederland, onder aanvoering van
Rijkscommissaris Arthur Seyss-Inquart, die bijgestaan werd door de
Hogere SS- en Politieleider Hanns Rauter, beschouwde kamp Vught als
een modelkamp. Het naar verhouding minder zware regime en het
vermijden van excessen moesten voorkomen dat de Nederlanders zich
tegen de aanwezigheid van het kamp zouden verzetten. "De politieke
verhoudingen in Nederland vereisen een bijzondere fijngevoeligheid,
omdat voorvallen in het kamp ook voor de buitenwereld niet verborgen
blijven", zo werd vastgesteld door de rechtbank die zich bezig hield
met de rechtszaak tegen Grünewald. Het waren onder andere
Nederlandse kampbewakers die de samenleving informatie verstrekten
over gebeurtenissen in het kamp. Deze informatie kon op
"buitengewone wijze door de vijandelijke propaganda ruimschoots
benut worden", waarmee "de doelen van de Rijkscommissaris in
Nederland aanzienlijk verstoord kunnen worden." Voordat hij benoemd
was als kampcommandant was Grünewald gewezen op "de bijzonderheid
van de politieke situatie in Nederland en de voor hem daaraan
verbonden consequenties"
Organisatie en leiding
Kamp Vught stond onder beheer van de SS, in tegenstelling tot de
andere Nederlandse kampen (waar overigens vaak wel SS'ers werkten,
zoals in Kamp Amersfoort). De ligging was mede bepaald door de
nabijheid van 's-Hertogenbosch, reden waarom het kamp door de
Duitsers werd aangeduid als Konzentrationslager Herzogenbusch. In
's-Hertogenbosch bevond zich een aantal landelijke Duitse
instellingen, terwijl het kamp ook nabij goede wegen en spoorwegen
lag. Het kamp moest als 'modelkamp' dienen en is qua opzet,
uitvoering en grootte te vergelijken met concentratiekamp Dachau. De wachttorens langs het met dubbele prikkeldraad
omheinde kamp werden de klok rond met merendeel Nederlandse SS'ers bemand.
|
Het kamp had tijdens de oorlog drie commandanten:
SS-Hauptsturmführer Karl Chmielewski vanaf januari 1943 tijdens de
eerste maanden van het kamp
SS-Sturmbannführer Adam Grünewald van oktober 1943 tot januari 1944
SS-Sturmbannführer Hans Hüttig van februari 1944 tot de sluiting van
het kamp.
Gevangenen
In totaal werden er ruim 31.000 mensen in het kamp gedetineerd
waaronder 12.000 Joden en verder politieke gevangenen, Roma en Sinti,
verzetsstrijders, Jehova's getuigen, homoseksuelen, zwervers,
criminelen en zwarthandelaren. Gevangenen waren onderverdeeld in
verschillende kamponderdelen:
Schutzhaftlager
Judendurchgangslager
Studentenlager
Geisellager
Frauenkonzentrationslager
Polizeiliches Durchgangslager
|
|
Slachtoffers
In het kamp zelf zijn zeker 749 mensen om het leven gekomen. Het
werkelijke aantal ligt waarschijnlijk iets hoger. Zo zijn er
officieel 329 personen, onder wie 36 Belgen, geëxecuteerd in Vught.
Het werkelijke aantal ligt vermoedelijk boven de vierhonderd.
Vanwege de vernietiging van de administratie bij de ontruiming van
het kamp was het precieze dodental na de oorlog moeilijk vast te
stellen. Het aantal sterfgevallen in Kamp Vught lag veel lager dan
in de kampen in Duitsland, namelijk 749 in totaal, door allerlei
oorzaken, omgerekend ongeveer een op vijftig gevangenen. In Dachau
was dit op een totaal van 200.000 gevangenen ruim 40.000, dus een op
de vijf. Vanuit Vught werden echter onder meer 15.000 Joden
gedeporteerd, van wie bijna niemand de oorlog overleefde.
|
Vermoord in Vught
In totaal werden ongeveer 32.000 mensen tussen januari 1943 en
september 1944 korte of langere tijd opgesloten in het kamp. Van hen
vonden zeker 749 kinderen, vrouwen en mannen in het kamp de dood
door honger, ziekte, mishandeling en executie. Er werden 329
gevangenen geëxecuteerd op de fusilladeplaats even buiten het kamp:
|

|
Het merendeel
was van Nederlandse afkomst er waren minstens zesendertig Belgen in
Kamp Vught om het leven gekomen. Ze waren bijna allemaal in België
door de Duitse bezetter in een militair proces ter dood veroordeeld
wegens sabotageacties. Het vonnis moest met de strop ten uitvoer
worden gebracht. Daarvoor werden ze vanuit België naar kamp Vught
overgebracht en nog dezelfde dag of de dag na aankomst opgehangen.
Van veel van de veroordeelden is bekend dat het communisten waren.
En waren ongeveer zevenhonderd Nederlanders in Kamp Vught om het
leven gekomen. Begin 1943 kwamen de eerste gevangenen vanuit Kamp
Amersfoort in Vught aan, terwijl er nog nauwelijks voorzieningen
waren en er geen fatsoenlijke keuken voor voedselbereiding was. Ze
kwamen door de vele mishandelingen en ondervoeding in Amersfoort in
een slechte conditie in Vught aan en stierven daar door de
erbarmelijke omstandigheden in een hoog tempo. De eerste gevangenen
waren ten dele door de Duitse bezetter als verzetsmensen gevangen
gehouden, die om onbekende redenen niet naar Duitse
concentratiekampen werden doorgestuurd en voor een ander deel
personen die voor economische delicten gevangen werden gehouden.
Veelal betroffen die economische delicten illegaal slachten, maar
ook manipuleren met bonnen of onttrekken van voedsel aan de normale
distributie vielen daaronder. Men kan dat ook herkennen aan de
beroepen, waar veel slagers, landbouwers en andere beroepen
betrokken bij de voedselvoorziening veelvuldig voorkomen. Soms
betrof het mensen die onevenredig zwaar voor zelfverrijking gestraft
werden, maar veelal hadden de betrokkenen gehandeld uit persoonlijke
nood, nood in hun omgeving, voedsel voor ondergedoken personen, een
vorm van sabotage door te weigeren voedsel aan de Duitsers uit te
leveren en soms voor zwarte handel om daarmee verzetsactiviteiten te
kunnen financieren.
Kort daarop werden joden uit Westerbork aangevoerd, die vrijgesteld
waren van deportatie naar de gaskamers in Auschwitz of Sobibór.
Vermoedelijk waren het voornamelijk zogenaamde halfjoden of gemengd
gehuwden. Er zaten zuigelingen en hoogbejaarden tot boven de
negentig jaar bij, die allemaal onder erbarmelijke omstandigheden
werden ondergebracht en in hoog tempo stierven.
Daarna kwamen er andere gevangenen, vaak rechtstreeks afkomstig uit
gevangenissen. Het betrof voornamelijk verzetsmensen, maar vaak is
de precieze verzetsachtergrond niet bekend. In deze periode ging de
sterfte drastisch omlaag, doordat de levensomstandigheden
verbeterden omdat de Duitsers de gevangenen voor de oorlogseconomie
wilden inzetten. De gevangenen waren als dwangarbeiders te kostbaar
om te laten sterven. Desondanks kwamen mishandelingen de dood ten
gevolge hebbende veelvuldig voor, maar veelal is de doodsoorzaak
onbekend of is een vervalste doodsoorzaak vastgelegd. In de tabel is
‘’ontberingen’’ vastgelegd indien een of andere ziekte als
doodsoorzaak is vermeld, maar er zullen vast personen tussen zitten
die ten gevolge van mishandelingen om het leven waren gekomen.
Veelal werd de cynische doodsoorzaak van ‘’falen van hart en
bloedsomloop’’ opgegeven: als iemand op een of andere manier dood
was gegaan, dan klopte het hart inderdaad niet meer.
Vanaf half juni 1944 worden massaal gevangen gefusilleerd. Ze zijn
veelal pas kort daarvoor gearresteerd wegens verzetsactiviteiten.
Dit gaat door tot de ontruiming als de geallieerden bijna op de
stoep staan, waarna de
|
|
overigen in allerijl naar Duitsland worden afgevoerd, waar de
meesten door de erbarmelijke omstandigheden voor nieuwkomers in de concentratiekampen alsnog om het leven
komen. Opvallend is dat bij de gefusilleerde opeens veel grotere aandelen
beroepen voor beter gesitueerden en politiemensen zitten. Die beroepsgroepen
komen onder de eerder gestorvenen nauwelijks voor. Enkele gevangenen, onder
wie David Koker, Klaartje de Zwarte-Walvisch en Helga Deen hielden een kampdagboek bij dat
bewaard is gebleven. Ze zijn alle drie omgekomen na transport naar
andere concentratiekampen.
Philips
In het kamp was een werkplaats waar producten voor Philips werden
gemaakt. De directie van Philips had pas na lange aarzeling
meegewerkt aan de werkplaats, en slaagde erin de situatie van de
tewerkgestelden aanzienlijk te verbeteren. Het werken voor Philips
werd aangeduid als het Philips-commando of Philips-commando. Af en
toe kon er met elkaar gepraat en gezongen worden, zolang de
dienstdoende Kapo of Aufseherin het maar niet opmerkte als hij of
zij door de ramen keek.
Allerlei waarschuwingssystemen waren
ontwikkeld om hen tijdig te signaleren. Philips wist ook te bereiken
dat tijdens de lange werkdag van wel twaalf uur twee extra pauzes
voor het Philips-commando werden ingelast. Bij de afdeling
radiobuizen werd deze na |
enige tijd zelfs teruggebracht tot acht uur, ter beperking van de
vermoeidheid
in handen en ogen bij dit voor de oorlog belangrijke precisiewerk.
Op een
goede dag kwam er in de werkplaats dankzij listig spel van Braakman van de Philipsleiding
een radio-omroep die opwekkende muziek liet klinken.
Daarmee konden
ook mededelingen worden doorgegeven naar alle werkbarakken, wat de
saamhorigheid verhoogde. Daarnaast was er een vliegtuigsloperij waar
onderdelen uit neergeschoten vliegtuigen werden gehaald.
Bij het uitbreken van de Tweede
Wereldoorlog vluchtte de directie van de Koninklijke Philips naar
Engeland. Directeur Frits Philips bleef achter in Nederland en kreeg
de leiding over de Nederlandse tak van het Philips concern. Tijdens
de bezettingsjaren stelde de Duitse bezetter de Duitser dr. Ludwig
Nolte aan als Verwalter (bewindvoerder). Nolte kreeg op deze manier
de leiding over de fabriek en zorgde ervoor dat er zoveel mogelijk
werd geproduceerd ten behoeve van de Duitse oorlogseconomie. Omdat
de Philipsfabriek in Eindhoven op grote schaal radiobuizen
produceerde, werd de fabriek als onderdeel van Operation Oyster op 6
december 1942 gebombardeerd door de RAF. Dit bombardement kwam
bekend te staan als het Sinterklaasbombardement. Doordat de fabriek
volledig in as was gelegd moest er een nieuwe locatie gevonden
worden voor de productie.
Konzentrationslager Herzogenbusch, beter bekend als Kamp Vught, werd
in 1942 gebouwd. In 1943 arriveerden de eerste gevangen in Kamp
Vught vanuit Kamp Amersfoort. Kamp Vught werd door de Duitsers
gebruikt voor economische doeleinden. Zo was er een
vliegtuigsloperij en werd er een werkplaats van Philips
gerealiseerd. Op 22 februari 1943 werd de werkplaats van Philips in
gebruik genomen. Twintig politieke gevangen werden tewerkgesteld om
materiaal te sorteren uit de gebombardeerde Philipsfabriek. Zij
werkten in de ‘Philips Speciale Werkplaats B677’, een barak met
enkele tafels en banken. In april 1943 begon de productie. De
producten die gefabriceerd waren, waren voornamelijk zogenaamde
kriegswichtige producten (producten die belangrijk waren in de
oorlog). Er werden echter ook veel producten gemaakt die niet
kriegswichtig waren, zoals scheerapparaten, zaklampen en paperclips.
De producten werden veelal gesaboteerd en de productiviteit was erg
laag, waardoor Philips geen enkele winst heeft gemaakt met de
productie van het commando. Na de oorlog werd gesproken van een
verlies van 1 miljoen gulden. Op 4 februari 1944 bezocht Heinrich
Himmler naar aanleiding van het bunkerdrama kamp Vught en het
Philips-commando. Kamp Vught was het enige SS-concentratiekamp
buiten Duitsland en de door Duitsland bezette gebieden. Vanaf
februari werkten ongeveer 1240 gevangenen voor het Philips-Kommando.
Onder deze gevangenen waren ongeveer 500 Joden en tientallen
politieke gevangenen uit Frankrijk en België. Tegen 1944 waren er
veertig afdelingen, waaronder de afdelingen transformatoren,
condensatoren, dooscondensatoren, radiobanden, relais, buisvoetjes,
radiobuizen en knijpkatten.
Frits Philips had als voorwaarde gesteld dat Philips de leiding zou
hebben over de werkplaats en de SS zich niet te veel zou inmengen.
De Joodse werknemers van Philips waren al behoed voor ontslag
doordat zij door Philips waren aangesteld aan het Speciaal
Opdrachten Bureau (SOBU), waar zij producten produceerden die van
belang waren voor de oorlogsvoering. Vanaf augustus 1943 kwamen deze
werknemers in Kamp Vught terecht. Doordat zij voor het
Philips-commando werkten, werden zij lange tijd behoed voor
deportatie. Er werd getracht hoogopgeleide gevangenen te beschermen
tegen mishandelingen door de bewakers door hen te werk te stellen in
een tekenkamer, schrijfkamer en een rekenkamer die geen functies
hadden voor de bezetter. Ook mochten de kampbewakers de werkplaatsen
van Philips niet betreden, omdat dit het werkproces zou verstoren.
De werkbarakken waren warm, droog en beschut. De werkers kregen ook
een warme maaltijd die betaald werd door Philips, de zogenaamde ‘Philiprak’.
Om meer Joodse vrouwen aan het werk te krijgen bij het
Philips-commando werd de Duitsers verteld dat radiobuizen alleen
gefabriceerd konden worden door vrouwen met fijne vingers. Om de
juiste werknemers hiervoor te vinden, moesten de vrouwen medisch
gekeurd worden. Een arts die was betrokken bij het complot, koos
voor dit werk alleen Joodse vrouwen uit. In Vught trokken
verschillende inwoners zich het lot van de kampgevangenen aan.
Eelkje Timmenga-Hiemstra zorgde samen met Charlotte van Beuningen en
Loes van Overeem onder de beschermende vlag van het Rode Kruis voor
voedselpakketten. Ook bemiddelde zij bij het doorgeven van
berichten. Ook Evert Verwey en Hilda Verwey-Jonker ondersteunden het
Philips-commando.
In mei 1943 was er een transport waar onder andere 264 mannen van
het Philips-commando werden gedeporteerd met eindbestemming Dachau.
Uiteindelijk werden alle overgebleven Joodse werkers van het
Philips-commando op 2 juni 1944 naar Auschwitz gedeporteerd. Omdat
zij Facharbeiter von Philips' waren, werden in totaal 350 Joodse
vrouwen en vijftig vrouwelijke politieke gevangenen in drie
transporten naar een buitenkamp van concentratiekamp Groß-Rosen in
Reichenbach gebracht, om in een fabriek van Telefunken condensatoren
voor vliegtuigen te maken. Hierdoor overleefden 400 mensen de Tweede
Wereldoorlog. In totaal waren 3125 personen Joods en niet-Joods
tewerkgesteld bij het Philips-Kommando.
Kamp Vught had verscheidene buitenkampen. De twee grootste waren het
zogenaamde Michelincommando (officieel Außenlager Herzogenbusch) en
buitenkamp Moerdijk. Zij werden ontruimd in de dagen voor Dolle
Dinsdag (5 september 1944). In 's-Hertogenbosch was voor de oorlog
een Michelinfabriek in aanbouw. Toen de Duitsers binnenvielen, was
de productie nog niet opgestart. De Duitse concurrent van Michelin,
Continental Gummi-Werke AG, trok in het gebouw en er werden
gasmaskers geproduceerd met inzet van gevangenen uit Kamp Vught. In
buitenkamp Moerdijk werkten ongeveer vijfhonderd Joodse mannen aan
het graven van tankgrachten.
Kindertransporten
Op 5 juni 1943 werd bekendgemaakt dat alle Joodse kinderen uit het
kamp weg moesten. Er werd gezegd dat zij naar een speciaal
kinderkamp in de buurt zouden gaan. Op 6 juni werden alle kinderen
van nul tot en met drie, samen met hun ouders gedeporteerd naar kamp
Westerbork. Een dag later werden ook alle kinderen van vier tot en
met vijftien jaar afgevoerd naar Westerbork. Van daaruit werden de
kinderen samen met hun ouders overgebracht naar Sobibór in (bezet)
Polen waar ze vrijwel direct na aankomst door middel van vergassing
om het leven werden gebracht. Er zijn 1296 kinderen weggevoerd in
het weekend van 1943.
Rond april 1943 raakte het kindergedeelte van Kamp Vught overvol
door de toestroom van Joodse kinderen als gevolg van de verheviging
van de door de Duitsers uitgevoerde razzia's. Vanaf de
kleuterleeftijd zaten kinderen in aparte barakken en zagen zij hun
ouders niet of zelden. Zij werden moeilijk te hanteren en de kleine
kinderen kregen vaak besmettelijke ziekten. Omdat kinderen geen werk
verrichtten, werd besloten ze weg te halen uit Vught. Op 8 mei 1943
vertrok een groot transport waaronder grote gezinnen. Op 22 mei
werden 1250 mensen gedeporteerd, waaronder driehonderd kinderen.
|
Er
heerst op het ogenblik een stemming in het kamp, zoals er
nog nooit geweest is. Het ergste wat er tot nu toe gebeurd
is, is ons meegedeeld. Alles wat we tot heden aan toe
ondervonden hebben, was erg, maar dit wat zich nu voordoet,
overschrijdt alle grenzen. Gisteravond werd ons medegedeeld
dat het kinderkamp wordt opgeheven. Alle kinderen jonger dan
zestien jaar moeten het kamp verlaten. Dit is op zichzelf
nog niet het allerergste, maar wat wel het allerergste is,
is dat de gezinnen uit elkaar gerukt worden. Er werd ons een
proclamatie meegedeeld waarvan we trilden en beefden.
— Klaartje de Zwarte-Walvisch, 6 juni 1943, 'Alles ging aan
flarden'
Aankondiging van het transport door de
kampleiding
Op 5 juni 1943 werd bekendgemaakt dat alle kinderen uit het kamp zouden
worden verwijderd. Er werd verteld dat zij naar een speciaal kinderkamp
in de buurt zouden gaan. Deportatie naar Westerbork op 6 juni werden alle
kinderen van nul tot en met drie jaar, samen met hun |
|
Emotie
als nog zelden is voorgekomen: de schoonmaaksters kwamen
vanmorgen snikkend de zaal binnen, mannen briesten: dat is
wel het vuilste dat wij hebben meegemaakt. [..] Midden in de
nacht, tegen half vijf, is een transport van
zeventienhonderdvijftig Joden in veewagens aangekomen: op
een honderd mannen na, niet anders dan berooide vrouwen met
haar kinderen en zuigelingen. [..] Zij kwamen broodmager,
geradbraakt aan, na een reis van tien uur. Ze spuwden vuur
en vlam over de gemene behandeling in Vught, de afmatting en
de vernedering: des morgens om vier uur op, half vijf appèl,
tot zes uur staan, half zeven aan het werk, vaak met honden
achter zich aan; met een uur schafttijd tot 's avonds half
zeven, soms half acht. Onder de baby's zijn verscheidene
zieke, roodvonk en mazelen: op mijn zaal is een baby, een
krullebol van nog geen jaar, tussen de andere kinderen
neergelegd. ‘Polizeilicher Arbeitseinsatz’, hoont men.
— Philip Mechanicus, 7 juni 1943, In Dépôt. Dagboek uit
Westerbork |
ouders gedeporteerd naar kamp Westerbork. Een dag later op 7 juni
werden de kinderen van vier tot en met zestien jaar afgevoerd naar
Westerbork. Op 8 juni vond het
kindertransport plaats vanuit kamp Westerbork. Met meer dan 3000
personen verdeeld over 46 goederenwagons was dit het grootste
transport van Joden vanuit Nederland. Volgens het Statistisch Bureau
Westerbork bestond dit transport uit 613 mannen, 1350 vrouwen en
1051 kinderen tot en met 16 jaar, waaronder 119 kleuters, 123
peuters en 55 baby's. Samen met hun ouders werden ze getransporteerd
naar vernietigingskamp Sobibór in bezet Polen waar ze op 11 juni
aankwamen en vrijwel direct na aankomst door vergassing om het leven
werden gebracht. Sommige kinderen uit een speciaal kinderkamp werden
ook weggevoerd naar Auschwitz. Herdenking op het voormalige terrein
van kamp Vught is het Monument der verloren kinderen geplaatst.
Ieder jaar vindt hier een herdenking plaats.
Het Monument der verloren kinderen
(ook wel Kindermonument) is een gedenkteken in Vught. Het monument
staat op het terrein van het Nationaal Monument Kamp Vught en is
geplaatst om de kindertransporten op 6 en 7 juni 1943 vanuit Kamp
Vught, via Kamp Westerbork, naar Sobibór te herdenken. Meer dan
duizend Joodse kinderen en hun ouders werden op transport gesteld
onder het mom van overplaatsing naar een speciaal
|
kinderkamp. Eenmaal aangekomen in het
vernietigingskamp Sobibór in bezet Polen werden ze vrijwel meteen vergast. Het
monument is gemaakt door Teus van den Berg-Been en werd op 5
september 1999 onthuld door Stichting Vriendenkring Nationaal
Monument Vught. Het bestaat uit een natuurstenen onderstuk met
daarop bronzen gedenkplaten. De gedenkplaten worden aan de bovenkant
verbonden met davidsterren. Op de gedenkstenen zijn alle 1269 namen
van de kinderen aangebracht met hun leeftijd.
Op de onderste
gedenksteen staat een passage uit de Bijbel:
Het kind is er niet...
en ik, waar moet ik heen!
Gen. 37:30
Voor de gedenkplaten ligt in
het brons gegoten speelgoed. De tekst op de plaquette aan de voet van het
gedenkteken luidt:
Meer dan 1800 joodse kinderen werden van hier op transport gesteld, naar
vernietigingskampen.
Slechts enkelen overleefden
van 1269 van deze kinderen staan hier de namen zij werden weggevoerd met het
kindertransport op 6 en 7 juni 1943 en omgebracht in hen gedenken we alle
kinderen die van Kamp Vught werden weggevoerd om nooit meer terug te keren.
Mogen hun zielen gebundeld
worden in de bundel van het eeuwige leven. |
|
Herdenking elk jaar vindt op of rond 6 juni een herdenkingsbijeenkomst plaats
bij het kindergedenkteken.
Bunkerdrama
Het Bunkerdrama deed zich in de nacht van 15 op 16 januari 1944 voor
in kamp Vught in Nederland. 74 vrouwelijke gevangenen werden in
opdracht van kampcommandant Adam Grünewald in een cel opgesloten
omdat ze hadden geprotesteerd tegen de opsluiting van een
medegevangene. De ruimte met een oppervlakte van 9 vierkante meter
was slecht geventileerd en tien vrouwen stikten tijdens de
opsluiting. Het drama raakte al snel buiten het kamp bekend en werd
uitgebreid beschreven door de illegale pers. Dit was een doorn in
het oog van de nazileiding in Nederland, die zulke gewelddadige
incidenten in modelkamp juist wilde beperken om het verzet in
Nederland niet aan te wakkeren. Maar desondanks ging het in de
nacht van 15 op 16 januari 1944 ontzettend mis.
Voorafgaand aan het Bunkerdrama was er een ruzie uitgebroken in de
vrouwenafdeling van het kamp. Eén van de vrouwelijke gevangenen in
barak 23 werd door de andere vrouwen beschuldigd van verraad en
uiteindelijk hadden ze voor straf haar haar afgeknipt. De volgende
dag werd de belangrijkste daderes door de kampleiding opgesloten in
een cel in de kampgevangenis, de Bunker. Ze weigerde de namen van de
overige vrouwen die bij de ruzie betrokken waren te noemen. De
vrouwen van barak 23 besloten zich solidair op te stellen en
verklaarden zich allemaal schuldig in de verwachting hiermee de
strafmaat voor hun opgesloten medegevangene te verlichten. Dat was
een fatale misrekening, want Grünewald vatte de solidariteitsactie
van de vrouwen op als muiterij en besloot keihard in te grijpen. Hij
liet op 15 januari alle vrouwen oppakken en ze onder aanmoediging
van SS-Obersturmführer Hermann Wicklein opsluiten in twee cellen in
de Bunker. 74 vrouwen werden samengepropt in cel 115, terwijl de
overige 17 in de nabijgelegen cel 117 gestopt werden.
Normaal gesproken was de cel waarin de 74 vrouwen die nacht
verbleven bestemd voor twee tot drie gevangenen. Met een
grondoppervlak van krap 9 vierkante meter waren de vrouwen gedwongen
om tegen elkaar aangedrukt te blijven staan en niet te gaan liggen.
Er was nauwelijks ventilatie. Tineke Wibaut overleefde het drama. Ze
herinnerde zich dat de paniek "in volle hevigheid" uitbarstte toen
het licht in de afgesloten cel uitging: "Het was een vreemd aanzwellend geluid, dat af en toe wat afebde en
dan weer opnieuw aanzwol. Het werd voortgebracht door biddende,
gillende en schreeuwende vrouwen. Sommigen probeerden er doorheen te
roepen om de vrouwen tot kalmte te manen en geen zuurstof te
verspillen. Soms hielp dat, heel even, maar dan begon het weer. Het
hield niet op, die hele nacht niet, het werd alleen minder luid. De
hitte werd verstikkend."
De volgende dag tegen 7:00 uur werd de deur van de cel 115 geopend.
Sommige vrouwen konden uit eigen beweging uit de cel komen, terwijl
de rest bewegingloos bleef liggen op de vloer. De lichamen werden
uit de cel gehaald. De toegesnelde kamparts kon twintig bewusteloze
slachtoffers nog redden, maar tien anderen hadden de nacht niet
overleefd. Op 21 januari voerde de kamparts autopsie uit op de
lichamen, daarbij gesteund door twee artsen van de Luftwaffe. De
artsen concludeerden dat door het lange staan het bloed uit de
bovenste lichaamsdelen van de vrouwen was weggevloeid met
bewusteloosheid als gevolg. Bovendien was er volgens hen als gevolg
van de uitgebroken paniek een verhoogd zuurstofgebruik ingetreden,
dat niet bevredigd kon worden vanwege een gebrek aan luchttoevoer.
Grünewald had de vrouwen zelf de schuld willen geven en probeerde de
kwestie in de doofpot te stoppen door de overlijdensaktes te
vervalsen. Ondanks dat hij het hun verboden had om over het
overlijden van de vrouwen te spreken, brachten twee van zijn
personeelsleden verslag uit aan de Sicherheitsdienst (SD) in Den
Haag. Op 24 januari werd Grünewald bij Rauter ontboden om rapport
uit te brengen. Het
verslag dat de kampcommandant en zijn collega’s samengesteld hadden,
rammelde aan alle kanten: het exacte aantal doden werd verzwegen,
net als het feit dat Grünewald het verboden had om de raampjes van
de cel te openen voor voldoende zuurstoftoevoer.
|
|
Ook werd in het verslag beweerd dat de cellen
"naar verhouding erg groot en ruim" waren. Rauter liet zich echter
niet voor de gek houden en zou woedend zijn geweest over het gedrag
van Grünewald. Een naaste medewerker van de Hogere SS- en
Politieleider verklaarde: "Hij Rauter was verontwaardigd over zoveel onmenselijkheid en noemde Grünewald een dier dat men moest opsluiten." Rauter bracht Himmlers
staf op de hoogte van het voorval. De kwestie werd blijkbaar zo hoog
opgenomen dat de Reichsführer-SS op 3 februari een persoonlijk
bezoek bracht aan het kamp. De vrees dat het incident onder de
Nederlandse bevolking bekend raakte, werd werkelijkheid op 15
februari toen Vrij Nederland als eerste illegale krant berichtte
over het voorval. Ook andere ondergrondse kranten zouden er daarna
nog over schrijven. Op 21 februari werd Grünewald ontslagen als
kampcommandant en vervangen door SS-Sturmbannführer Hans Hüttig.
SS-rechter Konrad Morgen reisde af naar Vught om een onderzoek in te
stellen. Over de duur van zijn onderzoek en zijn ervaringen is
weinig bekend. Tijdens het proces van Neurenberg verklaarde hij
enkel dat hij het kamp bezocht had. Ook vertelde hij dat Oswald Pohl
het volgende tegen hem gezegd zou hebben: "Wat maken de levens van
tien vrouwen uit met het oog op de duizenden Duitse vrouwen die elke
nacht tijdens luchtbombardementen omkomen?" Ondanks pogingen van
Pohl om dit tegen te houden, vond op 6
|
maart 1944 het proces plaats tegen Grünewald en zijn medeverdachte Hermann Wicklein. De
rechtszaak werd behandeld door het X SS- en Politiegerecht in Den Haag, maar
vond plaats in het Gelderse Velp, vlakbij Arnhem, waarheen de rechtbank in
februari 1944 was uitgeweken. De rechtszaak
werd voorgezeten door SS-rechter SS-Sturmbannführer Look, die werd
bijgestaan door twee "bijzittende rechters". De uitspraak van het
gerechtshof was karakteristiek voor de rechtspraak binnen de SS. Na
gewezen te hebben op de bijzondere politieke situatie in Nederland
stelde de rechtbank uitvoerig en waarheidsgetrouw vast wat er in de
bewuste nacht gebeurd was. Zowel het exacte formaat van de cel als
het aantal opgesloten vrouwen, het dodenaantal en de door de
kamparts vastgestelde doodsoorzaak werden opgesomd in het
rechtbankverslag. Opgemerkt werd dat Grünewald uitdrukkelijk het
openen van de celraampjes verboden had en dat hij de vrouwen had
gewaarschuwd dat hij ze met de brandslang zou laten besproeien als
ze niet rustig zouden zijn. Met het oog op het economische belang
van het concentratiekamp werd opgemerkt dat "veel van de in leven
gebleven vrouwen gedurende de volgende dagen niet in staat waren in
de arbeidsinzet in de industrie ingezet te worden, zodat
bijvoorbeeld in de handdynamofabriek van de Philips-werkplaats een
snelle instorting van de productie intrad." Grünewalds pogingen om
de zaak in de doofpot te stoppen werden ook genoemd, al was het
volgens de rechtbank Wicklein die aan de kamparts gevraagd had "of
het in verband met het vermijden van een schandaal mogelijk [was] om
enkele van de doden achteraf aan een andere doodsoorzaak te laten
sterven." Voordat het gerechtshof tot een oordeel kwam, werden de
grenzen van "het disciplinaire gezag" van kampcommandanten
afgebakend. "In het geval de situatie dat vereist" waren
kampcommandanten gemachtigd om straffen uit te voeren die "het
lichamelijke welbevinden aanzienlijk benadelen kunnen." Zulke
lijfstraffen waren legaal en "kunnen nooit als mishandeling bestraft
worden." Dat was echter niet het geval als "de disciplinaire
maatregelen bij hun uitvoering tot gezondheidsschade leiden, die de
gelegaliseerde maat te boven gaat. De opsluiting van een veelvoud
aan gevangenen in een cel met onttrekking van zit- en
slaapgelegenheid mag op zich nog als een onder omstandigheden
maatregelen noodzakelijke maatregel beschouwd worden. Is de
bestrafte gevangene echter lichamelijk niet in staat de straf zonder
een aanzienlijke gezondheidsschade te ondergaan dan overstijgt het
de maat van het toelaatbare." Grünewald had die maat volgens de
rechtbank overschreden, want hij had moeten weten dat de
luchttoevoer in de cellen, die normaal bestemd waren voor enkele
personen, niet toereikend was voor meer dan twintig personen. Hij
wist dat de ventilatie-installatie slecht of helemaal niet
functioneerde en had desondanks het openen van de raampjes verboden.
Bovendien had hij ook kunnen vaststellen dat meerdere vrouwen "als
gevolg van hun leeftijd en hun lichamelijke toestand niet in staat
waren de maatregel te doorstaan." De rechtbank kwam aldus tot de
conclusie dat de Grünewald het hem toegestane strafgeweld had
overschreden, waardoor zijn optreden als mishandeling beoordeeld
werd.
Het gerechtshof besloot mild te zijn, want ze was ervan overtuigd
dat Grünewald "de dood van de tien vrouwen niet gewild had".
Verwezen werd naar Grünewalds jarenlange dienst in de Reichswehr en
naar zijn militaire inzet voor de SS waar hij "zijn mannetje [had]
gestaan". De rechtbank had "de volle overtuiging" dat Grünewalds
"daad niet in het geringste uit oneervolle motieven voortkwam." Hij
werd weliswaar schuldig verklaard aan dood door schuld, maar kwam er
met drie en een half jaar gevangenisstraf vanaf. Hoewel Wicklein
werd beschouwd als de initiatiefnemer van de strafmaatregel en
volgens de rechtbank "moreel gezien de meest schuldige" was, kwam
hij ervan af met zes maanden gevangenisstraf. Niet hij, maar
Grünewald droeg namelijk als superieur de strafrechtelijke
verantwoording. Lang hebben beide mannen niet gevangen gezeten, want
al in maart werden ze in opdracht van Heinrich Himmler op vrije
voeten gesteld. Om onduidelijke redenen besloot Himmler dat
Wickleins rechtszaak overgedaan moest worden, maar zover is het
nooit gekomen. Tot het einde van de oorlog werkte hij als adjudant
in concentratiekamp Flossenbürg. Hij overleefde de oorlog en woonde
na 1945 in Oberhausen. Grünewald mocht in maart acht dagen bij zijn
familie doorbrengen en volgde daarna een korte training in Breslau.
Met de laagste rang van SS-Mann diende hij vervolgens vanaf juni aan
het front in de 3. SS-Panzer-Division "Totenkopf". In oktober 1944
kreeg hij de rang van SS-Obersturmführer, twee rangen lager dan die
hij had als kampcommandant. Aangenomen wordt dat hij op 22 januari
1945 aan het front sneuvelde in Hongarije.
De originele cel waarin het Bunkerdrama zich heeft afgespeeld is
niet bewaard gebleven. Een in 1990 herbouwde versie in het
voormalige crematoriumgebouw fungeert in het Nationaal Monument Kamp
Vught als gedenkplaats. Op een gedenkplaat worden hier de namen van
de slachtoffers genoemd. Een in 1996 onthuld door Marius de Leeuw
ontworpen herdenkingsraam van glas-in-lood bevindt zich in
Sint-Petruskerk te Vught en herinnert eveneens aan de dood van de
tien vrouwen. Op het raam zijn vrouwfiguren afgebeeld.
De Trouw-groep
De illegale pers levert een belangrijke bijdrage aan het verzet in
Nederland. Op 9 en 10 augustus 1944 worden er in Kamp Vught 23
Trouwverspreiders gefusilleerd.
Op 30 januari 1943 vindt er een
bijeenkomst plaats waarbij onder andere Speelman en Bruins Slot
aanwezig zijn. Er wordt afgesproken een nieuwe krant te gaan
drukken, op voorwaarde van Speelman dat de redactie en de
distributie volledig gescheiden zijn. Speelman regelt de distributie
met de mensen die meekomen van Vrij Nederland en Bruins Slot wordt
verantwoordelijk voor de redactie van de nieuwe krant. Bruins Slot
is namens de Anti Revolutionaire Partij burgemeester geweest in
Adorp en verspreidt voor de oorlog het partij blaadje Hou en Trou.
Besloten wordt de nieuwe krant naar dit blaadje te noemen. De
illegale krant Trouw is geboren. De illegale kranten hebben tijdens
de oorlog grote problemen om zich in stand te houden, elke krant
heeft naar schatting één gulden gekost. Sommige kranten hebben in de
loop van de oorlog een oplage van meer dan honderdduizend stuks. De
kranten zijn afhankelijk van donaties die aan de verspreiders worden
meegegeven. Naast het drukken van de krant proberen de verschillende
organisaties ook onderduikers te helpen. Zo ontstaat bij Trouw het
Centraal bureau der Kezen, zo genoemd omdat beide heren die deze
afdeling leiden, de voornaam Kees hebben. Deze afdeling zorgt ervoor
dat distributiekaarten, persoonsbewijzen en eten op de juiste plek
terecht komen. Goede kontakten met boeren in Nieuwveen, waar
Speelman vandaan komt, verzekert de krant van een zekere mate van
bevoorrading. Joop Schalk loopt een maal per week met een kar van
Nieuwveen naar Amsterdam en terug om eten te halen. De distributie
van de kranten vindt vooral plaats per spoor en in het geval van
Trouw ook per binnenvaartschip.
|
Vanaf september 1943
weet de SD in toenemende
mate Trouwmedewerkers te
arresteren, hetzij bij
toeval, hetzij door
verraad. De SD′er
Gottschalk uit Den Bosch
is dan met het onderzoek
naar Trouw belast.
Gottschalk weet ongeveer
40 medewerkers te
arresteren waarvan de
meesten in Haaren
terecht komen. Een neef
van Wim Speelman, Eik
Speelman, die ook in
Haaren gevangen zit
krijgt van Gottschalk
een aanbod dat hij aan
Wim Speelman moet
overbrengen: wanneer
Trouw niet meer
verschijnt, zullen de
gevangenen niet vervolgd
worden. De andere
medewerkers van Trouw
die in Haaren gevangen
zitten vertrouwen Eik
niet meer en smokkelen
briefjes naar buiten
waarin zij dit melden.
Eik Speelman komt op
vrije voeten en geeft
zijn boodschap door aan
zijn neef. Er wordt
besloten Trouw te
blijven drukken en 23
Trouw-medewerkers worden
op 9 en 10 augustus 1944
door de Duitsers te
Vught gefusilleerd. In
1992 komt er een andere
lezing over de
Trouw-groep naar buiten.
Op 28 juli 1944 zijn de
gevangenen van Haaren
overgebracht naar Vught.
Er is dan geprobeerd met
Trouw te onderhandelen,
maar Trouw heeft niets
van zich laten horen.
Dus komen de
Trouw-medewerkers voor
het Polizeistandgericht.
Toch hebben enkele
families er alles aan
gedaan om het niet zo
ver te laten komen, een
veroordeling zou immers
altijd de doodstraf in
houden. Op 5 augustus
zijn de gevangenen
voorgeleid en op 8
augustus vinden er
mogelijk nog
onderhandelingen plaats.
Gottschalk deelt dan mee
dat er volgens hem nog
geen vonnissen zijn
geveld. Hij houdt zich
echter niet meer met de
zaak bezig en heeft geen
precieze informatie. In
werkelijkheid zijn op 5
augustus de verspreiders
ter dood veroordeeld,
slechts enkele zakelijke
relaties zijn niet
veroordeeld, maar naar
een andere rechtbank
doorverwezen. Op 9
augustus heeft Trouw nog
een bijeenkomst belegd.
Wim Speelman heeft op
dat moment een briefje
in zijn bezit waarop
staat dat Trouw nooit
meer zal verschijnen.
Het briefje hoeft alleen
nog maar ondertekend te
worden. Het briefje kan
tot 5 uur ’s avonds
worden ingeleverd.
Toch is de vergadering niet
belegd om over dit briefje en wat later bekend zal staan als “het
ultimatum”, te praten. Velen weten dan al dat er 24 Trouwmedewerkers
ter dood zijn veroordeeld. Deze ter dood veroordeling is
waarschijnlijk de reden dat de Trouwmedewerkers samen komen. Er is
grote druk van de
families van de ter dood
veroordeelden om het met
de Duitsers op een
akkoord te gooien.
Verschillende mensen bij
Trouw, onder wie Bruins
Slot hebben dan
onderling al over de
situatie gesproken.
Trouw mag
|
|
niet zwichten, maar de
beslissing ligt bij de
verspreiders. Deze
houding van de redactie
is later toch als een
twijfelende houding
bestempeld. Vooral Wim
Speelman twijfelt niet
aan het feit dat Trouw
moet doorgaan. Daar komt
bij dat het maar de
vraag is of de Duitsers
zich aan hun woord
houden. Wim Speelman
heeft gezegd: “Wanneer
de redactie stopt begin
ik een nieuwe Trouw.”
Na afloop van de
vergadering is een circulaire opgesteld, daarin verantwoordt Trouw
haar beslissing om door te gaan. Stoppen met Trouw staat gelijk aan
capituleren, zo luidt het oordeel. Waarschijnlijk is Trouw al op de
hoogte van een aantal veroordelingen, echter niet van alle. Deze
zijn in de avond van 9 augustus in de avondbladen verschenen. De 23
veroordeelden zijn op 9 en 10 augustus te Vught gefusilleerd.
Wellicht heeft de SD alleen maar met Trouw gespeeld en is het ze
nooit te doen geweest om tot een akkoord te komen.
Aan het begin van de oorlog telt de
Nederlandse beroepsbevolking ongeveer 2000 journalisten. Tijdens de
oorlog werken er ongeveer 73 journalisten mee aan het schrijven van
illegale bladen, de meesten pas in 1944. Uiteindelijk zijn er
tijdens de oorlog ongeveer 1300 illegale blaadjes verschenen. Veel
van deze blaadjes zijn maar eenmalig gedrukt en vaak slechts in
pamfletvorm. Er werken in 1944 naar alle waarschijnlijkheid ongeveer
4000 mensen voor Trouw. Ongeveer 112 mensen hebben gedurende de
oorlog hun leven gelaten vanwege hun werkzaamheden voor Trouw.
Deppner-executies
De Deppner-executies waren
grootschalige executies van verzetsstrijders in Kamp Vught tussen
eind juli en begin september 1944. Minstens 450 mensen kwamen
hierbij om het leven. Aanleiding Hitler bepaalde op 30 juli 1944, ná
de mislukte aanslag van Stauffenberg op zijn leven, met het
Niedermachungsbefehl dat de militaire rechtbanken werden afgeschaft.
Verzetsstrijders (door de Duitsers 'terroristen en saboteurs'
genoemd) konden na hun arrestatie meteen worden gedood. Of dit
decreet werd uitgevaardigd onder druk van de opmars van de
geallieerden of samenhing met een algemene verharding van de
repressie is niet helemaal duidelijk, vermoedelijk beide. In elk
geval plaatste dit de Duitse bezetter voor de vraag wat te doen met
de duizenden gevangenen uit het verzet die nog niet waren berecht.
Die vraag viel grotendeels onder de competentie van de Höhere SS-
und Polizeiführer Hanns Rauter en vooral van de Sicherheitspolizei
en Sicherheitsdienst (SD). De SD had per 1 juni een nieuwe
Befehlshaber gekregen, Karl Eberhard Schöngarth, die nog niet was
ingewerkt en daarom de uitwerking van het bevel overliet aan zijn
recherchechef Erich Deppner. Erich Deppner was al sinds 1941 hoofd
van Abteilung IV van de Sicherheitspolizei in Den Haag, die belast
was met opsporing en vervolging van tegenstanders van het regime;
daarmee was hij chef van de Gestapo. Na de omvorming van Kamp
Westerbork tot Durchgangslager in 1942 was hij korte tijd
kampcommandant, maar hij werd al spoedig vervangen door Albert
Konrad Gemmeker. Kort hiervoor al was hij in Kamp Amersfoort leider
van een vuurpeloton dat zeventig Russische krijgsgevangenen
ombracht. De toenmalige kampcommandant Karl Peter Berg werd hiervoor
na de oorlog ter dood veroordeeld; Deppner werd echter nooit in
Nederland berecht en in Duitsland in 1964 van dit feit
vrijgesproken. Na Hitlers Niedermachungsbefehl was het Deppner, die
lijsten opstelde van gevangenen in Vught die gefusilleerd moesten
worden. Reeds eind juli 1944 waren dit 23 medewerkers van het
illegale blad Trouw men had aan een van de Trouw leiders Wim
Speelman een aanbod gedaan hun levens te sparen in ruil voor
stopzetting van de verschijning van het blad. Deze 23 waren
overigens nog veroordeeld. In augustus werden ongeveer 120 personen
doodgeschoten. De fusillades bereikten een climax rond Dolle Dinsdag
dat wil zeggen direct nadat Brussel en Antwerpen waren bevrijd. De
hele top van de Landelijke Onderduikorganisatie en de Limburgse
Onderduikorganisatie die zich toen in Vught bevond werd omgebracht
alsmede vele anderen. Spoedig daarna werd het kamp ontruimd. Meer
dan drieduizend gevangenen werden naar Duitse concentratiekampen
getransporteerd waar de meesten alsnog voordat de bevrijding
plaatsvond omkwamen.
|
|
Na de oorlog werden de voornaamste schuldigen aan misdaden tijdens
de bezetting berecht middels de bijzondere rechtspleging. Ongeveer
14.000 Nederlanders alsmede 240 Duitsers werden berecht volgens het
Buitengewoon Strafrecht daarnaast verschenen nog 50.000 personen
voor tribunalen. Onder de Duitsers werden veelal of de hoogste
gezagsdragers berecht of lagere functionarissen die bewijsbaar zware
misdaden hadden gepleegd. Waarom is niet geheel duidelijk De Jong
wijst op volkenrechtelijke bezwaren maar ook op grote
rechtsongelijkheid. In elk geval werden sommigen van Deppners
superieuren (onder wie Schöngarth) en van zijn ondergeschikten
(onder wie Karl Berg) ter dood veroordeeld. Deppner vertoefde
tijdens de capitulatie in Berlijn en werd als Duits staatsburger na
de oorlog niet uitgeleverd. De bijna twintig verzoeken van
Nederlandse zijde om hem berecht te krijgen werden op de zaak van de
'Russen' in München na alle geweigerd.
De fusilladeplaats Vught is de schietbaan van het voormalig
concentratiekamp Vught in de Noord-Brabantse gemeente Vught. De
schietbaan bevindt zich buiten het voormalige kampterrein op Lunet
II. Mogelijk was de schietbaan voor de oorlog al in gebruik door de
nabijgelegen Frederik Hendrikkazerne. Op de fusilladeplaats zijn 329
mannen doodgeschoten tijdens de Deppner-
|
executies. Vanuit
verschillende gevangenissen werden verzetsmensen naar Vught gebracht en hier
vermoord. De daders waren Nederlandse SS'ers die normaal gesproken de wachttorens bewaakten. Op 20 december
1947 werd op de fusilladeplaats een gedenkteken met namen onthuld
door prinses Juliana. Het houten kruis dat achter het gedenkteken
staat is er al eerder neergezet door mensen die in de buurt wonen.
In 1995 en 1996 werd het gedenkteken beklad. De daders werden niet
gevonden. De
betonnen panelen waren niet te herstellen en werden vervangen. De
bekladde exemplaren kregen daarna een vaste plek in het Nationaal
Monument Kamp Vught. Naar aanleiding van de bekladdingen maakte een
onbekende een gedicht vast aan het hek bij de fusilladeplaats. Dat
gedicht is later in brons gegoten en hangt bij de ingang van het
hek.
Alle overgebleven Joden werden in de nacht van 2 op 3 juni 1944 in
goederenwagons naar Auschwitz gedeporteerd. Het kamp werd na Dolle
Dinsdag (5 september 1944) door de Duitsers volledig ontruimd. De
geallieerden waren vlakbij, maar desondanks werden 3400 gevangenen
op transport gezet naar andere concentratiekampen. De vrouwen werden
naar Ravensbrück gestuurd en de mannen naar Sachsenhausen. Velen
zijn daar om het leven gekomen. Ook werden op 4 en 5 september nog
117 mensen geëxecuteerd.
Na de bevrijding
Op het moment dat de geallieerden Kamp Vught op 26 oktober 1944
bevrijdden, was het leeg en verlaten. Er was geen elektra en de
barakken waren koud en vies. Het Nederlandse en geallieerde leger
nam het in gebruik voor de internering van de geëvacueerde Duitse
bevolking van Selfkant. Later werden er ook vermoedelijke
collaborateurs, oorlogsmisdadigers en Reichsbürger geïnterneerd. Na
juli 1945 verbleven er ook kinderen van NSB'ers en Nederlandse
Duitsers tezamen met bejaarde collaborateurs. Oud-SS'ers werden
apart vastgehouden en geregeld mishandeld. De geïnterneerden waren
aan een regime onderworpen waarbij 'goede' Nederlanders als bewakers
het morele recht opeisten om deze pro-Duitse 'foute' personen,
waaronder meelopers, kinderen en jongeren, met harde hand te
'tuchtigen' (te bestraffen). Aan hun regime van willekeur en
bandeloosheid kwam begin 1946 een einde door instructies van
bovenaf. Reclasseringsambtenaar Willem de Wit werd aangesteld als
kampcommandant en kreeg de nadrukkelijke opdracht te focussen op
heropvoeding en resocialisatie. In januari 1949 werd Kamp Vught
opgeheven.
Woonoord Lunetten
In 1951 kreeg (een deel van) het kamp een nieuwe naam: woonoord
Lunetten. Hier werden gezinnen van Molukse KNIL-militairen
gehuisvest, die op dienstbevel van het Koninklijk
Nederlandsch-Indisch Leger uit de Molukken waren geëvacueerd. Vanaf
1960 werden velen van hen naar andere plaatsen verhuisd. Nadat
daarover in 1989 overeenstemming was bereikt tussen de Nederlandse
regering, de gemeente Vught en de meerderheid van de resterende
Molukse bewoners, werden in 1992 alle barakken gesloopt op barak 1
na, die werd omgedoopt tot kerk. Op de plek waar de barakken hadden
gestaan werd een nieuwe woonwijk gebouwd: woonoord Lunetten.
Heden
Naast de woonwijk en twee kazernes is een groot deel van het terrein
tegenwoordig in gebruik door de Penitentiaire Inrichting Vught. Op
de noordoostpunt van het vroegere kampterrein is het museum
Nationaal Monument Kamp Vught gevestigd, met daarin, naast het
hoofdgebouw met tentoonstellingen, een nagebouwde barak, een aantal
nagebouwde wachttorens en het voormalig crematorium. Een aantal
gebouwen van het
|
voormalige concentratiekamp is tot op heden bewaard gebleven en
heeft de status van rijksmonument.
Midden
op het terrein van de gevangenis staat de voormalige kampgevangenis
'de Bunker'. De op het SS-terrein gevestigde huisvesting, bakkerij,
keuken en garages van de SS en de 'Kommandantur' zijn tegenwoordig
onderdeel van een van de twee kazernes. Ook de net buiten het kamp
gebouwde SS-barakken, bestaande uit vier hoekvormige gebouwen die
samen een Duits Kruis vormen, bestaan nog steeds. De (afgebroken)
wasserij en de keuken bevinden zich op het terrein van het
Geniemuseum.
De laatste jaren komt er meer aandacht voor de archeologische
betekenis van het kamp. De meeste Duitse kampen in Nederland zijn op
een bepaald moment ontmanteld, waaronder alle grote kampen zoals
Westerbork, Amersfoort en ook Vught. De gedachte dat er van die
kampen niets meer over is wordt de laatste jaren door archeologisch
onderzoek weerlegd. Ook in Kamp Vught houdt men er steeds meer
rekening mee dat een deel van de fundamenten van de barakken nog
aanwezig is en dat bodemvondsten een informatieve of museale functie
kunnen vervullen. Een van de belangrijkste archeologische vondsten,
thans aanwezig in het depot van het herinneringscentrum, is de bel
van de appelplaats, die in de bodem werd teruggevonden. In maart
2017 vond op initiatief van Het Noordbrabants Museum een
archeologische publieksopgraving plaats op het kampterrein.
|
|
|