Stadswandeling

 Geschiedenis

 Binnendieze

 Sint-Janskathedraal

 's-Hertogenbosch

  De Monumenten

  De Kerken

  De Standbeelden

  Het Stadhuis

  De bevrijding Oktober 1944:

         De bevrijding Oktober 1944

         53e Welsh Infanteriedivisie

         Joods en de Tweede Wereldoorlog

         Oorlogsmonumenten in de stad

         Het Indisch Monumenten

         Kamp Vught

  Jeroen Bosch Ziekenhuis

  Jheronimus Bosch

  De Gevelgedichten

  De Gevelstenen

  Bossche Markten

  Handel en Industrie

  Partnersteden

  Toeristische informatie

 Straten en Stegen

 Vestingstad in het groen

 Bossche wijken

 Oeteldonk

 Evenementen

      

's-Hertogenbosch

Kamp Vught

       

Kamp Vught (Konzentrationslager Herzogenbusch) was een van de drie Duitse concentratiekampen in Nederland tijdens de Tweede Wereldoorlog. De andere twee zijn de doorgangskampen Amersfoort en Westerbork. Kamp Vught bevond zich in de Noord-Brabantse plaats Vught nabij de recreatieplas de IJzeren Man. Het heeft ruim anderhalf jaar als concentratiekamp gefunctioneerd.
     
Bouw
De bouw van het kamp werd in 1942 gestart, naar model van Konzentrationslager in nazi-Duitsland en in door dat land geannexeerde gebieden, omdat Kamp Westerbork en Kamp Amersfoort niet genoeg capaciteit meer hadden. Het Duitse Wirtschaftsverwaltungshauptamt (WVHA), de economische poot van de SS in Berlijn gaf daartoe de opdracht. Het WVHA haalde zijn inkomsten door kampgevangenen te werk te stellen bij bedrijfsvestigingen vlak bij de kampen. De bouw werd gefinancierd door Liro, de Duitse roofbank waarin de tegoeden van gedeporteerde Nederlandse Joden waren ondergebracht. Toen de eerste gevangenen uit kamp Amersfoort aankwamen, was het kamp nog niet klaar. De gevangenen moesten het zelf afbouwen. Er werd om het kamp door de gevangenen een gracht gegraven en om de 100 meter een wachttoren gebouwd. Het kamp was 1 kilometer lang en 350 meter breed. De nominale maximale capaciteit van het kamp bedroeg 15.000 mensen.

Het in 1942 gebouwde kamp in Vught was het enige in Nederland dat opgezet werd volgens hetzelfde model als de concentratiekampen in Duitsland. De eerste gevangenen arriveerden in januari 1943 en als gevolg van de erbarmelijke omstandigheden vielen gedurende de eerste maanden de meeste slachtoffers. In totaal zouden er tussen januari 1943 en september 1944 ruim 31.000 mensen voor korte of langere tijd gevangen zitten. Onder de gevangenen waren circa 12.000 Joden die vanuit het kamp, meestal via doorgangskamp Westerbork, werden gedeporteerd richting de vernietigingskampen in Polen. In totaal stierven 421 gevangenen in het kamp als gevolg van honger, ziekte en mishandeling. 329 gevangenen werden op de fusilladeplaats buiten het kamp geëxecuteerd. Naar verhouding met de concentratiekampen in Duitsland en Polen was het sterftecijfer echter klein. Het Duitse bezettingsbestuur in Nederland, onder aanvoering van Rijkscommissaris Arthur Seyss-Inquart, die bijgestaan werd door de Hogere SS- en Politieleider Hanns Rauter, beschouwde kamp Vught als een modelkamp. Het naar verhouding minder zware regime en het vermijden van excessen moesten voorkomen dat de Nederlanders zich tegen de aanwezigheid van het kamp zouden verzetten. "De politieke verhoudingen in Nederland vereisen een bijzondere fijngevoeligheid, omdat voorvallen in het kamp ook voor de buitenwereld niet verborgen blijven", zo werd vastgesteld door de rechtbank die zich bezig hield met de rechtszaak tegen Grünewald. Het waren onder andere Nederlandse kampbewakers die de samenleving informatie verstrekten over gebeurtenissen in het kamp. Deze informatie kon op "buitengewone wijze door de vijandelijke propaganda ruimschoots benut worden", waarmee "de doelen van de Rijkscommissaris in Nederland aanzienlijk verstoord kunnen worden." Voordat hij benoemd was als kampcommandant was Grünewald gewezen op "de bijzonderheid van de politieke situatie in Nederland en de voor hem daaraan verbonden consequenties"
     
Organisatie en leiding
Kamp Vught stond onder beheer van de SS, in tegenstelling tot de andere Nederlandse kampen (waar overigens vaak wel SS'ers werkten, zoals in Kamp Amersfoort). De ligging was mede bepaald door de nabijheid van 's-Hertogenbosch, reden waarom het kamp door de Duitsers werd aangeduid als Konzentrationslager Herzogenbusch. In 's-Hertogenbosch bevond zich een aantal landelijke Duitse instellingen, terwijl het kamp ook nabij goede wegen en spoorwegen lag. Het kamp moest als 'modelkamp' dienen en is qua opzet, uitvoering en grootte te vergelijken met concentratiekamp Dachau. De wachttorens langs het met dubbele prikkeldraad omheinde kamp werden de klok rond met merendeel Nederlandse SS'ers bemand.

Het kamp had tijdens de oorlog drie commandanten:
SS-Hauptsturmführer Karl Chmielewski vanaf januari 1943 tijdens de eerste maanden van het kamp
SS-Sturmbannführer Adam Grünewald van oktober 1943 tot januari 1944
SS-Sturmbannführer Hans Hüttig van februari 1944 tot de sluiting van het kamp.


Gevangenen
In totaal werden er ruim 31.000 mensen in het kamp gedetineerd waaronder 12.000 Joden en verder politieke gevangenen, Roma en Sinti, verzetsstrijders, Jehova's getuigen, homoseksuelen, zwervers, criminelen en zwarthandelaren. Gevangenen waren onderverdeeld in verschillende kamponderdelen:
Schutzhaftlager
Judendurchgangslager
Studentenlager
Geisellager
Frauenkonzentrationslager
Polizeiliches Durchgangslager

Slachtoffers
In het kamp zelf zijn zeker 749 mensen om het leven gekomen. Het werkelijke aantal ligt waarschijnlijk iets hoger. Zo zijn er officieel 329 personen, onder wie 36 Belgen, geëxecuteerd in Vught. Het werkelijke aantal ligt vermoedelijk boven de vierhonderd. Vanwege de vernietiging van de administratie bij de ontruiming van het kamp was het precieze dodental na de oorlog moeilijk vast te stellen. Het aantal sterfgevallen in Kamp Vught lag veel lager dan in de kampen in Duitsland, namelijk 749 in totaal, door allerlei oorzaken, omgerekend ongeveer een op vijftig gevangenen. In Dachau was dit op een totaal van 200.000 gevangenen ruim 40.000, dus een op de vijf. Vanuit Vught werden echter onder meer 15.000 Joden gedeporteerd, van wie bijna niemand de oorlog overleefde.

     

Vermoord in Vught
In totaal werden ongeveer 32.000 mensen tussen januari 1943 en september 1944 korte of langere tijd opgesloten in het kamp. Van hen vonden zeker 749 kinderen, vrouwen en mannen in het kamp de dood door honger, ziekte, mishandeling en executie. Er werden 329 gevangenen geëxecuteerd op de fusilladeplaats even buiten het kamp:

                      

    

Het merendeel was van Nederlandse afkomst er waren minstens zesendertig Belgen in Kamp Vught om het leven gekomen. Ze waren bijna allemaal in België door de Duitse bezetter in een militair proces ter dood veroordeeld wegens sabotageacties. Het vonnis moest met de strop ten uitvoer worden gebracht. Daarvoor werden ze vanuit België naar kamp Vught overgebracht en nog dezelfde dag of de dag na aankomst opgehangen. Van veel van de veroordeelden is bekend dat het communisten waren. En waren ongeveer zevenhonderd Nederlanders in Kamp Vught om het leven gekomen. Begin 1943 kwamen de eerste gevangenen vanuit Kamp Amersfoort in Vught aan, terwijl er nog nauwelijks voorzieningen waren en er geen fatsoenlijke keuken voor voedselbereiding was. Ze kwamen door de vele mishandelingen en ondervoeding in Amersfoort in een slechte conditie in Vught aan en stierven daar door de erbarmelijke omstandigheden in een hoog tempo. De eerste gevangenen waren ten dele door de Duitse bezetter als verzetsmensen gevangen gehouden, die om onbekende redenen niet naar Duitse concentratiekampen werden doorgestuurd en voor een ander deel personen die voor economische delicten gevangen werden gehouden. Veelal betroffen die economische delicten illegaal slachten, maar ook manipuleren met bonnen of onttrekken van voedsel aan de normale distributie vielen daaronder. Men kan dat ook herkennen aan de beroepen, waar veel slagers, landbouwers en andere beroepen betrokken bij de voedselvoorziening veelvuldig voorkomen. Soms betrof het mensen die onevenredig zwaar voor zelfverrijking gestraft werden, maar veelal hadden de betrokkenen gehandeld uit persoonlijke nood, nood in hun omgeving, voedsel voor ondergedoken personen, een vorm van sabotage door te weigeren voedsel aan de Duitsers uit te leveren en soms voor zwarte handel om daarmee verzetsactiviteiten te kunnen financieren. Kort daarop werden joden uit Westerbork aangevoerd, die vrijgesteld waren van deportatie naar de gaskamers in Auschwitz of Sobibór. Vermoedelijk waren het voornamelijk zogenaamde halfjoden of gemengd gehuwden. Er zaten zuigelingen en hoogbejaarden tot boven de negentig jaar bij, die allemaal onder erbarmelijke omstandigheden werden ondergebracht en in hoog tempo stierven. Daarna kwamen er andere gevangenen, vaak rechtstreeks afkomstig uit gevangenissen. Het betrof voornamelijk verzetsmensen, maar vaak is de precieze verzetsachtergrond niet bekend. In deze periode ging de sterfte drastisch omlaag, doordat de levensomstandigheden verbeterden omdat de Duitsers de gevangenen voor de oorlogseconomie wilden inzetten. De gevangenen waren als dwangarbeiders te kostbaar om te laten sterven. Desondanks kwamen mishandelingen de dood ten gevolge hebbende veelvuldig voor, maar veelal is de doodsoorzaak onbekend of is een vervalste doodsoorzaak vastgelegd. In de tabel is ‘’ontberingen’’ vastgelegd indien een of andere ziekte als doodsoorzaak is vermeld, maar er zullen vast personen tussen zitten die ten gevolge van mishandelingen om het leven waren gekomen. Veelal werd de cynische doodsoorzaak van ‘’falen van hart en bloedsomloop’’ opgegeven: als iemand op een of andere manier dood was gegaan, dan klopte het hart inderdaad niet meer. Vanaf half juni 1944 worden massaal gevangen gefusilleerd. Ze zijn veelal pas kort daarvoor gearresteerd wegens verzetsactiviteiten. Dit gaat door tot de ontruiming als de geallieerden bijna op de stoep staan, waarna de

overigen in allerijl naar Duitsland worden afgevoerd, waar de meesten door de erbarmelijke omstandigheden voor nieuwkomers in de concentratiekampen alsnog om het leven komen. Opvallend is dat bij de gefusilleerde opeens veel grotere aandelen beroepen voor beter gesitueerden en politiemensen zitten. Die beroepsgroepen komen onder de eerder gestorvenen nauwelijks voor. Enkele gevangenen, onder wie David Koker, Klaartje de Zwarte-Walvisch en Helga Deen hielden een kampdagboek bij dat bewaard is gebleven. Ze zijn alle drie omgekomen na transport naar andere concentratiekampen.

       

Philips
In het kamp was een werkplaats waar producten voor Philips werden gemaakt. De directie van Philips had pas na lange aarzeling meegewerkt aan de werkplaats, en slaagde erin de situatie van de tewerkgestelden aanzienlijk te verbeteren. Het werken voor Philips werd aangeduid als het Philips-commando of Philips-commando. Af en toe kon er met elkaar gepraat en gezongen worden, zolang de dienstdoende Kapo of Aufseherin het maar niet opmerkte als hij of zij door de ramen keek. Allerlei waarschuwingssystemen waren ontwikkeld om hen tijdig te signaleren. Philips wist ook te bereiken dat tijdens de lange werkdag van wel twaalf uur twee extra pauzes voor het Philips-commando werden ingelast. Bij de afdeling radiobuizen werd deze na

enige tijd zelfs teruggebracht tot acht uur, ter beperking van de vermoeidheid in handen en ogen bij dit voor de oorlog belangrijke precisiewerk. Op een goede dag kwam er in de werkplaats dankzij listig spel van Braakman van de Philipsleiding een radio-omroep die opwekkende muziek liet klinken. Daarmee konden ook mededelingen worden doorgegeven naar alle werkbarakken, wat de saamhorigheid verhoogde. Daarnaast was er een vliegtuigsloperij waar onderdelen uit neergeschoten vliegtuigen werden gehaald.

             

Bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog vluchtte de directie van de Koninklijke Philips naar Engeland. Directeur Frits Philips bleef achter in Nederland en kreeg de leiding over de Nederlandse tak van het Philips concern. Tijdens de bezettingsjaren stelde de Duitse bezetter de Duitser dr. Ludwig Nolte aan als Verwalter (bewindvoerder). Nolte kreeg op deze manier de leiding over de fabriek en zorgde ervoor dat er zoveel mogelijk werd geproduceerd ten behoeve van de Duitse oorlogseconomie. Omdat de Philipsfabriek in Eindhoven op grote schaal radiobuizen produceerde, werd de fabriek als onderdeel van Operation Oyster op 6 december 1942 gebombardeerd door de RAF. Dit bombardement kwam bekend te staan als het Sinterklaasbombardement. Doordat de fabriek volledig in as was gelegd moest er een nieuwe locatie gevonden worden voor de productie.
              
Konzentrationslager Herzogenbusch, beter bekend als Kamp Vught, werd in 1942 gebouwd. In 1943 arriveerden de eerste gevangen in Kamp Vught vanuit Kamp Amersfoort. Kamp Vught werd door de Duitsers gebruikt voor economische doeleinden. Zo was er een vliegtuigsloperij en werd er een werkplaats van Philips gerealiseerd. Op 22 februari 1943 werd de werkplaats van Philips in gebruik genomen. Twintig politieke gevangen werden tewerkgesteld om materiaal te sorteren uit de gebombardeerde Philipsfabriek. Zij werkten in de ‘Philips Speciale Werkplaats B677’, een barak met enkele tafels en banken. In april 1943 begon de productie. De producten die gefabriceerd waren, waren voornamelijk zogenaamde kriegswichtige producten (producten die belangrijk waren in de oorlog). Er werden echter ook veel producten gemaakt die niet kriegswichtig waren, zoals scheerapparaten, zaklampen en paperclips. De producten werden veelal gesaboteerd en de productiviteit was erg laag, waardoor Philips geen enkele winst heeft gemaakt met de productie van het commando. Na de oorlog werd gesproken van een verlies van 1 miljoen gulden. Op 4 februari 1944 bezocht Heinrich Himmler naar aanleiding van het bunkerdrama kamp Vught en het Philips-commando. Kamp Vught was het enige SS-concentratiekamp buiten Duitsland en de door Duitsland bezette gebieden. Vanaf februari werkten ongeveer 1240 gevangenen voor het Philips-Kommando. Onder deze gevangenen waren ongeveer 500 Joden en tientallen politieke gevangenen uit Frankrijk en België. Tegen 1944 waren er veertig afdelingen, waaronder de afdelingen transformatoren, condensatoren, dooscondensatoren, radiobanden, relais, buisvoetjes, radiobuizen en knijpkatten.
                 
Frits Philips had als voorwaarde gesteld dat Philips de leiding zou hebben over de werkplaats en de SS zich niet te veel zou inmengen. De Joodse werknemers van Philips waren al behoed voor ontslag doordat zij door Philips waren aangesteld aan het Speciaal Opdrachten Bureau (SOBU), waar zij producten produceerden die van belang waren voor de oorlogsvoering. Vanaf augustus 1943 kwamen deze werknemers in Kamp Vught terecht. Doordat zij voor het Philips-commando werkten, werden zij lange tijd behoed voor deportatie. Er werd getracht hoogopgeleide gevangenen te beschermen tegen mishandelingen door de bewakers door hen te werk te stellen in een tekenkamer, schrijfkamer en een rekenkamer die geen functies hadden voor de bezetter. Ook mochten de kampbewakers de werkplaatsen van Philips niet betreden, omdat dit het werkproces zou verstoren. De werkbarakken waren warm, droog en beschut. De werkers kregen ook een warme maaltijd die betaald werd door Philips, de zogenaamde ‘Philiprak’. Om meer Joodse vrouwen aan het werk te krijgen bij het Philips-commando werd de Duitsers verteld dat radiobuizen alleen gefabriceerd konden worden door vrouwen met fijne vingers. Om de juiste werknemers hiervoor te vinden, moesten de vrouwen medisch gekeurd worden. Een arts die was betrokken bij het complot, koos voor dit werk alleen Joodse vrouwen uit. In Vught trokken verschillende inwoners zich het lot van de kampgevangenen aan. Eelkje Timmenga-Hiemstra zorgde samen met Charlotte van Beuningen en Loes van Overeem onder de beschermende vlag van het Rode Kruis voor voedselpakketten. Ook bemiddelde zij bij het doorgeven van berichten. Ook Evert Verwey en Hilda Verwey-Jonker ondersteunden het Philips-commando.
            
In mei 1943 was er een transport waar onder andere 264 mannen van het Philips-commando werden gedeporteerd met eindbestemming Dachau. Uiteindelijk werden alle overgebleven Joodse werkers van het Philips-commando op 2 juni 1944 naar Auschwitz gedeporteerd. Omdat zij Facharbeiter von Philips' waren, werden in totaal 350 Joodse vrouwen en vijftig vrouwelijke politieke gevangenen in drie transporten naar een buitenkamp van concentratiekamp Groß-Rosen in Reichenbach gebracht, om in een fabriek van Telefunken condensatoren voor vliegtuigen te maken. Hierdoor overleefden 400 mensen de Tweede Wereldoorlog. In totaal waren 3125 personen Joods en niet-Joods tewerkgesteld bij het Philips-Kommando.
             
Kamp Vught had verscheidene buitenkampen. De twee grootste waren het zogenaamde Michelincommando (officieel Außenlager Herzogenbusch) en buitenkamp Moerdijk. Zij werden ontruimd in de dagen voor Dolle Dinsdag (5 september 1944). In 's-Hertogenbosch was voor de oorlog een Michelinfabriek in aanbouw. Toen de Duitsers binnenvielen, was de productie nog niet opgestart. De Duitse concurrent van Michelin, Continental Gummi-Werke AG, trok in het gebouw en er werden gasmaskers geproduceerd met inzet van gevangenen uit Kamp Vught. In buitenkamp Moerdijk werkten ongeveer vijfhonderd Joodse mannen aan het graven van tankgrachten.
        
Kindertransporten
Op 5 juni 1943 werd bekendgemaakt dat alle Joodse kinderen uit het kamp weg moesten. Er werd gezegd dat zij naar een speciaal kinderkamp in de buurt zouden gaan. Op 6 juni werden alle kinderen van nul tot en met drie, samen met hun ouders gedeporteerd naar kamp Westerbork. Een dag later werden ook alle kinderen van vier tot en met vijftien jaar afgevoerd naar Westerbork. Van daaruit werden de kinderen samen met hun ouders overgebracht naar Sobibór in (bezet) Polen waar ze vrijwel direct na aankomst door middel van vergassing om het leven werden gebracht. Er zijn 1296 kinderen weggevoerd in het weekend van 1943.

        
Rond april 1943 raakte het kindergedeelte van Kamp Vught overvol door de toestroom van Joodse kinderen als gevolg van de verheviging van de door de Duitsers uitgevoerde razzia's. Vanaf de kleuterleeftijd zaten kinderen in aparte barakken en zagen zij hun ouders niet of zelden. Zij werden moeilijk te hanteren en de kleine kinderen kregen vaak besmettelijke ziekten. Omdat kinderen geen werk verrichtten, werd besloten ze weg te halen uit Vught. Op 8 mei 1943 vertrok een groot transport waaronder grote gezinnen. Op 22 mei werden 1250 mensen gedeporteerd, waaronder driehonderd kinderen.
  

Er heerst op het ogenblik een stemming in het kamp, zoals er nog nooit geweest is. Het ergste wat er tot nu toe gebeurd is, is ons meegedeeld. Alles wat we tot heden aan toe ondervonden hebben, was erg, maar dit wat zich nu voordoet, overschrijdt alle grenzen. Gisteravond werd ons medegedeeld dat het kinderkamp wordt opgeheven. Alle kinderen jonger dan zestien jaar moeten het kamp verlaten. Dit is op zichzelf nog niet het allerergste, maar wat wel het allerergste is, is dat de gezinnen uit elkaar gerukt worden. Er werd ons een proclamatie meegedeeld waarvan we trilden en beefden.
— Klaartje de Zwarte-Walvisch, 6 juni 1943, 'Alles ging aan flarden'

 

Aankondiging van het transport door de kampleiding
Op 5 juni 1943 werd bekendgemaakt dat alle kinderen uit het kamp zouden worden verwijderd. Er werd verteld dat zij naar een speciaal kinderkamp
in de buurt zouden gaan. Deportatie naar Westerbork op 6 juni werden alle kinderen van nul tot en met drie jaar, samen met hun

 

Emotie als nog zelden is voorgekomen: de schoonmaaksters kwamen vanmorgen snikkend de zaal binnen, mannen briesten: dat is wel het vuilste dat wij hebben meegemaakt. [..] Midden in de nacht, tegen half vijf, is een transport van zeventienhonderdvijftig Joden in veewagens aangekomen: op een honderd mannen na, niet anders dan berooide vrouwen met haar kinderen en zuigelingen. [..] Zij kwamen broodmager, geradbraakt aan, na een reis van tien uur. Ze spuwden vuur en vlam over de gemene behandeling in Vught, de afmatting en de vernedering: des morgens om vier uur op, half vijf appèl, tot zes uur staan, half zeven aan het werk, vaak met honden achter zich aan; met een uur schafttijd tot 's avonds half zeven, soms half acht. Onder de baby's zijn verscheidene zieke, roodvonk en mazelen: op mijn zaal is een baby, een krullebol van nog geen jaar, tussen de andere kinderen neergelegd. ‘Polizeilicher Arbeitseinsatz’, hoont men.
— Philip Mechanicus, 7 juni 1943, In Dépôt. Dagboek uit Westerbork

ouders gedeporteerd naar kamp Westerbork. Een dag later op 7 juni werden de kinderen van vier tot en met zestien jaar afgevoerd naar Westerbork. Op 8 juni vond het kindertransport plaats vanuit kamp Westerbork. Met meer dan 3000 personen verdeeld over 46 goederenwagons was dit het grootste transport van Joden vanuit Nederland. Volgens het Statistisch Bureau Westerbork bestond dit transport uit 613 mannen, 1350 vrouwen en 1051 kinderen tot en met 16 jaar, waaronder 119 kleuters, 123 peuters en 55 baby's. Samen met hun ouders werden ze getransporteerd naar vernietigingskamp Sobibór in bezet Polen waar ze op 11 juni aankwamen en vrijwel direct na aankomst door vergassing om het leven werden gebracht. Sommige kinderen uit een speciaal kinderkamp werden ook weggevoerd naar Auschwitz. Herdenking op het voormalige terrein van kamp Vught is het Monument der verloren kinderen geplaatst. Ieder jaar vindt hier een herdenking plaats.

       

Het Monument der verloren kinderen (ook wel Kindermonument) is een gedenkteken in Vught. Het monument staat op het terrein van het Nationaal Monument Kamp Vught en is geplaatst om de kindertransporten op 6 en 7 juni 1943 vanuit Kamp Vught, via Kamp Westerbork, naar Sobibór te herdenken. Meer dan duizend Joodse kinderen en hun ouders werden op transport gesteld onder het mom van overplaatsing naar een speciaal

kinderkamp. Eenmaal aangekomen in het vernietigingskamp Sobibór in bezet Polen werden ze vrijwel meteen vergast. Het monument is gemaakt door Teus van den Berg-Been en werd op 5 september 1999 onthuld door Stichting Vriendenkring Nationaal Monument Vught. Het bestaat uit een natuurstenen onderstuk met daarop bronzen gedenkplaten. De gedenkplaten worden aan de bovenkant verbonden met davidsterren. Op de gedenkstenen zijn alle 1269 namen van de kinderen aangebracht met hun leeftijd.

    

Op de onderste gedenksteen staat een passage uit de Bijbel:

Het kind is er niet... en ik, waar moet ik heen!

Gen. 37:30

        

Voor de gedenkplaten ligt in het brons gegoten speelgoed. De tekst op de plaquette aan de voet van het gedenkteken luidt:
Meer dan 1800 joodse kinderen werden van hier op transport gesteld, naar vernietigingskampen.

Slechts enkelen overleefden van 1269 van deze kinderen staan hier de namen zij werden weggevoerd met het kindertransport op 6 en 7 juni 1943 en omgebracht in hen gedenken we alle kinderen die van Kamp Vught werden weggevoerd om nooit meer terug te keren.

     

Mogen hun zielen gebundeld worden in de bundel van het eeuwige leven.

       

Herdenking elk jaar vindt op of rond 6 juni een herdenkingsbijeenkomst plaats bij het kindergedenkteken.
        

Bunkerdrama
Het Bunkerdrama deed zich in de nacht van 15 op 16 januari 1944 voor in kamp Vught in Nederland. 74 vrouwelijke gevangenen werden in opdracht van kampcommandant Adam Grünewald in een cel opgesloten omdat ze hadden geprotesteerd tegen de opsluiting van een medegevangene. De ruimte met een oppervlakte van 9 vierkante meter was slecht geventileerd en tien vrouwen stikten tijdens de opsluiting. Het drama raakte al snel buiten het kamp bekend en werd uitgebreid beschreven door de illegale pers. Dit was een doorn in het oog van de nazileiding in Nederland, die zulke gewelddadige incidenten in modelkamp juist wilde beperken om het verzet in Nederland niet aan te wakkeren. Maar desondanks ging het in de nacht van 15 op 16 januari 1944 ontzettend mis.

                              
Voorafgaand aan het Bunkerdrama was er een ruzie uitgebroken in de vrouwenafdeling van het kamp. Eén van de vrouwelijke gevangenen in barak 23 werd door de andere vrouwen beschuldigd van verraad en uiteindelijk hadden ze voor straf haar haar afgeknipt. De volgende dag werd de belangrijkste daderes door de kampleiding opgesloten in een cel in de kampgevangenis, de Bunker. Ze weigerde de namen van de overige vrouwen die bij de ruzie betrokken waren te noemen. De vrouwen van barak 23 besloten zich solidair op te stellen en verklaarden zich allemaal schuldig in de verwachting hiermee de strafmaat voor hun opgesloten medegevangene te verlichten. Dat was een fatale misrekening, want Grünewald vatte de solidariteitsactie van de vrouwen op als muiterij en besloot keihard in te grijpen. Hij liet op 15 januari alle vrouwen oppakken en ze onder aanmoediging van SS-Obersturmführer Hermann Wicklein opsluiten in twee cellen in de Bunker. 74 vrouwen werden samengepropt in cel 115, terwijl de overige 17 in de nabijgelegen cel 117 gestopt werden. Normaal gesproken was de cel waarin de 74 vrouwen die nacht verbleven bestemd voor twee tot drie gevangenen. Met een grondoppervlak van krap 9 vierkante meter waren de vrouwen gedwongen om tegen elkaar aangedrukt te blijven staan en niet te gaan liggen. Er was nauwelijks ventilatie. Tineke Wibaut overleefde het drama. Ze herinnerde zich dat de paniek "in volle hevigheid" uitbarstte toen het licht in de afgesloten cel uitging: "Het was een vreemd aanzwellend geluid, dat af en toe wat afebde en dan weer opnieuw aanzwol. Het werd voortgebracht door biddende, gillende en schreeuwende vrouwen. Sommigen probeerden er doorheen te roepen om de vrouwen tot kalmte te manen en geen zuurstof te verspillen. Soms hielp dat, heel even, maar dan begon het weer. Het hield niet op, die hele nacht niet, het werd alleen minder luid. De hitte werd verstikkend."

                                                     

De volgende dag tegen 7:00 uur werd de deur van de cel 115 geopend. Sommige vrouwen konden uit eigen beweging uit de cel komen, terwijl de rest bewegingloos bleef liggen op de vloer. De lichamen werden uit de cel gehaald. De toegesnelde kamparts kon twintig bewusteloze slachtoffers nog redden, maar tien anderen hadden de nacht niet overleefd. Op 21 januari voerde de kamparts autopsie uit op de lichamen, daarbij gesteund door twee artsen van de Luftwaffe. De artsen concludeerden dat door het lange staan het bloed uit de bovenste lichaamsdelen van de vrouwen was weggevloeid met bewusteloosheid als gevolg. Bovendien was er volgens hen als gevolg van de uitgebroken paniek een verhoogd zuurstofgebruik ingetreden, dat niet bevredigd kon worden vanwege een gebrek aan luchttoevoer. Grünewald had de vrouwen zelf de schuld willen geven en probeerde de kwestie in de doofpot te stoppen door de overlijdensaktes te vervalsen. Ondanks dat hij het hun verboden had om over het overlijden van de vrouwen te spreken, brachten twee van zijn personeelsleden verslag uit aan de Sicherheitsdienst (SD) in Den Haag. Op 24 januari werd Grünewald bij Rauter ontboden om rapport uit te brengen. Het verslag dat de kampcommandant en zijn collega’s samengesteld hadden, rammelde aan alle kanten: het exacte aantal doden werd verzwegen, net als het feit dat Grünewald het verboden had om de raampjes van de cel te openen voor voldoende zuurstoftoevoer.

Ook werd in het verslag beweerd dat de cellen "naar verhouding erg groot en ruim" waren. Rauter liet zich echter niet voor de gek houden en zou woedend zijn geweest over het gedrag van Grünewald. Een naaste medewerker van de Hogere SS- en Politieleider verklaarde: "Hij Rauter was verontwaardigd over zoveel onmenselijkheid en noemde Grünewald een dier dat men moest opsluiten." Rauter bracht Himmlers staf op de hoogte van het voorval. De kwestie werd blijkbaar zo hoog opgenomen dat de Reichsführer-SS op 3 februari een persoonlijk bezoek bracht aan het kamp. De vrees dat het incident onder de Nederlandse bevolking bekend raakte, werd werkelijkheid op 15 februari toen Vrij Nederland als eerste illegale krant berichtte over het voorval. Ook andere ondergrondse kranten zouden er daarna nog over schrijven. Op 21 februari werd Grünewald ontslagen als kampcommandant en vervangen door SS-Sturmbannführer Hans Hüttig.
              
SS-rechter Konrad Morgen reisde af naar Vught om een onderzoek in te stellen. Over de duur van zijn onderzoek en zijn ervaringen is weinig bekend. Tijdens het proces van Neurenberg verklaarde hij enkel dat hij het kamp bezocht had. Ook vertelde hij dat Oswald Pohl het volgende tegen hem gezegd zou hebben: "Wat maken de levens van tien vrouwen uit met het oog op de duizenden Duitse vrouwen die elke nacht tijdens luchtbombardementen omkomen?" Ondanks pogingen van Pohl om dit tegen te houden, vond op 6

maart 1944 het proces plaats tegen Grünewald en zijn medeverdachte Hermann Wicklein. De rechtszaak werd behandeld door het X SS- en Politiegerecht in Den Haag, maar vond plaats in het Gelderse Velp, vlakbij Arnhem, waarheen de rechtbank in februari 1944 was uitgeweken. De rechtszaak werd voorgezeten door SS-rechter SS-Sturmbannführer Look, die werd bijgestaan door twee "bijzittende rechters". De uitspraak van het gerechtshof was karakteristiek voor de rechtspraak binnen de SS. Na gewezen te hebben op de bijzondere politieke situatie in Nederland stelde de rechtbank uitvoerig en waarheidsgetrouw vast wat er in de bewuste nacht gebeurd was. Zowel het exacte formaat van de cel als het aantal opgesloten vrouwen, het dodenaantal en de door de kamparts vastgestelde doodsoorzaak werden opgesomd in het rechtbankverslag. Opgemerkt werd dat Grünewald uitdrukkelijk het openen van de celraampjes verboden had en dat hij de vrouwen had gewaarschuwd dat hij ze met de brandslang zou laten besproeien als ze niet rustig zouden zijn. Met het oog op het economische belang van het concentratiekamp werd opgemerkt dat "veel van de in leven gebleven vrouwen gedurende de volgende dagen niet in staat waren in de arbeidsinzet in de industrie ingezet te worden, zodat bijvoorbeeld in de handdynamofabriek van de Philips-werkplaats een snelle instorting van de productie intrad." Grünewalds pogingen om de zaak in de doofpot te stoppen werden ook genoemd, al was het volgens de rechtbank Wicklein die aan de kamparts gevraagd had "of het in verband met het vermijden van een schandaal mogelijk [was] om enkele van de doden achteraf aan een andere doodsoorzaak te laten sterven." Voordat het gerechtshof tot een oordeel kwam, werden de grenzen van "het disciplinaire gezag" van kampcommandanten afgebakend. "In het geval de situatie dat vereist" waren kampcommandanten gemachtigd om straffen uit te voeren die "het lichamelijke welbevinden aanzienlijk benadelen kunnen." Zulke lijfstraffen waren legaal en "kunnen nooit als mishandeling bestraft worden." Dat was echter niet het geval als "de disciplinaire maatregelen bij hun uitvoering tot gezondheidsschade leiden, die de gelegaliseerde maat te boven gaat. De opsluiting van een veelvoud aan gevangenen in een cel met onttrekking van zit- en slaapgelegenheid mag op zich nog als een onder omstandigheden maatregelen noodzakelijke maatregel beschouwd worden. Is de bestrafte gevangene echter lichamelijk niet in staat de straf zonder een aanzienlijke gezondheidsschade te ondergaan dan overstijgt het de maat van het toelaatbare." Grünewald had die maat volgens de rechtbank overschreden, want hij had moeten weten dat de luchttoevoer in de cellen, die normaal bestemd waren voor enkele personen, niet toereikend was voor meer dan twintig personen. Hij wist dat de ventilatie-installatie slecht of helemaal niet functioneerde en had desondanks het openen van de raampjes verboden. Bovendien had hij ook kunnen vaststellen dat meerdere vrouwen "als gevolg van hun leeftijd en hun lichamelijke toestand niet in staat waren de maatregel te doorstaan." De rechtbank kwam aldus tot de conclusie dat de Grünewald het hem toegestane strafgeweld had overschreden, waardoor zijn optreden als mishandeling beoordeeld werd.
               
Het gerechtshof besloot mild te zijn, want ze was ervan overtuigd dat Grünewald "de dood van de tien vrouwen niet gewild had". Verwezen werd naar Grünewalds jarenlange dienst in de Reichswehr en naar zijn militaire inzet voor de SS waar hij "zijn mannetje [had] gestaan". De rechtbank had "de volle overtuiging" dat Grünewalds "daad niet in het geringste uit oneervolle motieven voortkwam." Hij werd weliswaar schuldig verklaard aan dood door schuld, maar kwam er met drie en een half jaar gevangenisstraf vanaf. Hoewel Wicklein werd beschouwd als de initiatiefnemer van de strafmaatregel en volgens de rechtbank "moreel gezien de meest schuldige" was, kwam hij ervan af met zes maanden gevangenisstraf. Niet hij, maar Grünewald droeg namelijk als superieur de strafrechtelijke verantwoording. Lang hebben beide mannen niet gevangen gezeten, want al in maart werden ze in opdracht van Heinrich Himmler op vrije voeten gesteld. Om onduidelijke redenen besloot Himmler dat Wickleins rechtszaak overgedaan moest worden, maar zover is het nooit gekomen. Tot het einde van de oorlog werkte hij als adjudant in concentratiekamp Flossenbürg. Hij overleefde de oorlog en woonde na 1945 in Oberhausen. Grünewald mocht in maart acht dagen bij zijn familie doorbrengen en volgde daarna een korte training in Breslau. Met de laagste rang van SS-Mann diende hij vervolgens vanaf juni aan het front in de 3. SS-Panzer-Division "Totenkopf". In oktober 1944 kreeg hij de rang van SS-Obersturmführer, twee rangen lager dan die hij had als kampcommandant. Aangenomen wordt dat hij op 22 januari 1945 aan het front sneuvelde in Hongarije.
                            
De originele cel waarin het Bunkerdrama zich heeft afgespeeld is niet bewaard gebleven. Een in 1990 herbouwde versie in het voormalige crematoriumgebouw fungeert in het Nationaal Monument Kamp Vught als gedenkplaats. Op een gedenkplaat worden hier de namen van de slachtoffers genoemd. Een in 1996 onthuld door Marius de Leeuw ontworpen herdenkingsraam van glas-in-lood bevindt zich in Sint-Petruskerk te Vught en herinnert eveneens aan de dood van de tien vrouwen. Op het raam zijn vrouwfiguren afgebeeld.

     

De Trouw-groep
De illegale pers levert een belangrijke bijdrage aan het verzet in Nederland. Op 9 en 10 augustus 1944 worden er in Kamp Vught 23 Trouwverspreiders gefusilleerd.

Op 30 januari 1943 vindt er een bijeenkomst plaats waarbij onder andere Speelman en Bruins Slot aanwezig zijn. Er wordt afgesproken een nieuwe krant te gaan drukken, op voorwaarde van Speelman dat de redactie en de distributie volledig gescheiden zijn. Speelman regelt de distributie met de mensen die meekomen van Vrij Nederland en Bruins Slot wordt verantwoordelijk voor de redactie van de nieuwe krant. Bruins Slot is namens de Anti Revolutionaire Partij burgemeester geweest in Adorp en verspreidt voor de oorlog het partij blaadje Hou en Trou. Besloten wordt de nieuwe krant naar dit blaadje te noemen. De illegale krant Trouw is geboren. De illegale kranten hebben tijdens de oorlog grote problemen om zich in stand te houden, elke krant heeft naar schatting één gulden gekost. Sommige kranten hebben in de loop van de oorlog een oplage van meer dan honderdduizend stuks. De kranten zijn afhankelijk van donaties die aan de verspreiders worden meegegeven. Naast het drukken van de krant proberen de verschillende organisaties ook onderduikers te helpen. Zo ontstaat bij Trouw het Centraal bureau der Kezen, zo genoemd omdat beide heren die deze afdeling leiden, de voornaam Kees hebben. Deze afdeling zorgt ervoor dat distributiekaarten, persoonsbewijzen en eten op de juiste plek terecht komen. Goede kontakten met boeren in Nieuwveen, waar Speelman vandaan komt, verzekert de krant van een zekere mate van bevoorrading. Joop Schalk loopt een maal per week met een kar van Nieuwveen naar Amsterdam en terug om eten te halen. De distributie van de kranten vindt vooral plaats per spoor en in het geval van Trouw ook per binnenvaartschip.

Vanaf september 1943 weet de SD in toenemende mate Trouwmedewerkers te arresteren, hetzij bij toeval, hetzij door verraad. De SD′er Gottschalk uit Den Bosch is dan met het onderzoek naar Trouw belast. Gottschalk weet ongeveer 40 medewerkers te arresteren waarvan de meesten in Haaren terecht komen. Een neef van Wim Speelman, Eik Speelman, die ook in Haaren gevangen zit krijgt van Gottschalk een aanbod dat hij aan Wim Speelman moet overbrengen: wanneer Trouw niet meer verschijnt, zullen de gevangenen niet vervolgd worden. De andere medewerkers van Trouw die in Haaren gevangen zitten vertrouwen Eik niet meer en smokkelen briefjes naar buiten waarin zij dit melden. Eik Speelman komt op vrije voeten en geeft zijn boodschap door aan zijn neef. Er wordt besloten Trouw te blijven drukken en 23 Trouw-medewerkers worden op 9 en 10 augustus 1944 door de Duitsers te Vught gefusilleerd. In 1992 komt er een andere lezing over de Trouw-groep naar buiten. Op 28 juli 1944 zijn de gevangenen van Haaren overgebracht naar Vught. Er is dan geprobeerd met Trouw te onderhandelen, maar Trouw heeft niets van zich laten horen. Dus komen de Trouw-medewerkers voor het Polizeistandgericht. Toch hebben enkele families er alles aan gedaan om het niet zo ver te laten komen, een veroordeling zou immers altijd de doodstraf in houden. Op 5 augustus zijn de gevangenen voorgeleid en op 8 augustus vinden er mogelijk nog onderhandelingen plaats. Gottschalk deelt dan mee dat er volgens hem nog geen vonnissen zijn geveld. Hij houdt zich echter niet meer met de zaak bezig en heeft geen precieze informatie. In werkelijkheid zijn op 5 augustus de verspreiders ter dood veroordeeld, slechts enkele zakelijke relaties zijn niet veroordeeld, maar naar een andere rechtbank doorverwezen. Op 9 augustus heeft Trouw nog een bijeenkomst belegd. Wim Speelman heeft op dat moment een briefje in zijn bezit waarop staat dat Trouw nooit meer zal verschijnen. Het briefje hoeft alleen nog maar ondertekend te worden. Het briefje kan tot 5 uur ’s avonds worden ingeleverd. Toch is de vergadering niet belegd om over dit briefje en wat later bekend zal staan als “het ultimatum”, te praten. Velen weten dan al dat er 24 Trouwmedewerkers ter dood zijn veroordeeld. Deze ter dood veroordeling is waarschijnlijk de reden dat de Trouwmedewerkers samen komen. Er is grote druk van de families van de ter dood veroordeelden om het met de Duitsers op een akkoord te gooien. Verschillende mensen bij Trouw, onder wie Bruins Slot hebben dan onderling al over de situatie gesproken. Trouw mag

niet zwichten, maar de beslissing ligt bij de verspreiders. Deze houding van de redactie is later toch als een twijfelende houding bestempeld. Vooral Wim Speelman twijfelt niet aan het feit dat Trouw moet doorgaan. Daar komt bij dat het maar de vraag is of de Duitsers zich aan hun woord houden. Wim Speelman heeft gezegd: “Wanneer de redactie stopt begin ik een nieuwe Trouw.” Na afloop van de vergadering is een circulaire opgesteld, daarin verantwoordt Trouw haar beslissing om door te gaan. Stoppen met Trouw staat gelijk aan capituleren, zo luidt het oordeel. Waarschijnlijk is Trouw al op de hoogte van een aantal veroordelingen, echter niet van alle. Deze zijn in de avond van 9 augustus in de avondbladen verschenen. De 23 veroordeelden zijn op 9 en 10 augustus te Vught gefusilleerd. Wellicht heeft de SD alleen maar met Trouw gespeeld en is het ze nooit te doen geweest om tot een akkoord te komen.
                       
Aan het begin van de oorlog telt de Nederlandse beroepsbevolking ongeveer 2000 journalisten. Tijdens de oorlog werken er ongeveer 73 journalisten mee aan het schrijven van illegale bladen, de meesten pas in 1944. Uiteindelijk zijn er tijdens de oorlog ongeveer 1300 illegale blaadjes verschenen. Veel van deze blaadjes zijn maar eenmalig gedrukt en vaak slechts in pamfletvorm. Er werken in 1944 naar alle waarschijnlijkheid ongeveer 4000 mensen voor Trouw. Ongeveer 112 mensen hebben gedurende de oorlog hun leven gelaten vanwege hun werkzaamheden voor Trouw.

Deppner-executies

De Deppner-executies waren grootschalige executies van verzetsstrijders in Kamp Vught tussen eind juli en begin september 1944. Minstens 450 mensen kwamen hierbij om het leven. Aanleiding Hitler bepaalde op 30 juli 1944, ná de mislukte aanslag van Stauffenberg op zijn leven, met het Niedermachungsbefehl dat de militaire rechtbanken werden afgeschaft. Verzetsstrijders (door de Duitsers 'terroristen en saboteurs' genoemd) konden na hun arrestatie meteen worden gedood. Of dit decreet werd uitgevaardigd onder druk van de opmars van de geallieerden of samenhing met een algemene verharding van de repressie is niet helemaal duidelijk, vermoedelijk beide. In elk geval plaatste dit de Duitse bezetter voor de vraag wat te doen met de duizenden gevangenen uit het verzet die nog niet waren berecht. Die vraag viel grotendeels onder de competentie van de Höhere SS- und Polizeiführer Hanns Rauter en vooral van de Sicherheitspolizei en Sicherheitsdienst (SD). De SD had per 1 juni een nieuwe Befehlshaber gekregen, Karl Eberhard Schöngarth, die nog niet was ingewerkt en daarom de uitwerking van het bevel overliet aan zijn recherchechef Erich Deppner. Erich Deppner was al sinds 1941 hoofd van Abteilung IV van de Sicherheitspolizei in Den Haag, die belast was met opsporing en vervolging van tegenstanders van het regime; daarmee was hij chef van de Gestapo. Na de omvorming van Kamp Westerbork tot Durchgangslager in 1942 was hij korte tijd kampcommandant, maar hij werd al spoedig vervangen door Albert Konrad Gemmeker. Kort hiervoor al was hij in Kamp Amersfoort leider van een vuurpeloton dat zeventig Russische krijgsgevangenen ombracht. De toenmalige kampcommandant Karl Peter Berg werd hiervoor na de oorlog ter dood veroordeeld; Deppner werd echter nooit in Nederland berecht en in Duitsland in 1964 van dit feit vrijgesproken. Na Hitlers Niedermachungsbefehl was het Deppner, die lijsten opstelde van gevangenen in Vught die gefusilleerd moesten worden. Reeds eind juli 1944 waren dit 23 medewerkers van het illegale blad Trouw men had aan een van de Trouw leiders Wim Speelman een aanbod gedaan hun levens te sparen in ruil voor stopzetting van de verschijning van het blad. Deze 23 waren overigens nog veroordeeld. In augustus werden ongeveer 120 personen doodgeschoten. De fusillades bereikten een climax rond Dolle Dinsdag dat wil zeggen direct nadat Brussel en Antwerpen waren bevrijd. De hele top van de Landelijke Onderduikorganisatie en de Limburgse Onderduikorganisatie die zich toen in Vught bevond werd omgebracht alsmede vele anderen. Spoedig daarna werd het kamp ontruimd. Meer dan drieduizend gevangenen werden naar Duitse concentratiekampen getransporteerd waar de meesten alsnog voordat de bevrijding plaatsvond omkwamen.

       

Na de oorlog werden de voornaamste schuldigen aan misdaden tijdens de bezetting berecht middels de bijzondere rechtspleging. Ongeveer 14.000 Nederlanders alsmede 240 Duitsers werden berecht volgens het Buitengewoon Strafrecht daarnaast verschenen nog 50.000 personen voor tribunalen. Onder de Duitsers werden veelal of de hoogste gezagsdragers berecht of lagere functionarissen die bewijsbaar zware misdaden hadden gepleegd. Waarom is niet geheel duidelijk De Jong wijst op volkenrechtelijke bezwaren maar ook op grote rechtsongelijkheid. In elk geval werden sommigen van Deppners superieuren (onder wie Schöngarth) en van zijn ondergeschikten (onder wie Karl Berg) ter dood veroordeeld. Deppner vertoefde tijdens de capitulatie in Berlijn en werd als Duits staatsburger na de oorlog niet uitgeleverd. De bijna twintig verzoeken van Nederlandse zijde om hem berecht te krijgen werden op de zaak van de 'Russen' in München na alle geweigerd.
     

De fusilladeplaats Vught is de schietbaan van het voormalig concentratiekamp Vught in de Noord-Brabantse gemeente Vught. De schietbaan bevindt zich buiten het voormalige kampterrein op Lunet II. Mogelijk was de schietbaan voor de oorlog al in gebruik door de nabijgelegen Frederik Hendrikkazerne. Op de fusilladeplaats zijn 329 mannen doodgeschoten tijdens de Deppner-

executies. Vanuit verschillende gevangenissen werden verzetsmensen naar Vught gebracht en hier vermoord. De daders waren Nederlandse SS'ers die normaal gesproken de wachttorens bewaakten. Op 20 december 1947 werd op de fusilladeplaats een gedenkteken met namen onthuld door prinses Juliana. Het houten kruis dat achter het gedenkteken staat is er al eerder neergezet door mensen die in de buurt wonen. In 1995 en 1996 werd het gedenkteken beklad. De daders werden niet gevonden. De betonnen panelen waren niet te herstellen en werden vervangen. De bekladde exemplaren kregen daarna een vaste plek in het Nationaal Monument Kamp Vught. Naar aanleiding van de bekladdingen maakte een onbekende een gedicht vast aan het hek bij de fusilladeplaats. Dat gedicht is later in brons gegoten en hangt bij de ingang van het hek.
     
Alle overgebleven Joden werden in de nacht van 2 op 3 juni 1944 in goederenwagons naar Auschwitz gedeporteerd. Het kamp werd na Dolle Dinsdag (5 september 1944) door de Duitsers volledig ontruimd. De geallieerden waren vlakbij, maar desondanks werden 3400 gevangenen op transport gezet naar andere concentratiekampen. De vrouwen werden naar Ravensbrück gestuurd en de mannen naar Sachsenhausen. Velen zijn daar om het leven gekomen. Ook werden op 4 en 5 september nog 117 mensen geëxecuteerd.
         
Na de bevrijding
Op het moment dat de geallieerden Kamp Vught op 26 oktober 1944 bevrijdden, was het leeg en verlaten. Er was geen elektra en de barakken waren koud en vies. Het Nederlandse en geallieerde leger nam het in gebruik voor de internering van de geëvacueerde Duitse bevolking van Selfkant. Later werden er ook vermoedelijke collaborateurs, oorlogsmisdadigers en Reichsbürger geïnterneerd. Na juli 1945 verbleven er ook kinderen van NSB'ers en Nederlandse Duitsers tezamen met bejaarde collaborateurs. Oud-SS'ers werden apart vastgehouden en geregeld mishandeld. De geïnterneerden waren aan een regime onderworpen waarbij 'goede' Nederlanders als bewakers het morele recht opeisten om deze pro-Duitse 'foute' personen, waaronder meelopers, kinderen en jongeren, met harde hand te 'tuchtigen' (te bestraffen). Aan hun regime van willekeur en bandeloosheid kwam begin 1946 een einde door instructies van bovenaf. Reclasseringsambtenaar Willem de Wit werd aangesteld als kampcommandant en kreeg de nadrukkelijke opdracht te focussen op heropvoeding en resocialisatie. In januari 1949 werd Kamp Vught opgeheven.

      
Woonoord Lunetten
In 1951 kreeg (een deel van) het kamp een nieuwe naam: woonoord Lunetten. Hier werden gezinnen van Molukse KNIL-militairen gehuisvest, die op dienstbevel van het Koninklijk Nederlandsch-Indisch Leger uit de Molukken waren geëvacueerd. Vanaf 1960 werden velen van hen naar andere plaatsen verhuisd. Nadat daarover in 1989 overeenstemming was bereikt tussen de Nederlandse regering, de gemeente Vught en de meerderheid van de resterende Molukse bewoners, werden in 1992 alle barakken gesloopt op barak 1 na, die werd omgedoopt tot kerk. Op de plek waar de barakken hadden gestaan werd een nieuwe woonwijk gebouwd: woonoord Lunetten.

    

Heden
Naast de woonwijk en twee kazernes is een groot deel van het terrein tegenwoordig in gebruik door de Penitentiaire Inrichting Vught. Op de noordoostpunt van het vroegere kampterrein is het museum Nationaal Monument Kamp Vught gevestigd, met daarin, naast het hoofdgebouw met tentoonstellingen, een nagebouwde barak, een aantal nagebouwde wachttorens en het voormalig crematorium. Een aantal gebouwen van het

voormalige concentratiekamp is tot op heden bewaard gebleven en heeft de status van rijksmonument. Midden op het terrein van de gevangenis staat de voormalige kampgevangenis 'de Bunker'. De op het SS-terrein gevestigde huisvesting, bakkerij, keuken en garages van de SS en de 'Kommandantur' zijn tegenwoordig onderdeel van een van de twee kazernes. Ook de net buiten het kamp gebouwde SS-barakken, bestaande uit vier hoekvormige gebouwen die samen een Duits Kruis vormen, bestaan nog steeds. De (afgebroken) wasserij en de keuken bevinden zich op het terrein van het Geniemuseum.
      
De laatste jaren komt er meer aandacht voor de archeologische betekenis van het kamp. De meeste Duitse kampen in Nederland zijn op een bepaald moment ontmanteld, waaronder alle grote kampen zoals Westerbork, Amersfoort en ook Vught. De gedachte dat er van die kampen niets meer over is wordt de laatste jaren door archeologisch onderzoek weerlegd. Ook in Kamp Vught houdt men er steeds meer rekening mee dat een deel van de fundamenten van de barakken nog aanwezig is en dat bodemvondsten een informatieve of museale functie kunnen vervullen. Een van de belangrijkste archeologische vondsten, thans aanwezig in het depot van het herinneringscentrum, is de bel van de appelplaats, die in de bodem werd teruggevonden. In maart 2017 vond op initiatief van Het Noordbrabants Museum een archeologische publieksopgraving plaats op het kampterrein.

     

home

Website informatieGastenboek

Foto's copyright © bij groetenuitdenbosch.nl