|

|
|
Geschiedenis
De Historie van
's-Hertogenbosch
|
|
De
naam 's-Hertogenbosch dankt de stad waarschijnlijk aan het gegeven
dat ondanks dat er bij opgravingen op de Markt weinig tot geen
bewijs voor gevonden is ter plaatse een (moeras)bos aanwezig was.
Dit jachtgebied behoorde toe aan Godfried I van Brabant de eerste
hertog van Brabant en later aan zijn zoon Hendrik I van Brabant. De
naam des Hertogen bosch (het bos van de
hertog) werd later samengevoegd tot de huidige naam. 's-Hertogenbosch werd als stad gesticht op het grondgebied van Orthen een oud domein van de graven van Leuven. Op de locatie was
al eerder een handelsnederzetting ontstaan hetgeen opmerkelijk is
omdat de meeste plaatsen destijds bij een klooster of als agrarische
nederzetting ontstonden. Spoedig na de vorming van deze
nederzetting werden rond 1190 stadsrechten verleend. De stad droeg
meteen het karakter van een vestingstad en dat was waarschijnlijk
ook de belangrijkste reden voor de hertog om de stad vrijwel meteen
stadsrechten te verlenen. 's-Hertogenbosch moest uitgroeien tot een
militair steunpunt dat van de Maas een verdedigbare noordgrens zou
kunnen maken. De stad zou dan tevens een bescherming en uitvalsbasis
tegen Gelre en Holland vormen. De resten van de eerste vestingmuur
die een gebied omwalde dat niet veel groter was dan de directe
omgeving van de markt zijn op verschillende plaatsen nog zichtbaar
de waterpoort waar de Dieze het stadje binnenkwam is het grootste
restant. Ook van de Leuvense Poort zijn nog overblijfselen te zien.
De bouw van de vestingwerken startte kort na de stichting van de
stad en werd rond 1225 voltooid. Intussen werd de stad beschermd
door een aarden wal met palissaden.
|

|
De hertog van Brabant
verleende voorrechten
aan de burgers in zijn
nieuwe stad die we
stadsrechten noemen. De
burgers van de stad
kregen bijzondere
rechten maar kregen ook
plichten opgelegd. Alle
afspraken werden
opgeschreven in een
document. Omdat de
stadsrechten steeds
werden aangepast aan de
snelle ontwikkeling van
de stad weten we niet
precies in welk jaar ze
voor het |
eerst zijn vastgelegd. Historici
vermoeden dat het ergens tussen 1184 en 1196 moet zijn geweest.
’s-Hertogenbosch heeft altijd het jaar 1185 aangehouden. De Bossche
stadsrechten behoren daarmee tot de oudste van ons land. In 1985 werd het
800-jarig bestaan van ’s-Hertogenbosch gevierd. De Bossche stadsrechten zijn
heel uitgebreid. Het gaat om meer dan veertig afspraken. De burgers van de
stad ook wel poorters genoemd overlegden hierover met de hertog en andere
belangrijke mensen. De poorters mochten hun eigen bestuurders kiezen en
markten houden. Ze hoefden ook bepaalde belastingen niet te betalen. Als je
poorter wilde worden moest je voorgoed in de stad komen wonen. Een poorter
van ’s-Hertogenbosch kon alleen door Bossche rechters gestraft worden.
Ruzies die tot vechten leidden moesten worden gestopt. Voor misdrijven
werden straffen vastgelegd. Na de stichting rond 1185 groeide
’s-Hertogenbosch snel uit tot een belangrijke handelsstad. ’s-Hertogenbosch
werd opgebouwd rond de driehoekige markt. Al na een eeuw was de stad negen
keer zo groot geworden en moesten er nieuwe stadsmuren worden gebouwd. De
stad zag er mede door de stenen muren anders uit dan de dorpen op het
platteland. De huizen stonden dicht op elkaar en de mensen hadden andere
beroepen zoals handelaar, ambachtsman of winkelier. Het symbool van de
nieuwe stad was het stadszegel. Dat was een soort stempel van de stad die in
warme bijenwas werd gedrukt. Dit zegel werd aan belangrijke documenten
gehangen. Het zegel van ’s-Hertogenbosch laat één grote en twee kleine bomen
zien als teken van de naam van de stad ‘Bosch’. De oudste afdruk van het
stadszegel van ’s-Hertogenbosch komt uit ongeveer 1240.
Nu nog steeds gebruiken Bosschenaren het beeld van de boom. Het heeft een
voorname plaats in het wapen van de gemeente ’s-Hertogenbosch. In de loop
van honderden jaren zijn nog meer tekens aan het wapen toegevoegd vier
leeuwen, een adelaar, een hertogshoed en ook twee wildemannen die het
stadswapen vasthouden. Maar de boom van ’s-Hertogenbosch daar is het
allemaal mee begonnen. Die herinnert aan de stichting van een stad door de
hertog bij zijn bos. |
|
's-Hertogenbosch moest uitgroeien tot
een militair steunpunt, die van de Maas en verdedigbare noordgrens
zou kunnen maken. De stad zou dan tevens een bescherming en
uitvalsbasis tegen Gelre en Holland vormen. De resten van de eerste
vestingmuur, die een gebied omwalde dat niet veel groter was dan de
directe omgeving van de markt zijn op verschillende plaatsen nog
zichtbaar de waterpoort waar de Dieze het stadje binnenkwam is
het
|
|
grootste restant. Ook van de Leuvense
Poort zijn nog overblijfselen
te
zien.
De bouw van
de vestingwerken startte kort
na de stichting van de stad en
werd rond 1225 voltooid. Intussen
werd de stad beschermd door een aarden wal
met palissaden.
In 1203 werd het toen nog slecht beschermde plaatsje vanuit Heusden
door een gezamenlijke
expeditie van Gelre en Holland platgebrand. 's-Hertogenbosch werd na
Leuven, Brussel en Antwerpen de vierde hoofdstad van het hertogdom
Brabant en
bestuurde de meierij ongeveer het gebied van het oostelijke deel van
de huidige provincie Noord-Brabant.
Omstreeks 1210 wordt er
buiten de stadsmuren op
een terrein 'de Pepers'
genaamd begonnen de
Bosschenaren met de bouw
van de (eerste) Sint-Jan
een bakstenen kerkje in
romaanse stijl. Het
terrein (atrium) is
eigendom van de hertog.
Het eerste gedeelte is
bestemd voor de kerk. De
huidige Sint-Jan staat
nog op deze plaats. Het
tweede gedeelte doet
dienst als vrijthof er
wordt recht gesproken en
de poorters komen er
samen bij belangrijke
aangelegenheden. Op het
derde gedeelte zullen
huizen gebouwd worden
voor geestelijken en
aanzienlijken.
|

|
Omstreeks 1220 begint
men met de bouw van een
eigen kerk toegewijd
aan Sint-Jan de
Evangelist. Dit
bakstenen kerkje in
romaanse stijl wordt
gebouwd op 'de Pepers' |
een stuk
grond van de hertog buiten de stadsmuren. Van deze eerste Sint-Jan is weinig
bekend en ook weinig behouden. Alleen het onderste deel van
|
de huidige toren
herinnert nog
aan deze tijd. Zo’n
anderhalve eeuw
later
ontstond het idee
om de Sint-Jan uit te breiden. In die tijd was de stadsbevolking door de
toegenomen handel gaan groeien. Een grotere kerk was handig omdat er meer
gelovigen in pasten maar het gaf ook meer uitstraling aan de groeiende
stad. |
|

|
In 1228
vestigen de
Minderbroeders zich in
's-Hertogenbosch op een
door de hertog
geschonken terrein
gelegen op de hoek van
de huidige Pensmarkt en
de Minderbroederstraat
waar zij een klooster en
een kerk vestigen. Met
toestemming van de
pastoor van Orthen gaat
de kerk diverse
parochiële functies
uitoefenen zolang
de stad nog geen eigen
parochiekerk bezit. Dit
Minderbroeder- |
klooster
is de eerste vestiging in de noordelijke
Nederlanden. Door de toename van het aantal kloosterlingen in 1256 en de
groei van de bevolking zijn de bestaande kerk en het klooster van de
Minderbroeders te klein geworden en het terrein van de
Minderbroeders wordt uitgebreid door een schenking van de hertog
zodat men met de bouw van een nieuwe kloosterkerk kan beginnen. |
|

|
In 1250 is de stad 's-Hertogenbosch flink gegroeid en
men woont en bouwt zelfs buiten de verdedigbare stadsmuren en neemt
het stadsbestuur het besluit om de stad uit te breiden en van een
nieuwe ommuring te voorzien zodat de gehele bevolking binnen een
verdedigbare vesting kan wonen de stad is echter niet in staat de
benodigde gelden alleen op te brengen en de omstandigheden
|
zijn er niet naar om een beroep te doen op de hertog
zo zal het nog vele jaren duren eer men met de werkzaamheden kan starten. Maar
pas in 1318 verleent Jan III hertog van Brabant de stad toestemming
haar vestingwerken uit te breiden. Door deze nieuwe ommuring komen
gebieden die al geruime tijd bewoond worden veilig binnen de wallen
te liggen. De uitbreiding is niet alleen van
plaatselijk maar ook van landelijk belang gezien
de functie van de stad 's-Hertogenbosch als de meest noordelijke
vesting van
het hertogdom Brabant 's-Hertogenbosch
mag een hogere belastingopbrengst van haar inwoners eisen om de
kosten te dekken. |
|

|
Toen hertog Hendrik III
overleed had hij zijn
opvolging niet goed
geregeld. Zijn oudste
zoon de wettelijke
opvolger was volgens de
moederweduwe geestelijk
niet bekwaam om zijn
vader op te volgen. Zij
besliste dat haar tweede
zoon in aanmerking moest
komen. Daarop ontstond
grote onrust in het
hertogdom omdat velen
het met deze beslissing
niet eens waren. Ook
tussen Leuven en
|
's-Hertogenbosch ontstond beroering tengevolge van
de troonopvolging. Om de opschudding weg te nemen, werd in 1261 met
een aantal steden een vriendschapsverdrag gesloten. De onderlinge verhoudingen tussen de zustersteden zijn
daarna vriendschappelijk gebleven. Het eerste verdrag met Leuven
werd gesloten op zoals in het charter staat vermeld zaterdag
voor het feest van Maria Lichtmis in 1261. In onze huidige
tijdrekening (de gregoriaanse vanaf 1582) is dat op 28 januari
1262. Deze oorkonde is het oudste stuk dat in het Bossche
Stadsarchief wordt bewaard. De stichter van 's-Hertogenbosch hertog
Hendrik I ligt in de Sint-Pieterskerk van Leuven begraven. Nadat in
1425 te Leuven een universiteit was opgericht hebben vele
Bosschenaren er gestudeerd. Tussen 1550 en 1750 beschouwen zo'n
duizend Bossche studenten de Leuvense academie als hun alma mater.
In onze stad staat aan de Spinhuiswal een mooi historisch gebouw
dat aan Leuven herinnert. Het is het voormalige Refugiéhuis van de
abdij van St.-Geertrui te Leuven. Begin 16e eeuw bouwde abt Petrus
Was dit toevluchtsoord tot 1767 was het in
het bezit van de Leuvense kanunniken. In 1984 zijn de vriendschapsbanden tussen Leuven en
's-Hertogenbosch vernieuwd. Sindsdien is er sprake van
uitwisselingen tussen inwoners van beide steden op met name cultureel
gebied. |
|

|
De geschiedenis van het Groot
Ziekengasthuis gaat
terug tot de late
middeleeuwen. Al vanaf
1274 werd er melding
gemaakt van een
ziekenhuis dat voorzag
in medische zorg voor de
armen van
’s-Hertogenbosch.
Daarmee is het een van
de oudste ziekenhuizen
van Nederland.
Omdat het in de tijd het enige gasthuis was in de stad mocht het
niemand uitsluiten. Dat
betekende dat naast
|
zieken,
bejaarden en invaliden ook reizigers,
bedevaartgangers en zwervers er onderdak
vonden. Volgens een document uit 1540 werkte het gasthuis voor ‘alle
arme, crance, miserabele personen soo mans ende vrouwe, die
op de straeten niet gegaen konnen’. Aanvankelijk
was de verzorging in handen van de gasthuiszusters. In 1629 bij de inname
van ’s-Hertogenbosch door Frederik Hendrik, werden de zusters vervangen
door lekenpersoneel. Sinds 1880 werden de zieken verzorgd door de zusters
van de heilige Carolus Borromeus (de zusters van Trier). Op het einde van de
negentiende eeuw beantwoordden de ziekenhuisgebouwen niet meer aan de
toenmalige normen van de medische wetenschap. Vanaf 1888 werd een
vernieuwing ingezet met de bouw
van een polikliniek. In de vroege twintigste eeuw werden een aantal
‘moderne gebouwen’ opgetrokken zoals een nieuw ziekenhuis een zusterhuis
met kapel en een paviljoen voor patiënten die leden aan besmettelijke
ziekten. In 1974 is het nieuwe grote ziekenhuis aan de Zuid-Willemsvaart
gebouwd al snel rezen er parkeerproblemen en ontstond er binnen het geheel
nieuwe ziekenhuis opnieuw ruimtegebrek. Het ziekenhuis is tot 2011 een
soort burcht in de binnenstad van ’s-Hertogenbosch
gebleven. |
|

|
De Tafel van de Heilige
Geest zorgde in de
middeleeuwen voor arme
mensen in
’s-Hertogenbosch. Daarom
noemden Bosschenaren
deze organisatie ook wel
het Geefhuis. In het
gebouw dat aan de
Hinthamerstraat lag
kregen mensen wekelijks
gratis eten en kleding.
Dit was hard nodig want
tijdens de middeleeuwen
waren veel mensen
afhankelijk van deze
liefdadigheid.
’s-Hertogenbosch |
was aan het einde van de middeleeuwen een levendige en
rijke stad die snel groeide. Dit trok handelaren en ambachtslieden aan maar
ook armen en zieken. Een groep rijke burgers wilde deze mensen helpen.
Zij richtten rond 1280 een liefdadigheidsorganisatie op die ze de
Tafel van de Heilige Geest
|
noemden.
De Tafel van de Heilige Geest
was een soort voedselbank. De organisatie was gevestigd in de
Hinthamerstraat en had een eigen bakkerij.
Naast brood gaf de Tafel andere levensmiddelen gratis weg zoals
erwten en eieren.
Arme mensen konden in de Hinthamerstraat ook terecht voor kleding en
schoenen. De Bosschenaren noemden de organisatie daarom het
Geefhuis. Ook in andere steden en dorpen stonden zulke geefhuizen.
Rijke burgers richtten deze op omdat ze vanuit hun
geloofsovertuiging vonden dat ze dit moesten doen. Ze organiseerden
de hulp uit liefde voor God en daaraan verbonden naastenliefde. Het
christendom was de basis van de armenzorg. Het Bossche Geefhuis
richtte zich op drie kwetsbare doelgroepen. Allereerst waren dat
alleenstaande werkloze moeders met kleine kinderen. Een tweede groep
waren ouderen die geen werk hadden of niet meer konden werken. De
derde groep bestond uit personen met een handicap. Zij waren
bijvoorbeeld blind of misten een ledemaat. Veel arme Bosschenaren
behoorden tot een van deze drie groepen. Als zij geen hulp konden
krijgen via familie, vrienden of hun gilde was hun laatste redmiddel
het Geefhuis. Op de plek waar vroeger het Geefhuis stond is nu de
bibliotheek gevestigd.
In
1318 gaf hertog Jan III van Brabant de stad toestemming om haar
vestingwerken uit te breiden was niet alleen voor de Bosschenaren
van belang ’s-Hertogenbosch was de meest noordelijke vestiging van
het hertogdom Brabant en daarom van groot strategisch belang. Door
de nieuwe ommuring kwam ook de romaanse Sint-Jan binnen de
stadsmuren te liggen.
|
|
|

|
In de late middeleeuwen
vormde zich rond de Sint
Jan in ‘s-Hertogenbosch
een groep clerici
(geestelijken) en
scolares (geestelijken
in opleiding) die een
genootschap oprichtte
ter verering van Maria
de Illustre Lieve Vrouwe
Broederschap. In 1318
krijgt de Broederschap
een officiële status met
de goedkeuring van de
Bisschop van Luik. De
originele
oprichtingsakte is nog
steeds aanwezig |
in de
archieven van de Broederschap. Lang is aangenomen dat Gerardus van Uden de
oprichter was echter door recent onderzoek zijn hierover twijfels
ontstaan. De leden komen samen in hun eigen kapel in de Sint Jansbasiliek om
Maria te vereren de Illustre Lieve Vrouwe. Ook besteden zij tijd en aandacht
aan de onderlinge solidariteit en hulpvaardigheid onder andere door het met
regelmaat samen nuttigen van de broederlijke maaltijd. Vanaf 1372 breidt de
Broederschap de activiteiten uit met armenzorg in de stad. Er konden ook
leken toetreden tot de Broederschap. De broederschap groeide al snel uit tot
een grote groep met leden in heel Europa. De broeders waren vaak rijke
mensen die veel geld uitgaven om de Sint-Jan nog mooier te maken. Zo lieten
ze de bekende kunstenaar Jeroen Bosch schilderijen voor hen maken. Ook
werden er koorboeken met mooie tekeningen voor de broederschap gemaakt. Toen
’s-Hertogenbosch tijdens de Tachtigjarige Oorlog (1568-1648) in de handen
viel van de protestanten bleven de Zwanenbroeders bestaan. In 1641 vroegen
de protestanten zelfs om lid te worden. Vanaf die tijd bestaat de
broederschap uit achttien katholieke en achttien protestantse leden. Een van
de bekendste leden van de huidige broederschap is koning Willem-Alexander.
Het Zwanenbroedershuis in de Hinthamerstraat is nu een museum en kan je nog
altijd bezoeken. Het hoogtepunt van de activiteiten van de Zwanenbroeders is
het jaarlijkse feest dat zij organiseren dat onder andere bestaat uit
gezamenlijk eten, muziek en dans. |
|
|
Foto's
copyright
©
bij groetenuitdenbosch.nl |
|
|