Stadswandeling

 Geschiedenis

  De Historie van 's-Hertogenbosch

  Sint-Janskathedraal

  Het beleg van 's-Hertogenbosch 1629

  De bevrijding Oktober 1944

  Oeteldonk

 Binnendieze

 Sint-Janskathedraal

 's-Hertogenbosch

 Straten en Stegen

 Vestingstad in het groen

 Bossche wijken

 Oeteldonk

 Evenementen

       

Geschiedenis

De Historie van 's-Hertogenbosch

       

De naam 's-Hertogenbosch dankt de stad waarschijnlijk aan het gegeven dat ondanks dat er bij opgravingen op de Markt weinig tot geen bewijs voor gevonden is ter plaatse een (moeras)bos aanwezig was. Dit jachtgebied behoorde toe aan Godfried I van Brabant de eerste hertog van Brabant en later aan zijn zoon Hendrik I van Brabant. De naam des Hertogen bosch (het bos van de hertog) werd later samengevoegd tot de huidige naam. 's-Hertogenbosch werd als stad gesticht op het grondgebied van Orthen een oud domein van de graven van Leuven. Op de locatie was al eerder een handelsnederzetting ontstaan hetgeen opmerkelijk is omdat de meeste plaatsen destijds bij een klooster of als agrarische nederzetting ontstonden. Spoedig na de vorming van deze nederzetting werden rond 1190 stadsrechten verleend. De stad droeg meteen het karakter van een vestingstad en dat was waarschijnlijk ook de belangrijkste reden voor de hertog om de stad vrijwel meteen stadsrechten te verlenen. 's-Hertogenbosch moest uitgroeien tot een militair steunpunt dat van de Maas een verdedigbare noordgrens zou kunnen maken. De stad zou dan tevens een bescherming en uitvalsbasis tegen Gelre en Holland vormen. De resten van de eerste vestingmuur die een gebied omwalde dat niet veel groter was dan de directe omgeving van de markt zijn op verschillende plaatsen nog zichtbaar de waterpoort waar de Dieze het stadje binnenkwam is het grootste restant. Ook van de Leuvense Poort zijn nog overblijfselen te zien. De bouw van de vestingwerken startte kort na de stichting van de stad en werd rond 1225 voltooid. Intussen werd de stad beschermd door een aarden wal met palissaden.

    

1185

De hertog van Brabant verleende voorrechten aan de burgers in zijn nieuwe stad die we stadsrechten noemen. De burgers van de stad kregen bijzondere rechten maar kregen ook plichten opgelegd. Alle afspraken werden opgeschreven in een document. Omdat de stadsrechten steeds werden aangepast aan de snelle ontwikkeling van de stad weten we niet precies in welk jaar ze voor het

eerst zijn vastgelegd. Historici vermoeden dat het ergens tussen 1184 en 1196 moet zijn geweest. ’s-Hertogenbosch heeft altijd het jaar 1185 aangehouden. De Bossche stadsrechten behoren daarmee tot de oudste van ons land. In 1985 werd het 800-jarig bestaan van ’s-Hertogenbosch gevierd. De Bossche stadsrechten zijn heel uitgebreid. Het gaat om meer dan veertig afspraken. De burgers van de stad ook wel poorters genoemd overlegden hierover met de hertog en andere belangrijke mensen. De poorters mochten hun eigen bestuurders kiezen en markten houden. Ze hoefden ook bepaalde belastingen niet te betalen. Als je poorter wilde worden moest je voorgoed in de stad komen wonen. Een poorter van ’s-Hertogenbosch kon alleen door Bossche rechters gestraft worden. Ruzies die tot vechten leidden moesten worden gestopt. Voor misdrijven werden straffen vastgelegd. Na de stichting rond 1185 groeide ’s-Hertogenbosch snel uit tot een belangrijke handelsstad. ’s-Hertogenbosch werd opgebouwd rond de driehoekige markt. Al na een eeuw was de stad negen keer zo groot geworden en moesten er nieuwe stadsmuren worden gebouwd. De stad zag er mede door de stenen muren anders uit dan de dorpen op het platteland. De huizen stonden dicht op elkaar en de mensen hadden andere beroepen zoals handelaar, ambachtsman of winkelier. Het symbool van de nieuwe stad was het stadszegel. Dat was een soort stempel van de stad die in warme bijenwas werd gedrukt. Dit zegel werd aan belangrijke documenten gehangen. Het zegel van ’s-Hertogenbosch laat één grote en twee kleine bomen zien als teken van de naam van de stad ‘Bosch’. De oudste afdruk van het stadszegel van ’s-Hertogenbosch komt uit ongeveer 1240.
Nu nog steeds gebruiken Bosschenaren het beeld van de boom. Het heeft een voorname plaats in het wapen van de gemeente ’s-Hertogenbosch. In de loop van honderden jaren zijn nog meer tekens aan het wapen toegevoegd vier leeuwen, een adelaar, een hertogshoed en ook twee wildemannen die het stadswapen vasthouden. Maar de boom van ’s-Hertogenbosch daar is het allemaal mee begonnen. Die herinnert aan de stichting van een stad door de hertog bij zijn bos.

    

's-Hertogenbosch moest uitgroeien tot een militair steunpunt, die van de Maas en verdedigbare noordgrens zou kunnen maken. De stad zou dan tevens een bescherming en uitvalsbasis tegen Gelre en Holland vormen. De resten van de eerste vestingmuur, die een gebied omwalde dat niet veel groter was dan de directe omgeving van de markt zijn op verschillende plaatsen nog zichtbaar de waterpoort waar de Dieze het stadje binnenkwam is het

grootste restant. Ook van de Leuvense Poort zijn nog overblijfselen te zien. De bouw van de vestingwerken startte kort na de stichting van de stad en werd rond 1225 voltooid. Intussen werd de stad beschermd door een aarden wal met palissaden. In 1203 werd het toen nog slecht beschermde plaatsje vanuit Heusden door een gezamenlijke expeditie van Gelre en Holland platgebrand. 's-Hertogenbosch werd na Leuven, Brussel en Antwerpen de vierde hoofdstad van het hertogdom Brabant en bestuurde de meierij ongeveer het gebied van het oostelijke deel van de huidige provincie Noord-Brabant.

     

Omstreeks 1210 wordt er buiten de stadsmuren op een terrein 'de Pepers' genaamd begonnen de Bosschenaren met de bouw van de (eerste) Sint-Jan een bakstenen kerkje in romaanse stijl. Het

terrein (atrium) is eigendom van de hertog. Het eerste gedeelte is bestemd voor de kerk. De huidige Sint-Jan staat nog op deze plaats. Het tweede gedeelte doet dienst als vrijthof er wordt recht gesproken en de poorters komen er samen bij belangrijke aangelegenheden. Op het derde gedeelte zullen huizen gebouwd worden voor geestelijken en aanzienlijken.

      

1220

Omstreeks 1220 begint men met de bouw van een eigen kerk toegewijd aan Sint-Jan de Evangelist. Dit bakstenen kerkje in romaanse stijl wordt gebouwd op 'de Pepers'

een stuk grond van de hertog buiten de stadsmuren. Van deze eerste Sint-Jan is weinig bekend en ook weinig behouden. Alleen het onderste deel van

de huidige toren herinnert nog aan deze tijd. Zo’n anderhalve eeuw later ontstond het idee om de Sint-Jan uit te breiden. In die tijd was de stadsbevolking door de toegenomen handel gaan groeien. Een grotere kerk was handig omdat er meer gelovigen in pasten maar het gaf ook meer uitstraling aan de groeiende stad.

     

1228

In 1228 vestigen de Minderbroeders zich in 's-Hertogenbosch op een door de hertog geschonken terrein gelegen op de hoek van de huidige Pensmarkt en de Minderbroederstraat waar zij een klooster en een kerk vestigen. Met toestemming van de pastoor van Orthen gaat de kerk diverse parochiële functies uitoefenen zolang de stad nog geen eigen parochiekerk bezit. Dit Minderbroeder-

klooster is de eerste vestiging in de noordelijke Nederlanden. Door de toename van het aantal kloosterlingen in 1256 en de groei van de bevolking zijn de bestaande kerk en het klooster van de Minderbroeders te klein geworden en het terrein van de Minderbroeders wordt uitgebreid door een schenking van de hertog zodat men met de bouw van een nieuwe kloosterkerk kan beginnen.

     

1250

In 1250 is de stad 's-Hertogenbosch flink gegroeid en men woont en bouwt zelfs buiten de verdedigbare stadsmuren en neemt het stadsbestuur het besluit om de stad uit te breiden en van een nieuwe ommuring te voorzien zodat de gehele bevolking binnen een verdedigbare vesting kan wonen de stad is echter niet in staat de benodigde gelden alleen op te brengen en de omstandigheden

zijn er niet naar om een beroep te doen op de hertog zo zal het nog vele jaren duren eer men met de werkzaamheden kan starten. Maar pas in 1318 verleent Jan III hertog van Brabant de stad toestemming haar vestingwerken uit te breiden. Door deze nieuwe ommuring komen gebieden die al geruime tijd bewoond worden veilig binnen de wallen te liggen. De uitbreiding is niet alleen van plaatselijk maar ook van landelijk belang gezien de functie van de stad 's-Hertogenbosch als de meest noordelijke vesting van het hertogdom Brabant 's-Hertogenbosch mag een hogere belastingopbrengst van haar inwoners eisen om de kosten te dekken.

     

1262

Toen hertog Hendrik III overleed had hij zijn opvolging niet goed geregeld. Zijn oudste zoon de wettelijke opvolger was volgens de moederweduwe geestelijk niet bekwaam om zijn vader op te volgen. Zij besliste dat haar tweede zoon in aanmerking moest komen. Daarop ontstond grote onrust in het hertogdom omdat velen het met deze beslissing niet eens waren. Ook tussen Leuven en

's-Hertogenbosch ontstond beroering tengevolge van de troonopvolging. Om de opschudding weg te nemen, werd in 1261 met een aantal steden een vriendschapsverdrag gesloten. De onderlinge verhoudingen tussen de zustersteden zijn daarna vriendschappelijk gebleven. Het eerste verdrag met Leuven werd gesloten op zoals in het charter staat vermeld zaterdag voor het feest van Maria Lichtmis in 1261. In onze huidige tijdrekening (de gregoriaanse vanaf 1582) is dat op 28 januari 1262. Deze oorkonde is het oudste stuk dat in het Bossche Stadsarchief wordt bewaard. De stichter van 's-Hertogenbosch hertog Hendrik I ligt in de Sint-Pieterskerk van Leuven begraven. Nadat in 1425 te Leuven een universiteit was opgericht hebben vele Bosschenaren er gestudeerd. Tussen 1550 en 1750 beschouwen zo'n duizend Bossche studenten de Leuvense academie als hun alma mater. In onze stad staat aan de Spinhuiswal een mooi historisch gebouw dat aan Leuven herinnert. Het is het voormalige Refugiéhuis van de abdij van St.-Geertrui te Leuven. Begin 16e eeuw bouwde abt Petrus Was dit toevluchtsoord tot 1767 was het in het bezit van de Leuvense kanunniken. In 1984 zijn de vriendschapsbanden tussen Leuven en 's-Hertogenbosch vernieuwd. Sindsdien is er sprake van uitwisselingen tussen inwoners van beide steden op met name cultureel gebied.

      

1274

De geschiedenis van het Groot Ziekengasthuis gaat terug tot de late middeleeuwen. Al vanaf 1274 werd er melding gemaakt van een ziekenhuis dat voorzag in medische zorg voor de armen van ’s-Hertogenbosch. Daarmee is het een van de oudste ziekenhuizen van Nederland. Omdat het in de tijd het enige gasthuis was in de stad mocht het niemand uitsluiten. Dat betekende dat naast

zieken, bejaarden en invaliden ook reizigers, bedevaartgangers en zwervers er onderdak vonden. Volgens een document uit 1540 werkte het gasthuis voor ‘alle arme, crance, miserabele personen soo mans ende vrouwe, die op de straeten niet gegaen konnen’. Aanvankelijk was de verzorging in handen van de gasthuiszusters. In 1629 bij de inname van ’s-Hertogenbosch  door Frederik Hendrik, werden de zusters vervangen door lekenpersoneel. Sinds 1880 werden de zieken verzorgd door de zusters van de heilige Carolus Borromeus (de zusters van Trier). Op het einde van de negentiende eeuw beantwoordden de ziekenhuisgebouwen niet meer aan de toenmalige normen van de medische wetenschap. Vanaf 1888 werd een vernieuwing ingezet met de bouw van een polikliniek. In de vroege twintigste eeuw werden een aantal ‘moderne gebouwen’ opgetrokken zoals een nieuw ziekenhuis een zusterhuis met kapel en een paviljoen voor patiënten die leden aan besmettelijke ziekten. In 1974 is het nieuwe grote ziekenhuis aan de Zuid-Willemsvaart gebouwd al snel rezen er parkeerproblemen en ontstond er binnen het geheel nieuwe ziekenhuis opnieuw ruimtegebrek. Het ziekenhuis is tot 2011 een soort burcht in de binnenstad van ’s-Hertogenbosch gebleven.

     

1281

De Tafel van de Heilige Geest zorgde in de middeleeuwen voor arme mensen in ’s-Hertogenbosch. Daarom noemden Bosschenaren deze organisatie ook wel het Geefhuis. In het gebouw dat aan de Hinthamerstraat lag kregen mensen wekelijks gratis eten en kleding. Dit was hard nodig want tijdens de middeleeuwen waren veel mensen afhankelijk van deze liefdadigheid. ’s-Hertogenbosch

was aan het einde van de middeleeuwen een levendige en rijke stad die snel groeide. Dit trok handelaren en ambachtslieden aan maar ook armen en zieken. Een groep rijke burgers wilde deze mensen helpen. Zij richtten rond 1280 een liefdadigheidsorganisatie op die ze de Tafel van de Heilige Geest

noemden. De Tafel van de Heilige Geest was een soort voedselbank. De organisatie was gevestigd in de Hinthamerstraat en had een eigen bakkerij. Naast brood gaf de Tafel andere levensmiddelen gratis weg zoals erwten en eieren. Arme mensen konden in de Hinthamerstraat ook terecht voor kleding en schoenen. De Bosschenaren noemden de organisatie daarom het Geefhuis. Ook in andere steden en dorpen stonden zulke geefhuizen. Rijke burgers richtten deze op omdat ze vanuit hun geloofsovertuiging vonden dat ze dit moesten doen. Ze organiseerden de hulp uit liefde voor God en daaraan verbonden naastenliefde. Het christendom was de basis van de armenzorg. Het Bossche Geefhuis richtte zich op drie kwetsbare doelgroepen. Allereerst waren dat alleenstaande werkloze moeders met kleine kinderen. Een tweede groep waren ouderen die geen werk hadden of niet meer konden werken. De derde groep bestond uit personen met een handicap. Zij waren bijvoorbeeld blind of misten een ledemaat. Veel arme Bosschenaren behoorden tot een van deze drie groepen. Als zij geen hulp konden krijgen via familie, vrienden of hun gilde was hun laatste redmiddel het Geefhuis. Op de plek waar vroeger het Geefhuis stond is nu de bibliotheek gevestigd.

       

In 1318 gaf hertog Jan III van Brabant de stad toestemming om haar vestingwerken uit te breiden was niet alleen voor de Bosschenaren van belang ’s-Hertogenbosch was de meest noordelijke vestiging van het hertogdom Brabant en daarom van groot strategisch belang. Door de nieuwe ommuring kwam ook de romaanse Sint-Jan binnen de stadsmuren te liggen.

     

1318

In de late middeleeuwen vormde zich rond de Sint Jan in ‘s-Hertogenbosch een groep clerici (geestelijken) en scolares (geestelijken in opleiding) die een genootschap oprichtte ter verering van Maria de Illustre Lieve Vrouwe Broederschap. In 1318 krijgt de Broederschap een officiële status met de goedkeuring van de Bisschop van Luik. De originele oprichtingsakte is nog steeds aanwezig

in de archieven van de Broederschap. Lang is aangenomen dat Gerardus van Uden de oprichter was  echter door recent onderzoek zijn hierover twijfels ontstaan. De leden komen samen in hun eigen kapel in de Sint Jansbasiliek om Maria te vereren de Illustre Lieve Vrouwe. Ook besteden zij tijd en aandacht aan de onderlinge solidariteit en hulpvaardigheid onder andere door het met regelmaat samen nuttigen van de broederlijke maaltijd. Vanaf 1372 breidt de Broederschap de activiteiten uit met armenzorg in de stad. Er konden ook leken toetreden tot de Broederschap. De broederschap groeide al snel uit tot een grote groep met leden in heel Europa. De broeders waren vaak rijke mensen die veel geld uitgaven om de Sint-Jan nog mooier te maken. Zo lieten ze de bekende kunstenaar Jeroen Bosch schilderijen voor hen maken. Ook werden er koorboeken met mooie tekeningen voor de broederschap gemaakt. Toen ’s-Hertogenbosch tijdens de Tachtigjarige Oorlog (1568-1648) in de handen viel van de protestanten bleven de Zwanenbroeders bestaan. In 1641 vroegen de protestanten zelfs om lid te worden. Vanaf die tijd bestaat de broederschap uit achttien katholieke en achttien protestantse leden. Een van de bekendste leden van de huidige broederschap is koning Willem-Alexander. Het Zwanenbroedershuis in de Hinthamerstraat is nu een museum en kan je nog altijd bezoeken. Het hoogtepunt van de activiteiten van de Zwanenbroeders is het jaarlijkse feest dat zij organiseren dat onder andere bestaat uit gezamenlijk eten, muziek en dans.

             

home

Vorige13456789Volgende

Website informatieGastenboek

Foto's copyright © bij groetenuitdenbosch.nl