Stadswandeling

 Geschiedenis

  De Historie van 's-Hertogenbosch

  Sint-Janskathedraal

  Het beleg van 's-Hertogenbosch 1629

  De bevrijding Oktober 1944

  Oeteldonk

 Binnendieze

 Sint-Janskathedraal

 's-Hertogenbosch

 Straten en Stegen

 Vestingstad in het groen

 Bossche wijken

 Oeteldonk

 Evenementen

  

       

Geschiedenis

De Historie van 's-Hertogenbosch

       

1356

In 1356 kocht de edelman Jan Oem van Arkel een flink stuk grond in Bokhoven dat nu onderdeel is van de gemeente ’s-Hertogenbosch. Hij liet er een kasteel bouwen waarmee hij zijn grond goed kon verdedigen tegen vijanden. Maar een indrukwekkend kasteel was niet altijd veilig ontdekten de bewoners na hem. Zeker niet toen de hertog van Gelre aanviel met

kanonnen. Hier liet hij een kasteel bouwen voor zijn gezin. De hoofdburcht was opgebouwd uit een woontoren met muren van anderhalve meter dik, een kleinere poorttoren, een zaal en een binnenplaats. Een bijzonder feitje is dat elk belangrijk vertrek een soort eigen toilet kreeg, ook wel privaat genoemd. Dit was een grote luxe in die tijd. Dankzij opgravingen weten we nu meer over de bouw van het kasteel en hoe het leven op het kasteel eruitzag. Vondsten als een tinnen kan, zilveren lepels en een vleesvork vertellen veel over de rijkdom van zijn bewoners.

            

1380

In 1380 wordt met de bouw van de gotische Sint-Jan begonnen. De romaanse kerk wordt voorlopig gehandhaafd. Het ontwerp van de gotische kerk is van Willem van Kessel. Hij was als bouwmeester aan de Sint-Jan verbonden van ongeveer 1380 tot 1407 mogelijk zelfs nog tot aan zijn dood omstreeks 1425. Op dat moment zijn het hoogkoor, de kooromgang en de straalkapellen

voltooid. Gotiek is een bouwstijl die in de loop van de twaalfde eeuw in Noord Frankrijk ontstond. Door toepassingen van spitsbogen en kruisgewelven werd in de nieuwe kerken de stabiliteit van het bouwwerk flink vergroot. Tegelijkertijd werd bereikt dat het gewicht niet meer op de gehele breedte van de muur drukte maar zich op enkele punten concentreerde. Om de druk op die punten te ontlasten bracht men aan de buitenzijde van koor en schip luchtbogen aan. Nu de muren niet langer nodig waren om het gewicht van daken en gewelven te torsen konden er grote ramen in worden gemaakt. De kerken werden zo hoger ruimer en lichter.

    

In dezelfde tijd wordt in de bouwloods van de kerk een oud Mariabeeld gevonden. Als zich rondom dit beeld enkele mirakelen voordoen groeit Den Bosch uit tot bedevaartsplaats naar de Zoete Lieve Vrouw. In de kapel van de Zoete Lieve Vrouw van Den Bosch is het Mirakelboek te zien waarin de wonderen zijn opgetekend die zich rond Maria hebben voorgedaan. In een gedicht dat voorafgaat aan de beschrijving van de wonderen is te lezen dat omstreeks 1380 een oud Mariabeeld werd gevonden in een steenhouwerloods bij de kerk. Het ondervond niet veel waardering er waren zelfs mensen die het bespotten. Tegelijkertijd deden zich echter wonderbaarlijke gebeurtenissen voor die aan de tussenkomst van Maria werden toegeschreven. Het beeld werd daarop geheeld hersteld en geplaatst in de kapel die ruim zes eeuwen later nog steeds dienst doet als Mariakapel.

     

De stad 's-Hertogenbosch ligt in een uithoek van het hertogdom Brabant dat is er waarschijnlijk de oorzaak van geweest dat de hertogen slechts

zelden voor een langere tijd binnen haar vestingmuren verbleven. Een echte residentie hebben zij er nooit gehad Hertog Anton heeft daartoe wel een serieuze poging gedaan in 1410 laat hij een burcht bouwen in het noordoostelijke deel van de stad ter hoogte van de huidige sluis O en het bastion Anthonius. Henric Oebkens gaat de bouw leiden hij werkt er enige jaren aan in ieder geval tot 1415 het overlijdensjaar van de hertog maar het kasteel wordt niet afgebouwd. Honderd jaar later in 1515 krijgt de stad  toestemming de resten van het kasteel te mogen gebruiken om de stadswallen te versterken dit gebeurt het Anthoniusbolwerk wordt gebouwd.

      

In 1413 wordt de Sint-Jan door de paus officieel gescheiden van de Sint-Salvatorkerk in Orthen. De Sint-Jan was toen allang groter dan de moederkerk van Sint-Salvator maar had nog steeds geen eigen leiding na de uitspraak van de paus kreeg ’s-Hertogenbosch eindelijk een eigen pastoor de parochie van Sint-Jan omvat op dat moment het gehele gebied binnen de vestingmuren.

     

1419

Op 30 april 1419 breekt er een grote stadsbrand uit ontstaan op het Hinthamereinde waarschijnlijk in het huis 'De Valk'. Het grootste deel van het Hinthamereinde, de

Hinthamerstraat en een zijde van de Markt gaan in vlammen op door de brand zijn vernield of hebben grote schade opgelopen o.a. het Geefhuis, het Predikherenklooster en het Ziekengasthuis er hebben 112 mensen het leven verloren bij deze brand.

       

1426

Op de huidige Parade bevond zich sinds het einde van de 13e eeuw het Groot Begijnhof. Het was bestemd voor ongehuwde vrouwen die ervoor kozen een religieus leven te leiden. De begijnen legden een tijdelijke gelofte van gehoorzaamheid af maar geen gelofte van armoede zoals bij kloosterlingen. Ze voorzagen in hun eigen onderhoud met het geven van onderwijs of handwerken. Eind 13e

eeuw wordt het al genoemd in de archieven. Oorspronkelijk woonden enkele begijnen samen in een huis nabij de huidige Choorstraat. Daaruit heeft zich waarschijnlijk het Groot Begijnhof ontwikkeld. Het was veel groter dan de huidige Parade het liep helemaal door tot aan de Binnendieze bij de Papenhulst en de Triniteitstraat. Hoeveel begijnen er woonden is niet helemaal zeker maar volgens een haardentelling uit 1526 woonden er toen zo’n 160 vrouwen in kleine huisjes. Het begijnhof was volledig ommuurd het leek eigenlijk wel een stadje binnen de stad. In 1274 werd het zelfs een zelfstandige parochie met een eigen kerk de Sint-Nicolaaskerk. Om die kerk heen lag het eigen kerkhof van de begijnen. Bij de overgave van de stad in 1629 werd bepaald dat het Begijnhof mocht blijven bestaan totdat de laatste begijn gestorven was. Dat was in 1675 het geval bijna vijftig jaar later. Toen haar dood eenmaal een feit was, ontstonden er hevige geschillen over de eigendom van deze terreinen. Deze geschillen duurden tot 1721. Toen werd beslist dat een gedeelte staatseigendom werd en dat de rest met gebouwen de gemeente zou toebehoren. Althans onder bepaalde condities waarvan het Geefhuis profiteerde. Op het eerste gedeelte werden in 1741 en volgende jaren de stallen der veldartillerie gebouwd. In 1749 liet de Regering van 's-Hertogenbosch de haar toegekende gebouwen slopen met uitzondering van het pastoorshuis dat stond op de hoek van de Peperstraat. Het vrijgekomen terrein deed men inrichten tot een paradeplaats waar vroeger de markt voor werd gebruikt. Wat genoemd pastoorshuis betreft dat is in 1856 gesloopt.

                         

1442

Op 26 november 1442 stichten de executeurs-testamentair van de op 19 november 1439 overleden Reinier van Arkel een gasthuis voor zinneloze. De volgende dag leest notaris Rutger van Arkel de door hem opgemaakte stichtingsakte voor aan de executeurs de gezamenlijke buren en de vuurmeesters van het Hinthamereinde waar het gasthuis gevestigd zal worden. Het zinnelooshuis

is alleen bedoeld voor die krankzinnigen die gevaar opleveren voor zichzelf of voor anderen het volgend jaar (1445) geven de Bossche schepenen toestemming tot de oprichting van dit gasthuis. De bestuurders worden verplicht ieder jaar op vrijdag vóór Palmzondag rekening en verantwoording af te leggen in aanwezigheid van de schepenen. Reinier van Arkel is momenteel het oudste psychiatrisch ziekenhuis van Nederland. Onze naamgever Reinier van Arkel was ons ver vooruit. Hij streefde al naar inclusie en maatschappelijk meedoen. De uitvoerders van zijn testament realiseerden zich dat samenwerking met ‘geburen’ (de wijk) en het stadsbestuur hiervoor voorwaardelijk waren. Het eerste gasthuis in 1442 bood plaats aan zes ‘sinnelosen’ mensen die hun zinnen niet meer de baas waren en die men ‘van noetewegen, spannen, bynden en de sluyten moet’. Buurt en stad werden vanaf het eerste moment betrokken op dat zij zich zouden committeren aan de vestiging en de gezamenlijke verantwoordelijkheid voor de zorg aan deze burgers. Zo is Reinier van Arkel ‘door de eeuwen heen geworteld in de stad Den Bosch en regio De Meierij vanuit onze diepe overtuiging dat nabijheid zorg voor de ander en maatschappelijk erbij horen en meedoen bijdragen aan gezondheid en een betere samenleving. Mensen met een ernstige psychische kwetsbaarheid zó ondersteunen dat zij op een voor hen betekenisvolle wijze kunnen deelnemen aan de maatschappij is waar we voor staan.

            

1450

Jeroen Bosch was in de late middeleeuwen een beroemd schilder. Hij woonde en werkte in 's-Hertogenbosch. Zijn schilderijen waarschuwden dat mensen zich moesten gedragen als goede christenen anders liep het niet goed met ze af. Hij schilderde vaak de hel, met duivels, monsters en andere vreemde wezens. Jeroen Bosch had een unieke schilderstijl. Zijn schilderijen zijn tot op

de dag van vandaag over heel de wereld geliefd. Jeroen Bosch heette eigenlijk Jeroen van Aken maar noemde zichzelf als schilder Jeroen Bosch. Hij woonde en werkte zijn hele leven in ’s-Hertogenbosch. Dit was ten tijde van de middeleeuwen een rijke stad wat niet alleen handelslieden maar ook kunstenaars aantrok. Dankzij de rijkdom van de stad kon een schilder als Jeroen Bosch carrière maken. Hij hield zijn atelier midden in de stad aan de Markt. Hier maakte hij samen met zijn leerlingen zijn schilderijen. Die schilderijen zijn ook het enige wat we van hem kennen. Over hoe zijn leven er verder uit heeft gezien is weinig bekend. Op de schilderijen van Jeroen Bosch nemen religieuze onderwerpen een belangrijke plaats in. Religie speelde in die tijd een grote rol in het dagelijks leven van mensen. Jeroen Bosch was lid van de Illustere Lieve Vrouwe Broederschap waarvan de leden ook wel Zwanenbroeders werden genoemd. De broederschap was opgericht in ’s-Hertogenbosch en groeide eind vijftiende begin zestiende eeuw uit tot een genootschap met wel 15.000 leden in heel Europa. De mensen die zijn kunst konden betalen wilden de buitenwereld maar al te graag laten zien dat ze gelovige christenen waren. Ze lieten schilderijen maken waarin religieuze onderwerpen de hoofdrol speelden. Jeroen Bosch wilde aan de hand van zijn kunst laten zien dat je als een goed christen moest leven. Anders kon het na je dood weleens verkeerd met je aflopen en zou je in de hel belanden! Hij schilderde zijn voorstelling van die hel. Op zijn schilderijen zie je talloze monsters, duivels en vreemde wezens. Zijn bekendste werk is het drieluik De tuin der lusten. Daarop is onder andere links de schepping te zien en rechts de hel. Ook is er bovenaan een stadsbrand zichtbaar. Als kind had Jeroen Bosch waarschijnlijk de grote stadsbrand van 1463 meegemaakt. Bij deze brand gingen ongeveer vierhonderd Bossche huizen in vlammen op.

             

1463

In 1463 woedde in het westelijk deel van ’s-Hertogenbosch een grote brand die enorme schade veroorzaakte. De kroniekschrijver Molius meldt de verwoesting van 4000 huizen. Dat aantal is natuurlijk overdreven maar archeologisch en bouwhistorisch onderzoek laat wel zien dat de verwoesting groot moet zijn geweest. Vondsten uit het klooster van de Minderbroeders getuigen van de ramp.

Op 13 juni 1463 brak door onvoorzichtigheid van een lakenverver brand uit in het huis ‘De Groote Ketel’ aan de Verwersstraat. Dit pand stond waar nu het voorplein is van Het Noordbrabants Museum. Aangewakkerd door de wind breidde de brand zich naar het noordwesten uit. Aan de Markt brandde het stadhuis (gedeeltelijk) af ten noordwesten daarvan verwoestten de vlammen het Minderbroederklooster en nog weer noordelijker gingen huizen langs de Postelstraat in vlammen op. Het is goed mogelijk dat de brand zich ook nog heeft uitgebreid naar het westen en noorden maar we hebben daarvoor geen archeologische aanwijzingen. De historische bronnen spreken over een ramp van ongekende omvang. Er zouden 4000 huizen afgebrand zijn de materiële schade was enorm en veel mensen en dieren kwamen om. Ook al is het aantal afgebrande huizen overdreven het is waarschijnlijker dat zo’n 400 huizen zijn verwoest de ramp was voor stad en bewoners enorm. Dat blijkt uit de maatregelen die het stadsbestuur na de brand nam. En dat de brand heel hevig is geweest blijkt wel uit de vondsten uit het Minderbroederklooster. Bij de opgraving van dit klooster vonden de archeologische

onderzoekers een 30 cm dikke brandlaag met veel as en houtskool, verbrande lei en leem, puin en huisraad. De leien van het dak waren zelfs vervormd en samengeklit tot één klomp. Het geeft aan dat er een vuurstorm moet hebben gewoed met temperaturen van meer dan 1000 graden Celsius! Gesmolten leien, verkoolde balken, verbrande leem de conclusie is wel dat het hele klooster afgebrand is. Tengevolge van de stadsbrand van juni j.l. verbiedt het stadsbestuur de bouw van huizen met daken van riet of stro. Van de overige huizen moeten binnen tien jaar het riet of stro vervangen worden door lei of tegels. Ter aanmoediging wordt er een premie op gezet voor iedere roede lei 40 stuivers en voor iedere roede tegels 24 stuivers om dit te bekostigen worden de accijnzen op bier, wijn en mede verhoogd.

       

1482

De Bossche Barbara Disquis trad in 1497 op vijftienjarige leeftijd toe tot het Sint-Geertruiklooster in ’s-Hertogenbosch. Ze was niet zomaar een non, ze was

de buitenechtelijke dochter van de Habsburgse keizer Maximiliaan I. De keizer zocht zijn dochter af en toe op. Eenmaal kwam hij zelfs op bedevaart naar ’s-Hertogenbosch. Door de enorme hoeveelheid kerken en kloosters stond de stad bekend als ‘Jong Rome’. Barbara Disquis werd geboren in 1482. Haar vader was de keizer Maximiliaan I. Hij had in mei 1481 een bijeenkomst van de Orde van het Gulden Vlies in ’s-Hertogenbosch voorgezeten. In die tijd zal hij de moeder van Barbara ontmoet hebben. Ze was een gravin uit Duitsland, maar we weten niet hoe zij heette. Barbara trad als tiener toe tot het Sint-Geertruiklooster in 's-Hertogenbosch. In dit klooster verbleven veel dochters uit adellijke kringen. Veel van de

kloostergeschiedenis staat beschreven in de Kroniek van het Sint-Geertruiklooster te ’s-Hertogenbosch. Vier verhalen in dit boek gaan over Barbara Disquis. Hierin staat onder meer beschreven dat haar vader Maximiliaan haar bezocht. In 1504 ontmoette ze ook haar halfbroer Filips de Schone. Een van de bezoeken van Maximiliaan vond plaats toen hij op bedevaart was in ’s-Hertogenbosch. De stad was destijds een belangrijk bedevaartsoord. Mensen kwamen hier speciaal naartoe om het houten Mariabeeld de Zoete Lieve Vrouw ook wel Zoete Moeder genoemd te vereren. Zij werden pelgrims genoemd. Tijdens zijn pelgrimage schonk Maximiliaan veel geld aan het Sint-Geertruiklooster. Giften als deze waren een belangrijke inkomstenbron voor kloosters. Wat Barbara Disquis nog heeft meegemaakt van deze onrust is onbekend. In 1568 overleed zij. In de beerput van het Sint-Geertruiklooster is een beker teruggevonden waar Maximiliaan in het midden is afgebeeld met aan beide zijden kandidaten voor zijn opvolging in 1519. Uiteindelijk werd de strijd om de opvolging gewonnen door Barbara’s neef Karel V. Mogelijk laat de beker zien dat Barbara op afstand hierbij betrokken is geweest.

                         

In het begin van de zestiende eeuw wordt herhaalde malen gevochten met Gelre. In 1507 komt de vorst van Anholt met een leger op verzoek van 's-Hertogenbosch om het slot Poederoyen te veroveren dit slot aan de overzijde van de Maas gelegen vormt een bedreiging van de stad. De vorst brengt twaalf stukken grof geschut mee bijgenaamd 'de twaalf apostelen'. Hij valt de burcht aan met hulp van Bosschenaren en dwingt deze tot overgave.

       

1511

Om de vijand flink schrik aan te jagen wilde het stadsbestuur graag een superwapen hebben. De smid Jan Fick uit Keulen kreeg in 1511 de opdracht om een enorm kanon te maken dat tot in Zaltbommel kon schieten. Het werd een indrukwekkend gevaarte van zes meter lang van gesmeed ijzer en met een drakenkop aan de voorkant. In de loop staat de naam gegraveerd Stuerghewalt. Dat

klinkt als ‘stoer geweld’ maar betekent zoiets als ‘sterke macht’. Helaas was het kanon geen succes. De smid Jan Fick had twee jaar nodig gehad om het kanon te maken. Daarna volgde een testfase het kanon moest ‘ingeschoten’ worden. Maar het kanon bleek helemaal niet te kunnen schieten de ene na de andere kogel kwam er in stukken uit. Fick zag de bui al hangen en vertrok snel weer naar Keulen. Onder druk van een rechtszaak en het stadsbestuur van Keulen betaalde ’s-Hertogenbosch alsnog zijn rekening. Dat was overigens pas in 1532. Het kanon is dus nooit gebruikt in een oorlog. De strijd met Gelre werd met andere wapens voortgezet. In 1528 sloten Habsburg en Gelre vrede. Maar de vrede was niet van lange duur. In 1542 plunderden de Geldersen onder leiding van de gevreesde legeraanvoerder Maarten van Rossum het Brabantse platteland en bedreigden zelfs ’s-Hertogenbosch. Ze werden uiteindelijk verslagen door een grote troepenmacht van keizer Karel V. In 1543 werd opnieuw vrede gesloten nu blijvend.

         

In 1516 overlijdt de schilder Jeroen Bosch in zijn geboortestad 's-Hertogenbosch. Over het leven van deze beroemde schilder wiens werk over de hele wereld verspreid is weinig bekend in 1480/81 komt zijn naam voor het eerst voor in de rekeningen van de Illustre Lieve Vrouwe Broederschap. In 1486/87 geeft hij zich op als buitenlid van deze broederschap om in 1488 gezworenlid te worden. Op 9 augustus 1516 wordt hij begraven de begrafenis wordt betaald door de broederschap zoals gebruikelijk voor gezworenbroeders.

            

home

Vorige12456789Volgende

Website informatieGastenboek

Foto's copyright © bij groetenuitdenbosch.nl