|

|
|
Geschiedenis
De Historie van
's-Hertogenbosch
|
|

|
Het schilderij De
Lakenmarkt uit 1525 is
een van de oudste
bewaard gebleven
Nederlandse
stadsgezichten. Het laat
goed zien dat
’s-Hertogenbosch een
drukke handelsstad was.
In de dertiende en
veertiende eeuw groeide
’s-Hertogenbosch zelfs
uit tot een van de
grootste steden van de
Nederlanden. Kleinere
steden en dorpen rondom
de stad waren
afhankelijk van de
producten die in |
’s-Hertogenbosch gemaakt en verhandeld werden. Op het schilderij is de Markt
van ’s-Hertogenbosch te zien. Naast de handel was de nijverheid een pijler
onder de stedelijke welvaart van de late middeleeuwen. In Den Bosch werkten
honderden leerbewerkers en speldenmakers en tot in Spanje weerklonk de goede
reputatie van de messenmakers uit die stad. Textiel was echter bijna overal
in Brabant het belangrijkste product. Aanvankelijk stonden op de
weefgetouwen vooral zware wollen ('lakense') stoffen vanaf de vijftiende
eeuw werd ook de linnenweverij van belang. De prominente rol van de
lakennijverheid in de Brabantse steden en daarmee ook die van de stedelijke
gilden komt heel goed tot uiting in deze voorstelling van de lakenmarkt in
's-Hertogenbosch die inmiddels zo vaak is afgebeeld dat hij bijna een icoon
is geworden van een stad in de middeleeuwen. Een van deze afbeeldingen is
een paneel van een anonieme schilder uit de eerste helft van de zestiende
eeuw, vermoedelijk omstreeks 1530 geschilderd in opdracht van het gilde van
de lakenkopers. Dat kan tenminste worden afgeleid uit de achterzijde van het
paneel waar een geopende schaar is afgebeeld als symbool van het gilde.
Misschien is het schilderij gemaakt voor hun gildealtaar in de Sint-Jan of
anders voor het klooster van de minderbroederfranciscanen waar ze gewoonlijk
vergaderden. Op de voorgrond is immers Sint-Franciscus afgebeeld als
patroonheilige terwijl hij textiel uitdeelt aan de armen. In 1842 werd het
paneel door een particulier geschonken aan het Provinciaal Genootschap van
Kunsten en Wetenschappen. Zo kwam het terecht in het Noord-Brabants Museum.
Behalve als symbool van de stedelijke nijverheid is het schilderij ook
topografisch van belang. Het is een van de oudste stadsgezichten die in de
Nederlanden bewaard zijn gebleven en zonder meer de belangrijkste
voorstelling van ‘s-Hertogenbosch in de middeleeuwen. De schilder heeft de
Markt weergegeven vanuit de Kerkstraat in de richting van de Hooge Steenweg.
Het perspectief is natuurlijk erg onbeholpen maar de details van de
bebouwing zijn nauwkeurig weergegeven en elk pand is afzonderlijk te
herkennen. Bovenaan is bijvoorbeeld duidelijk de rode trapgevel van het huis
De Roodenburch te zien en iets links daarvan De Moriaan met zijn
karakteristieke hoektorentje. Midden links is de waterput herkenbaar met
daarnaast een Mariakapelletje. De kramen op de voorgrond staan in rijen
opgesteld precies zoals het stadsbestuur het voor de donderdagse weekmarkt
verordend had. Iedereen wist zo waar je moest zijn voor de verschillende
producten en ook dat de lakense stoffen bij het Lieve-Vrouwe huisken van
mindere kwaliteit waren dan de goede lakens in de stalletjes op de eerste
rij. Behalve de lakenkopers en de boeren en boerinnen met hun boter en
eieren op de voorgrond waren er op de wekelijkse markt veel meer ambachten
die hun producten aan de man brachten
|
|
zoals schoenmakers, touwslagers, mandenmakers, messenmakers, speldenmakers
en zo meer. Maar de schilder die immers werkte voor de lakenkopers had
daarvoor natuurlijk geen oog.
In veel huizen rondom de Markt woonden handelaren die daar vaak ook hun
werkplaats hadden. Dat was gemakkelijk want zo konden ze hun gemaakte
producten voor hun huis uitstallen en meteen verkopen. Ambachtslieden hadden
in hun werkplaats veel licht nodig en daarom hadden hun huizen veel ramen.
Op het schilderij De Lakenmarkt is te zien hoe de laatmiddeleeuwse huizen
eruitzagen. Er zijn veel huizen met een stenen gevel te zien, maar de meeste
huizen in de stad hadden een houten gevel. Behalve voor de gevels werd hout
ook gebruikt voor de vloeren van de verdiepingen en voor het dak. Het was
namelijk ruim beschikbaar als bouwmateriaal. Daarnaast was het bouwen van
grote ramen makkelijker met hout dan met steen. Wel waren de fundering, de
kelder en de zijmuren van de huizen van baksteen.
|

|
Voor de
verdediging van 's-Hertogenbosch in
1528
tegen de Geldersen wordt de stad verder versterkt onder andere wordt
een nieuwe Sint-Janspoort
aangelegd. De strijd |
tussen
Brabant en Gelder wordt verhevigd bij
de belegering
van het
Gelderse Tiel zijn er zoveel gewonden dat het Groot Gasthuis, het H.
Geesthuis en het klooster van
de Zusters van Orthen vol liggen. Als de belegering opgeheven moet
worden ligt de Meierij weer open voor Gelderse plunderaars in
oktober wordt een vredesverdrag getekend. Op bevel van Brussel
moeten in 1542
de stadsmuren versterkt worden met een aarden wal van 24 voet
breedte
|
hierdoor moeten meer dan 200 huizen en huisjes afgebroken worden.
Voorts
moeten alle bomen
binnen een zekere afstand van de muren gekapt worden ook het
klooster Baseldonk moet
van het stadsbestuur afgebroken worden teneinde de
vijand Maarten van Rossum geen gelegenheid te geven zich te verschansen. Het
klooster zal verplaatst worden naar de Windmolenberg, maar voorlopig
nemen de kloosterlingen hun intrek in het rijke fratershuis. In 1543
ligt Maarten van Rossum voor 's-Hertogenbosch en eist de stad op de
Bosschenaren geven antwoord door de boodschapper dood te schieten.
Van Rossum trekt weg en verbrandt uit wraak de Reut en Vught.
|

|
Koning Philips II de
heer van de Nederlanden
wilde het ware
katholieke geloof
handhaven. Dat zag hij
als één van zijn
voornaamste taken. Hij
wilde het toezicht op
gelovigen en
geestelijken verbeteren
en zijn greep op De
Nederlanden versterken.
Daarom besloot de vorst
in samenspraak met de
Paus in Rome op 12 mei
1559 tot de instelling
van maar liefst veertien
nieuwe bisdommen in zijn
|
Nederlandse gebieden.
Daaronder behoorde
ook het bisdom van
's-Hertogenbosch als
onderdeel van het nieuwe aartsbisdom Mechelen.
De nieuwe bisschop van
's-Hertogenbosch kreeg de Sint-Janskerk toegewezen als zijn kathedraal waardoor het
collegiaal kapittel werd verheven tot de rang van kathedraal kapittel. De
eerste bisschop van 's-Hertogenbosch was Franciscus Sonnius.
|
|

|
Op 3 augustus 1561
maakten veertien
Brabantse
rederijkerskamers hun
opwachting voor de
Antwerpse Keizerspoort.
Zij zouden de
daaropvolgende weken
deelnemen aan de
slotwedstrijd van het
Brabantse landjuweel die
al in 1515 van start was
gegaan. Het Antwerps
concours vormt in
velerlei opzichten een
mijlpaal in de toneel-
en
literatuurgeschiedenis
van de Nederlanden.
Nooit eerder |
konden zoveel dichters
in zo’n korte tijdspanne zo’n verscheidenheid aan genres aan zoveel
geïnteresseerden tegelijk presenteren.
De rederijkerskamer
Moyses Vierighe Bosch
wint het
Antwerpse Landjuweel het
grootste ooit gehouden
de eerste prijs met het
esbattement 'Den Patroon
van den Alvinnen' deze
grote eer wekt bij
andere kamers veel
weerstand omdat Moyses
Bosch een betrekkelijk
jonge kamer is. Bij
terugkomst in
's-Hertogenbosch worden
de spelers op grootse
wijze door overheid en burgers
ontvangen
Moyses Bosch is nu aan de beurt om een landjuweel te organiseren
door de politieke onrust en de opstand zal het er echter niet van komen. |
|

|
In 1566 breekt de
Beeldenstorm uit in
's-Hertogenbosch de Sint
Jan wordt daarbij
ernstig beschadigd ook
de andere kerken,
kloosters en kapellen
hebben te lijden onder
de aanvallen. De
zestiende eeuw was een
roerige tijd in Europa.
Er waren veel opstanden,
conflicten en oorlogen.
Ook in ’s-Hertogenbosch
waren mensen ontevreden
over de katholieke kerk
en het stadsbestuur. |
Een deel
van de Bosschenaren werd
protestant een nieuw
geloof in die tijd. Dit
zorgde voor veel onrust
in ’s-Hertogenbosch en
omgeving. De onrust
begon al in de eerste
helft van de zestiende
eeuw. De Nederlanden
hoorden bij het Habsburgse rijk dat heel
veel oorlogen voerde. In
1525 werd het
stadsbestuur van
’s-Hertogenbosch
opgedragen om nieuwe
belasting in te voeren.
De Bosschenaren moesten
zo meebetalen aan de
dure oorlogen in Europa.
Eén op de negentien
inwoners van
’s-Hertogenbosch was
echter kloosterling. Zij
hoefden geen belasting
te betalen. De andere
Bosschenaren waren hier
erg boos over. De
ambachtsgilden wilden
opkomen voor deze
burgers. Zij hadden
macht in het
stadsbestuur en konden
zo de kloosters onder
druk zetten. Als de
kloosters niet wilden
meebetalen zouden de
gilden de kloosters niet
langer beschermen. Maar
de kloosters wilden nog
steeds niets afdragen.
Hierop gingen
ambachtslieden
protesteren. Dit werd
ook wel ‘krijten’
genoemd. De Bossche Krijters plunderden
kloosters in de omgeving
van ’s-Hertogenbosch. Zo
stalen ze in Vught
kloosterbier, boter en
haring. Uiteindelijk
stopte het leger de
opstand. De
ambachtsgilden verloren
vervolgens hun macht in
het stadsbestuur. Maar
de onvrede over de
katholieke kerk bleef.
Een nieuw geloof het
protestantisme kreeg
steeds meer aanhangers
in verschillende delen
van de Nederlanden. De
protestanten hadden
kritiek op de rijkdom
van de katholieke kerk
en de verering van
heiligenbeelden. In 1555
verbood de nieuwe Habsburgse koning Filips
II het protestantse
geloof. Omdat de
protestanten geen eigen
kerk mochten hebben
luisterden ze stiekem in
de openlucht naar
predikers. Deze
bijeenkomsten werden
hagenpreken genoemd. Op
het houden en luisteren
naar hagenpreken stonden
zware straffen.
Hagenpredikers konden
zelfs de doodstraf
krijgen. Op 10 augustus
1566 werd na een
hagenpreek in een dorpje
in Zuid-Vlaanderen een
klooster bestormd en
werden veel
heiligenbeelden
kapotgemaakt. Dit was
het begin van een
maandenlange
Beeldenstorm in de
Nederlanden. Ook in
Engelen, Rosmalen en
’s-Hertogenbosch vond
dit plaats. Op 22
augustus trokken
protestanten naar de
Sint-Jan in
’s-Hertogenbosch en
sloegen daar vele
beelden en altaren stuk.
Ook werd de kathedraal
tijdelijk overgenomen
zodat de protestanten
hier hun eigen
erediensten konden
houden en hun kinderen
konden dopen. Eén
klooster blijft
gespaard het is het
klooster van de Alexianen
juist dit jaar hebben
zij de zorg voor de
weeskinderen op zich
genomen juist daarom
worden zij gespaard.
Toen in oktober 1566
strenge straffen tegen
de protestanten
dreigden leidde dit tot
een nieuwe Beeldenstorm.
Nog meer kloosters
werden vernield en
geplunderd. Een half
jaar later greep koning
Filips II hard in.
Zestien beeldenstormers
werden terechtgesteld en
tweehonderdvijftig
protestanten werden
verbannen. |
|

|
Michael van Ophoven
beter bekend als
Ophovius werd geboren
als tweede zoon van
Hendrik Peters van
Ophoven en Henrica
Hendriks van Ophoven en
ontving vermoedelijk op
22 januari 1570 het
doopsel in de
Sint-Janskathedraal te
's-Hertogenbosch. Hij
overleed op 4 november
1637 in de Refugie van
Sint-Bernards te Lier en
werd op 5 januari 1638
begraven in de
Dominicanenkerk |
te Antwerpen. Michael
Ophovius groeide met nog vier broers en drie zusters op in een godvruchtig
gezin waarvan de ouders een weverij exploiteerden en nering dreven in
linnengoed. Reeds op jeugdige leeftijd bestemd voor het geestelijk ambt
ontving Michael zijn eerste onderricht in de humaniora aan de Latijnse
School van de Broeders des Gemenen Levens. Wilhelmus Lindanus (1525-1588)
bisschop van Roermond die op verzoek van de landvoogd Alexander Farnese
(1545-1592) tijdelijk de zorg voor het verweesde bisdom 's-Hertogenbosch op
zich had genomen diende hem op 2 november 1583 de tonsuur toe ten teken van
zijn opname in de geestelijke stand. In het najaar van 1585 trad Ophovius in
in het klooster van de Dominicanen te Antwerpen. Een jaar later deed hij
professie waarna hij onderricht volgde in wijsbegeerte en godgeleerdheid
eerst te Antwerpen en na zijn wijding tot subdiaken in 1590 te Leuven. In
deze stad ontving hij op 30 maart 1591 de diaken en op 13 maart 1593 de
priesterwijding beide malen uit handen van Joannes van Strijen die
president was van het Leuvense Collegium Regium. Michaels begaafdheid werd
door zijn superieuren al spoedig onderkend. Reeds vóór zijn wijding tot
priester werd hij aangesteld tot lector in het Leuvense studiehuis van zijn
orde waar hij tot 1597 filosofie en theologie doceerde. Vervolgens zond men
hem naar Bologna om aan de Dominicaanse Universiteit zijn eigen theologische
studies voort te zetten. De graad van licentiaat werd hem op 23 december
1599 te Rome door de magister-generaal van de Dominicanen verleend. Tien
jaar later zouden zijn theologische studies definitief worden bekroond met
de graad van Magister de hoogste die een lid van de Orde van de H.
Dominicus zich in een leven van studie kon verwerven. Teruggekeerd in
Antwerpen maakte Michael spoedig carrière. Hij werd inquisiteur in het
bisdom Antwerpen (1601), prior van het Antwerpse klooster (1608), definitor
(1610) en provinciaal (1611). In deze laatste hoedanigheid droeg hij zorg
voor het herstel van de kloostertucht in zijn provincie, blies hij het
college voor hogere studiën van zijn orde te Douai nieuw leven in en richtte
hij een nieuw klooster annex Latijnse school op te Lier. De missie in de
gebieden die onderworpen waren aan de Staten-Generaal ging hem zeer ten
harte en tijdens de Generale Kapittels van zijn orde te Rome in 1601 en 1612
had hij dienaangaande met de pausen Clemens VIII en Paulus V gesproken. Dit
had tot gevolg dat hij in 1615 benoemd werd tot prefect van de Dominicaanse
Missie in de Hollandse Zending in 1622 uitgebreid met Denemarken en
Noorwegen een functie waaraan hij gedurende acht jaar zijn beste krachten
zou geven. Herinneringen aan zijn jeugd toen een calvinistische minderheid
de in meerderheid katholiek gebleven bevolking van 's-Hertogenbosch korte
tijd tussen eind 1577 en 2 juni 1579 haar wil had opgelegd moeten hem in
deze periode helder voor ogen hebben gestaan. Zijn taak werd nog verzwaard
door de zorg voor de nieuwe gemeenschap te Lier die hem in 1616 tot prior
koos en voor het Antwerpse klooster waar hij in 1617 en 1620 eveneens tot
deze waardigheid werd beroepen. In 1623 viel tijdelijk het doek over de
drukke bezigheden van Ophovius. Bij gelegenheid van een bezoek aan zijn
geboortestad waar kort tevoren zijn oudste broer Nicolaas was overleden
belastte aartshertogin Isabella met wie hij levendige contacten onderhield
hem met een precaire zending. De aartshertogin was door brieven in de waan
gebracht dat de gouverneur van de Staatse vestingstad Heusden niet
ongenegen zou zijn om de vesting aan de Spanjaarden over te dragen. Voorzien
van een paspoort van de Staten-Generaal voor particuliere doeleinden begaf Ophovius zich naar Heusden om Isabella's voorstel aan de gouverneur over te
brengen. Deze toonde zich hierover uitgesproken verontwaardigd en stelde de
drager van het bericht in staat van arrest. Na enkele weken werd Ophovius
overgebracht naar 's-Gravenhage waar hij gedurende eenentwintig maanden
geïnterneerd werd in de Gevangenpoort en het gevaar liep om tot de doodstraf
te worden veroordeeld. Isabella mobiliseerde zowel in binnenland als buitenland
de nodige hulpkrachten en onder internationale druk herkreeg Ophovius op 26
november 1624 zijn vrijheid. Ten dele om hem schadeloos te stellen voor de
rampspoed die hem in haar dienst ten deel was gevallen maar vooral om zijn
grote kwaliteiten en verdiensten op religieus gebied droeg Isabella Ophovius die in 1625 voor de vierde maal prior van het Antwerpse klooster
was geworden voor voor de vacant geworden zetel van het bisdom
's-Hertogenbosch. Deze nominatie werd zowel door Spanje als door Rome
goedgekeurd en op zondag 13 september 1626 werd Ophovius in de Antwerpse
kathedraal tot bisschop gewijd. Op 30 oktober hield hij zijn plechtige
intocht in zijn zetelstad als zesde bisschop van 's-Hertogenbosch. Hij was
de eerste bisschop die sedert de oprichting van het bisdom in 1559 binnen de
grenzen ervan was geboren. In zijn nieuwe waardigheid toonde Ophovius zich
opnieuw een onvermoeibaar werker. Hij visiteerde kerken, kloosters en
kapittels in zijn diocees en woonde vergaderingen bij van de bisschoppen van
de kerkprovincie Mechelen waarvan zijn bisdom deel uitmaakte. De hem
toegemeten tijd zou echter te kort blijken. In de nacht van 30 april op 1
mei 1629 sloegen Staatse
troepen onder aanvoering
van Frederik Hendrik het
beleg voor
's-Hertogenbosch dat
zich op 14 september
genoodzaakt zag te
capituleren. Ophovius
had zowel bij de
verdediging als
|
bij de
onderhandelingen met de
prins een prominente rol
gespeeld. Zijn
handtekening prijkt als
eerste van Bossche zijde
onder het
capitulatieverdrag.
Ophovius deed wat hij
kon om nu het katholieke
geloof niet langer in
vrijheid kon worden
beleden de continuïteit
van de nu clandestiene
hoewel oogluikend
toegestane zielzorg
veilig te stellen
alvorens de stad
definitief te verlaten
waartoe de bepalingen
van het verdrag hem en
het grootste deel van de
geestelijkheid
verplichtten. Hij
weigerde de zetel van
het bisdom Brugge die
Isabella hem kort na de
capitulatie aanbood en
wijdde zich aan de
zielzorg in de Meierij
de aangrenzende
parochies in het huidige
België en het Land van Ravenstein het resterende deel van zijn bisdom. Hiertoe nam
hij zijn intrek in het kasteeltje van Geldrop maar ook verbleef hij
regelmatig in zijn geliefde klooster te Antwerpen waar hem uiteindelijk
asiel werd geboden toen hij zich op bevel van de Staten-Generaal van 2
december 1636 genoodzaakt zag definitief de Meierij te verlaten. Zijn
laatste maanden bracht hij door te Lier in de nabijheid van het
Dominicaanse vicariaat dat hij had opgericht.
|

|
Nadat er vanaf 1576
pogingen in het werk
gesteld zijn om voor
's-Hertogenbosch een
Munt te verkrijgen lukt
dit eerst definitief na
de Vrede van Keulen. Op
28 februari |
1580
krijgt de stad
toestemming munten te slaan Jan de Leeuw is de eerste muntmeester. In zijn
werkperiode 1581-1584 slaat hij 23.582 gouden en zilveren munten en 784.502
koperen exemplaren. Sedert 1581 werden hier Bossche
(Spaansche) munten geslagen als gouden realen, Philippusdaalders,
|
|
enz. aan
de voorzijde met den Spaanschen Koningskop er op in den karakteristieken
pijpkraag. Men leest in de rekeningen dat er gezellen van den muntmeester
sloven van schapenvel vóór hadden dat zij het koperen geld tusschen de
verschillende stempelingen op het vuur in oude stormhoeden gloeiden en de
gloeiend heete munten in mandjes in de achtergelegen Binnendieze neerlieten
om ze af te koelen. Boven den hoofdingang prijkte het Bossche wapen.
Overblijfsels van een gothieken toren zijn thans nog op de binnenplaats te
zien. In de
Hertogstad worden onder
leiding van in totaal zes muntmeesters van 1581 tot 1624 munten geslagen.
|
|

|
Het Schermersoproer van
1 juni 1579 loste een
ontevreden burger op de
markt in
’s-Hertogenbosch een
enkel schot. Dit schot
was de ontknoping van de
Schermersoproer waarbij
tientallen mensen
omkwamen en welke
uiteindelijk leidde tot
het aansluiten van de
stad bij de Spaanse
Filips II. Wat is de
geschiedenis van dit
oproer in 1579 was
’s-Hertogenbosch een
verdeelde stad. Meerdere
|
steden
ondertekenden eerder dat jaar de Unie van Atrecht of de Unie van Utrecht en
kozen daarmee publiekelijk kant in de tachtigjarige oorlog. In
’s-Hertogenbosch waren er spanningen tussen de protestantse calvinisten en
de katholieken, de stad had zich nog niet aangesloten bij de Spaanse koning
of het opstandige Noorden. Het stadsbestuur had zich wel positief uitgelaten
over de Unie van Utrecht maar had het verdrag niet zelf ondertekend.
’s-Hertogenbosch was vooralsnog een verdeelde stad. Hier kwam echter
verandering in toen het nieuws klonk dat de stad Maastricht werd ingenomen
door Spaanse troepen. Dit veroorzaakte veel angst onder de Bosschenaren wat
als hun stad de volgende was? Aansluiting bij de Unie van Utrecht zou
betekenen dat er een garnizoen van het opstandige Noorden zich in te stad
zou legeren wat bescherming zou betekenen. Op 1 juli 1579 mondde de onrust
en angst uit tot een conflict. Onder leiding van de protestantse advocaat
Hendrik Aglyaeus wist een groep calvinisten het bestuur van de stad te
overtuigen zich aan te sluiten bij de Unie van Utrecht. Deze Aglyaeus was
ook al betrokken geweest bij de Beeldenstorm van 1566 en was al tweemaal
verbannen vanwege zijn protestantse uitlatingen. Diezelfde middag werd deze
verklaring vanaf de pui van het stadhuis voorgelezen iets wat niet door
iedereen van harte werd ontvangen. Een lid van een katholieke schutterij
loste een enkel schot op de protestantse schermergilde dat zich op dat
moment ook op het marktplein bevond. Het hek was van de dam. Er barstte een
grootschalig gevecht los dat meerdere uren duurde. Het was een hevige strijd
mensen schoten vanuit huizen kanonnen werden aangesleept en er werden zelfs
barricades gebouwd. Na afloop bleek dat er 120 mensen gewond waren geraakt
en dat er 42 mensen waren omgekomen. Het waren de katholieke strijders die
de overwinning hadden behaald. Wat betekende dit voor 's-Hertogenbosch de
stad sloot zich na deze bloederige strijd niet aan bij de Unie van Utrecht
de opstandige soldaten die naar de stad waren gestuurd na aanleiding van de
verklaring zich aan te sluiten bij de Unie van Utrecht werden dan ook niet
binnen gelaten. 2 juli arriveerde er woord vanuit Maastricht de stad was
inderdaad ingenomen en de Spanjaarden waren nu op weg naar ’s-Hertogenbosch.
Veel calvinisten ontvluchtten te stad waaronder Hendrik Aglyaeus. Het
stadsbestuur beloofde hen dat zij altijd mochten terugkeren. De stad kwam
onder Spaans bewind en zou in 1629 na een langdurige belegering door de
nieuwe Republiek worden ingenomen een gebeurtenis beter bekend als het beleg
van 's-Hertogenbosch. |
|
|
Foto's
copyright
©
bij groetenuitdenbosch.nl |
|
|