Stadswandeling

 Geschiedenis

  De Historie van 's-Hertogenbosch

  Sint-Janskathedraal

  Het beleg van 's-Hertogenbosch 1629

  De bevrijding Oktober 1944

  Oeteldonk

 Binnendieze

 Sint-Janskathedraal

 's-Hertogenbosch

 Straten en Stegen

 Vestingstad in het groen

 Bossche wijken

 Oeteldonk

 Evenementen

  

       

Geschiedenis

De Historie van 's-Hertogenbosch

       

1525

Het schilderij De Lakenmarkt uit 1525 is een van de oudste bewaard gebleven Nederlandse stadsgezichten. Het laat goed zien dat ’s-Hertogenbosch een drukke handelsstad was. In de dertiende en veertiende eeuw groeide ’s-Hertogenbosch zelfs uit tot een van de grootste steden van de Nederlanden. Kleinere steden en dorpen rondom de stad waren afhankelijk van de producten die in

’s-Hertogenbosch gemaakt en verhandeld werden. Op het schilderij is de Markt van ’s-Hertogenbosch te zien. Naast de handel was de nijverheid een pijler onder de stedelijke welvaart van de late middeleeuwen. In Den Bosch werkten honderden leerbewerkers en speldenmakers en tot in Spanje weerklonk de goede reputatie van de messenmakers uit die stad. Textiel was echter bijna overal in Brabant het belangrijkste product. Aanvankelijk stonden op de weefgetouwen vooral zware wollen ('lakense') stoffen vanaf de vijftiende eeuw werd ook de linnenweverij van belang. De prominente rol van de lakennijverheid in de Brabantse steden en daarmee ook die van de stedelijke gilden komt heel goed tot uiting in deze voorstelling van de lakenmarkt in 's-Hertogenbosch die inmiddels zo vaak is afgebeeld dat hij bijna een icoon is geworden van een stad in de middeleeuwen. Een van deze afbeeldingen is een paneel van een anonieme schilder uit de eerste helft van de zestiende eeuw, vermoedelijk omstreeks 1530 geschilderd in opdracht van het gilde van de lakenkopers. Dat kan tenminste worden afgeleid uit de achterzijde van het paneel waar een geopende schaar is afgebeeld als symbool van het gilde. Misschien is het schilderij gemaakt voor hun gildealtaar in de Sint-Jan of anders voor het klooster van de minderbroederfranciscanen waar ze gewoonlijk vergaderden. Op de voorgrond is immers Sint-Franciscus afgebeeld als patroonheilige terwijl hij textiel uitdeelt aan de armen. In 1842 werd het paneel door een particulier geschonken aan het Provinciaal Genootschap van Kunsten en Wetenschappen. Zo kwam het terecht in het Noord-Brabants Museum. Behalve als symbool van de stedelijke nijverheid is het schilderij ook topografisch van belang. Het is een van de oudste stadsgezichten die in de Nederlanden bewaard zijn gebleven en zonder meer de belangrijkste voorstelling van ‘s-Hertogenbosch in de middeleeuwen. De schilder heeft de Markt weergegeven vanuit de Kerkstraat in de richting van de Hooge Steenweg. Het perspectief is natuurlijk erg onbeholpen maar de details van de bebouwing zijn nauwkeurig weergegeven en elk pand is afzonderlijk te herkennen. Bovenaan is bijvoorbeeld duidelijk de rode trapgevel van het huis De Roodenburch te zien en iets links daarvan De Moriaan met zijn karakteristieke hoektorentje. Midden links is de waterput herkenbaar met daarnaast een Mariakapelletje. De kramen op de voorgrond staan in rijen opgesteld precies zoals het stadsbestuur het voor de donderdagse weekmarkt verordend had. Iedereen wist zo waar je moest zijn voor de verschillende producten en ook dat de lakense stoffen bij het Lieve-Vrouwe huisken van mindere kwaliteit waren dan de goede lakens in de stalletjes op de eerste rij. Behalve de lakenkopers en de boeren en boerinnen met hun boter en eieren op de voorgrond waren er op de wekelijkse markt veel meer ambachten die hun producten aan de man brachten

zoals schoenmakers, touwslagers, mandenmakers, messenmakers, speldenmakers en zo meer. Maar de schilder die immers werkte voor de lakenkopers had daarvoor natuurlijk geen oog. In veel huizen rondom de Markt woonden handelaren die daar vaak ook hun werkplaats hadden. Dat was gemakkelijk want zo konden ze hun gemaakte producten voor hun huis uitstallen en meteen verkopen. Ambachtslieden hadden in hun werkplaats veel licht nodig en daarom hadden hun huizen veel ramen. Op het schilderij De Lakenmarkt is te zien hoe de laatmiddeleeuwse huizen eruitzagen. Er zijn veel huizen met een stenen gevel te zien, maar de meeste huizen in de stad hadden een houten gevel. Behalve voor de gevels werd hout ook gebruikt voor de vloeren van de verdiepingen en voor het dak. Het was namelijk ruim beschikbaar als bouwmateriaal. Daarnaast was het bouwen van grote ramen makkelijker met hout dan met steen. Wel waren de fundering, de kelder en de zijmuren van de huizen van baksteen.

         

1528

Voor de verdediging van 's-Hertogenbosch in 1528  tegen de Geldersen wordt de stad verder versterkt onder andere wordt een nieuwe Sint-Janspoort aangelegd. De strijd

tussen Brabant en Gelder wordt verhevigd bij de belegering van het Gelderse Tiel zijn er zoveel gewonden dat het Groot Gasthuis, het H. Geesthuis en het klooster van de Zusters van Orthen vol liggen. Als de belegering opgeheven moet worden ligt de Meierij weer open voor Gelderse plunderaars in oktober wordt een vredesverdrag getekend. Op bevel van Brussel moeten in 1542 de stadsmuren versterkt worden met een aarden wal van 24 voet breedte

hierdoor moeten meer dan 200 huizen en huisjes afgebroken worden. Voorts moeten alle bomen binnen een zekere afstand van de muren gekapt worden ook het klooster Baseldonk moet van het stadsbestuur afgebroken worden teneinde de vijand Maarten van Rossum geen gelegenheid te geven zich te verschansen. Het klooster zal verplaatst worden naar de Windmolenberg, maar voorlopig nemen de kloosterlingen hun intrek in het rijke fratershuis. In 1543 ligt Maarten van Rossum voor 's-Hertogenbosch en eist de stad op de Bosschenaren geven antwoord door de boodschapper dood te schieten. Van Rossum trekt weg en verbrandt uit wraak de Reut en Vught.

            

1559

Koning Philips II de heer van de Nederlanden wilde het ware katholieke geloof handhaven. Dat zag hij als één van zijn voornaamste taken. Hij wilde het toezicht op gelovigen en geestelijken verbeteren en zijn greep op De Nederlanden versterken. Daarom besloot de vorst in samenspraak met de Paus in Rome op 12 mei 1559 tot de instelling van maar liefst veertien nieuwe bisdommen in zijn

Nederlandse gebieden. Daaronder behoorde ook het bisdom van 's-Hertogenbosch als onderdeel van het nieuwe aartsbisdom Mechelen. De nieuwe bisschop van 's-Hertogenbosch kreeg de Sint-Janskerk toegewezen als zijn kathedraal waardoor het collegiaal kapittel werd verheven tot de rang van kathedraal kapittel. De eerste bisschop van 's-Hertogenbosch was Franciscus Sonnius.

            

1561

Op 3 augustus 1561 maakten veertien Brabantse rederijkerskamers hun opwachting voor de Antwerpse Keizerspoort. Zij zouden de daaropvolgende weken deelnemen aan de slotwedstrijd van het Brabantse landjuweel die al in 1515 van start was gegaan. Het Antwerps concours vormt in velerlei opzichten een mijlpaal in de toneel- en literatuurgeschiedenis van de Nederlanden. Nooit eerder

konden zoveel dichters in zo’n korte tijdspanne zo’n verscheidenheid aan genres aan zoveel geïnteresseerden tegelijk presenteren. De rederijkerskamer Moyses Vierighe Bosch wint het Antwerpse Landjuweel het grootste ooit gehouden de eerste prijs met het esbattement 'Den Patroon van den Alvinnen' deze grote eer wekt bij andere kamers veel weerstand omdat Moyses Bosch een betrekkelijk jonge kamer is. Bij terugkomst in 's-Hertogenbosch worden de spelers op grootse wijze door overheid en burgers ontvangen Moyses Bosch is nu aan de beurt om een landjuweel te organiseren door de politieke onrust en de opstand zal het er echter niet van komen.

            

1566

In 1566 breekt de Beeldenstorm uit in 's-Hertogenbosch de Sint Jan wordt daarbij ernstig beschadigd ook de andere kerken, kloosters en kapellen hebben te lijden onder de aanvallen. De zestiende eeuw was een roerige tijd in Europa. Er waren veel opstanden, conflicten en oorlogen. Ook in ’s-Hertogenbosch waren mensen ontevreden over de katholieke kerk en het stadsbestuur.

Een deel van de Bosschenaren werd protestant een nieuw geloof in die tijd. Dit zorgde voor veel onrust in ’s-Hertogenbosch en omgeving. De onrust begon al in de eerste helft van de zestiende eeuw. De Nederlanden hoorden bij het Habsburgse rijk dat heel veel oorlogen voerde. In 1525 werd het stadsbestuur van ’s-Hertogenbosch opgedragen om nieuwe belasting in te voeren. De Bosschenaren moesten zo meebetalen aan de dure oorlogen in Europa. Eén op de negentien inwoners van ’s-Hertogenbosch was echter kloosterling. Zij hoefden geen belasting te betalen. De andere Bosschenaren waren hier erg boos over. De ambachtsgilden wilden opkomen voor deze burgers. Zij hadden macht in het stadsbestuur en konden zo de kloosters onder druk zetten. Als de kloosters niet wilden meebetalen zouden de gilden de kloosters niet langer beschermen. Maar de kloosters wilden nog steeds niets afdragen. Hierop gingen ambachtslieden protesteren. Dit werd ook wel ‘krijten’ genoemd. De Bossche Krijters plunderden kloosters in de omgeving van ’s-Hertogenbosch. Zo stalen ze in Vught kloosterbier, boter en haring. Uiteindelijk stopte het leger de opstand. De ambachtsgilden verloren vervolgens hun macht in het stadsbestuur. Maar de onvrede over de katholieke kerk bleef. Een nieuw geloof het protestantisme kreeg steeds meer aanhangers in verschillende delen van de Nederlanden. De protestanten hadden kritiek op de rijkdom van de katholieke kerk en de verering van heiligenbeelden. In 1555 verbood de nieuwe Habsburgse koning Filips II het protestantse geloof. Omdat de protestanten geen eigen kerk mochten hebben luisterden ze stiekem in de openlucht naar predikers. Deze bijeenkomsten werden hagenpreken genoemd. Op het houden en luisteren naar hagenpreken stonden zware straffen. Hagenpredikers konden zelfs de doodstraf krijgen. Op 10 augustus 1566 werd na een hagenpreek in een dorpje in Zuid-Vlaanderen een klooster bestormd en werden veel heiligenbeelden kapotgemaakt. Dit was het begin van een maandenlange Beeldenstorm in de Nederlanden. Ook in Engelen, Rosmalen en ’s-Hertogenbosch vond dit plaats. Op 22 augustus trokken protestanten naar de Sint-Jan in ’s-Hertogenbosch en sloegen daar vele beelden en altaren stuk. Ook werd de kathedraal tijdelijk overgenomen zodat de protestanten hier hun eigen erediensten konden houden en hun kinderen konden dopen. Eén klooster blijft gespaard het is het klooster van de Alexianen juist dit jaar hebben zij de zorg voor de weeskinderen op zich genomen juist daarom worden zij gespaard. Toen in oktober 1566 strenge straffen tegen de protestanten dreigden leidde dit tot een nieuwe Beeldenstorm. Nog meer kloosters werden vernield en geplunderd. Een half jaar later greep koning Filips II hard in. Zestien beeldenstormers werden terechtgesteld en tweehonderdvijftig protestanten werden verbannen.

            

1570

Michael van Ophoven beter bekend als Ophovius werd geboren als tweede zoon van Hendrik Peters van Ophoven en Henrica Hendriks van Ophoven en ontving vermoedelijk op 22 januari 1570 het doopsel in de Sint-Janskathedraal te 's-Hertogenbosch. Hij overleed op 4 november 1637 in de Refugie van Sint-Bernards te Lier en werd op 5 januari 1638 begraven in de Dominicanenkerk

te Antwerpen. Michael Ophovius groeide met nog vier broers en drie zusters op in een godvruchtig gezin waarvan de ouders een weverij exploiteerden en nering dreven in linnengoed. Reeds op jeugdige leeftijd bestemd voor het geestelijk ambt ontving Michael zijn eerste onderricht in de humaniora aan de Latijnse School van de Broeders des Gemenen Levens. Wilhelmus Lindanus (1525-1588) bisschop van Roermond die op verzoek van de landvoogd Alexander Farnese (1545-1592) tijdelijk de zorg voor het verweesde bisdom 's-Hertogenbosch op zich had genomen diende hem op 2 november 1583 de tonsuur toe ten teken van zijn opname in de geestelijke stand. In het najaar van 1585 trad Ophovius in in het klooster van de Dominicanen te Antwerpen. Een jaar later deed hij professie waarna hij onderricht volgde in wijsbegeerte en godgeleerdheid eerst te Antwerpen en na zijn wijding tot subdiaken in 1590 te Leuven. In deze stad ontving hij op 30 maart 1591 de diaken en op 13 maart 1593 de priesterwijding beide malen uit handen van Joannes van Strijen die president was van het Leuvense Collegium Regium. Michaels begaafdheid werd door zijn superieuren al spoedig onderkend. Reeds vóór zijn wijding tot priester werd hij aangesteld tot lector in het Leuvense studiehuis van zijn orde waar hij tot 1597 filosofie en theologie doceerde. Vervolgens zond men hem naar Bologna om aan de Dominicaanse Universiteit zijn eigen theologische studies voort te zetten. De graad van licentiaat werd hem op 23 december 1599 te Rome door de magister-generaal van de Dominicanen verleend. Tien jaar later zouden zijn theologische studies definitief worden bekroond met de graad van Magister de hoogste die een lid van de Orde van de H. Dominicus zich in een leven van studie kon verwerven. Teruggekeerd in Antwerpen maakte Michael spoedig carrière. Hij werd inquisiteur in het bisdom Antwerpen (1601), prior van het Antwerpse klooster (1608), definitor (1610) en provinciaal (1611). In deze laatste hoedanigheid droeg hij zorg voor het herstel van de kloostertucht in zijn provincie, blies hij het college voor hogere studiën van zijn orde te Douai nieuw leven in en richtte hij een nieuw klooster annex Latijnse school op te Lier. De missie in de gebieden die onderworpen waren aan de Staten-Generaal ging hem zeer ten harte en tijdens de Generale Kapittels van zijn orde te Rome in 1601 en 1612 had hij dienaangaande met de pausen Clemens VIII en Paulus V gesproken. Dit had tot gevolg dat hij in 1615 benoemd werd tot prefect van de Dominicaanse Missie in de Hollandse Zending in 1622 uitgebreid met Denemarken en Noorwegen een functie waaraan hij gedurende acht jaar zijn beste krachten zou geven. Herinneringen aan zijn jeugd toen een calvinistische minderheid de in meerderheid katholiek gebleven bevolking van 's-Hertogenbosch korte tijd tussen eind 1577 en 2 juni 1579 haar wil had opgelegd moeten hem in deze periode helder voor ogen hebben gestaan. Zijn taak werd nog verzwaard door de zorg voor de nieuwe gemeenschap te Lier die hem in 1616 tot prior koos en voor het Antwerpse klooster waar hij in 1617 en 1620 eveneens tot deze waardigheid werd beroepen. In 1623 viel tijdelijk het doek over de drukke bezigheden van Ophovius. Bij gelegenheid van een bezoek aan zijn geboortestad waar kort tevoren zijn oudste broer Nicolaas was overleden belastte aartshertogin Isabella met wie hij levendige contacten onderhield hem met een precaire zending. De aartshertogin was door brieven in de waan gebracht dat de gouverneur van de Staatse vestingstad Heusden niet ongenegen zou zijn om de vesting aan de Spanjaarden over te dragen. Voorzien van een paspoort van de Staten-Generaal voor particuliere doeleinden begaf Ophovius zich naar Heusden om Isabella's voorstel aan de gouverneur over te brengen. Deze toonde zich hierover uitgesproken verontwaardigd en stelde de drager van het bericht in staat van arrest. Na enkele weken werd Ophovius overgebracht naar 's-Gravenhage waar hij gedurende eenentwintig maanden geïnterneerd werd in de Gevangenpoort en het gevaar liep om tot de doodstraf te worden veroordeeld. Isabella mobiliseerde zowel in binnenland als buitenland de nodige hulpkrachten en onder internationale druk herkreeg Ophovius op 26 november 1624 zijn vrijheid. Ten dele om hem schadeloos te stellen voor de rampspoed die hem in haar dienst ten deel was gevallen maar vooral om zijn grote kwaliteiten en verdiensten op religieus gebied droeg Isabella Ophovius die in 1625 voor de vierde maal prior van het Antwerpse klooster was geworden voor voor de vacant geworden zetel van het bisdom 's-Hertogenbosch. Deze nominatie werd zowel door Spanje als door Rome goedgekeurd en op zondag 13 september 1626 werd Ophovius in de Antwerpse kathedraal tot bisschop gewijd. Op 30 oktober hield hij zijn plechtige intocht in zijn zetelstad als zesde bisschop van 's-Hertogenbosch. Hij was de eerste bisschop die sedert de oprichting van het bisdom in 1559 binnen de grenzen ervan was geboren. In zijn nieuwe waardigheid toonde Ophovius zich opnieuw een onvermoeibaar werker. Hij visiteerde kerken, kloosters en kapittels in zijn diocees en woonde vergaderingen bij van de bisschoppen van de kerkprovincie Mechelen waarvan zijn bisdom deel uitmaakte. De hem toegemeten tijd zou echter te kort blijken. In de nacht van 30 april op 1 mei 1629 sloegen Staatse troepen onder aanvoering van Frederik Hendrik het beleg voor 's-Hertogenbosch dat zich op 14 september genoodzaakt zag te capituleren. Ophovius had zowel bij de verdediging als

bij de onderhandelingen met de prins een prominente rol gespeeld. Zijn handtekening prijkt als eerste van Bossche zijde onder het capitulatieverdrag. Ophovius deed wat hij kon om nu het katholieke geloof niet langer in vrijheid kon worden beleden de continuïteit van de nu clandestiene hoewel oogluikend toegestane zielzorg veilig te stellen alvorens de stad definitief te verlaten waartoe de bepalingen van het verdrag hem en het grootste deel van de geestelijkheid verplichtten. Hij weigerde de zetel van het bisdom Brugge die Isabella hem kort na de capitulatie aanbood en wijdde zich aan de zielzorg in de Meierij de aangrenzende parochies in het huidige België en het Land van Ravenstein het resterende deel van zijn bisdom. Hiertoe nam hij zijn intrek in het kasteeltje van Geldrop maar ook verbleef hij regelmatig in zijn geliefde klooster te Antwerpen waar hem uiteindelijk asiel werd geboden toen hij zich op bevel van de Staten-Generaal van 2 december 1636 genoodzaakt zag definitief de Meierij te verlaten. Zijn laatste maanden bracht hij door te Lier in de nabijheid van het Dominicaanse vicariaat dat hij had opgericht.

      

1576

Nadat er vanaf 1576 pogingen in het werk gesteld zijn om voor 's-Hertogenbosch een Munt te verkrijgen lukt dit eerst definitief na de Vrede van Keulen. Op 28 februari

1580 krijgt de stad toestemming munten te slaan Jan de Leeuw is de eerste muntmeester. In zijn werkperiode 1581-1584 slaat hij 23.582 gouden en zilveren munten en 784.502 koperen exemplaren. Sedert 1581 werden hier Bossche (Spaansche) munten geslagen als gouden realen, Philippusdaalders,

enz. aan de voorzijde met den Spaanschen Koningskop er op in den karakteristieken pijpkraag. Men leest in de rekeningen dat er gezellen van den muntmeester sloven van schapenvel vóór hadden dat zij het koperen geld tusschen de verschillende stempelingen op het vuur in oude stormhoeden gloeiden en de gloeiend heete munten in mandjes in de achtergelegen Binnendieze neerlieten om ze af te koelen. Boven den hoofdingang prijkte het Bossche wapen. Overblijfsels van een gothieken toren zijn thans nog op de binnenplaats te zien. In de Hertogstad worden onder leiding van in totaal zes muntmeesters van 1581 tot 1624 munten geslagen.

            

1579

Het Schermersoproer van 1 juni 1579 loste een ontevreden burger op de markt in ’s-Hertogenbosch een enkel schot. Dit schot was de ontknoping van de Schermersoproer waarbij tientallen mensen omkwamen en welke uiteindelijk leidde tot het aansluiten van de stad bij de Spaanse Filips II. Wat is de geschiedenis van dit oproer in 1579 was ’s-Hertogenbosch een verdeelde stad. Meerdere

steden ondertekenden eerder dat jaar de Unie van Atrecht of de Unie van Utrecht en kozen daarmee publiekelijk kant in de tachtigjarige oorlog. In ’s-Hertogenbosch waren er spanningen tussen de protestantse calvinisten en de katholieken, de stad had zich nog niet aangesloten bij de Spaanse koning of het opstandige Noorden. Het stadsbestuur had zich wel positief uitgelaten over de Unie van Utrecht maar had het verdrag niet zelf ondertekend. ’s-Hertogenbosch was vooralsnog een verdeelde stad. Hier kwam echter verandering in toen het nieuws klonk dat de stad Maastricht werd ingenomen door Spaanse troepen. Dit veroorzaakte veel angst onder de Bosschenaren wat als hun stad de volgende was? Aansluiting bij de Unie van Utrecht zou betekenen dat er een garnizoen van het opstandige Noorden zich in te stad zou legeren wat bescherming zou betekenen. Op 1 juli 1579 mondde de onrust en angst uit tot een conflict. Onder leiding van de protestantse advocaat Hendrik Aglyaeus wist een groep calvinisten het bestuur van de stad te overtuigen zich aan te sluiten bij de Unie van Utrecht. Deze Aglyaeus was ook al betrokken geweest bij de Beeldenstorm van 1566 en was al tweemaal verbannen vanwege zijn protestantse uitlatingen. Diezelfde middag werd deze verklaring vanaf de pui van het stadhuis voorgelezen iets wat niet door iedereen van harte werd ontvangen. Een lid van een katholieke schutterij loste een enkel schot op de protestantse schermergilde dat zich op dat moment ook op het marktplein bevond. Het hek was van de dam. Er barstte een grootschalig gevecht los dat meerdere uren duurde. Het was een hevige strijd mensen schoten vanuit huizen kanonnen werden aangesleept en er werden zelfs barricades gebouwd. Na afloop bleek dat er 120 mensen gewond waren geraakt en dat er 42 mensen waren omgekomen. Het waren de katholieke strijders die de overwinning hadden behaald. Wat betekende dit voor 's-Hertogenbosch de stad sloot zich na deze bloederige strijd niet aan bij de Unie van Utrecht de opstandige soldaten die naar de stad waren gestuurd na aanleiding van de verklaring zich aan te sluiten bij de Unie van Utrecht werden dan ook niet binnen gelaten. 2 juli arriveerde er woord vanuit Maastricht de stad was inderdaad ingenomen en de Spanjaarden waren nu op weg naar ’s-Hertogenbosch. Veel calvinisten ontvluchtten te stad waaronder Hendrik Aglyaeus. Het stadsbestuur beloofde hen dat zij altijd mochten terugkeren. De stad kwam onder Spaans bewind en zou in 1629 na een langdurige belegering door de nieuwe Republiek worden ingenomen een gebeurtenis beter bekend als het beleg van 's-Hertogenbosch.

            

home

Vorige12356789Volgende

Website informatieGastenboek

Foto's copyright © bij groetenuitdenbosch.nl