Stadswandeling

 Geschiedenis

  De Historie van 's-Hertogenbosch

  Sint-Janskathedraal

  Het beleg van 's-Hertogenbosch 1629

  De bevrijding Oktober 1944

  Oeteldonk

 Binnendieze

 Sint-Janskathedraal

 's-Hertogenbosch

 Straten en Stegen

 Vestingstad in het groen

 Bossche wijken

 Oeteldonk

 Evenementen

  

       

Geschiedenis

De Historie van 's-Hertogenbosch

       

1584

Boven de bekende koepel van de Sint-Jan in Den Bosch stond vóór 1584 een hoge middentoren. Op 10 juli 1584 is Willem van Oranje in Delft doodgeschoten door Balthasar Gerards. Velen vreesden andere hoopten dat daardoor de strijd in de Nederlanden de leider van de opstand tegen Spanje was immers niet meer in leven zou worden gestaakt. Dat was echter niet het geval pas in

1648 zou er definitief vrede komen. Niet iedereen in de Nederlanden was dezelfde dag op de hoogte van de moord. De berichtgeving in het algemeen en wegens de oorlogstoestand in het bijzonder zorgde ervoor dat het bericht zich maar langzaam verspreidde. Pas twee weken (25 juli) later is het in 's-Hertogenbosch bekend geraakt. Het leidde tot een opgewekte stemming in de stad. De Bosschenaren vonden dat Willem een terechte straf gekregen had en zij wilden God danken dat de eenheid in de Nederlanden wellicht spoedig hersteld zou zijn en dat het katholieke geloof zou terugkeren. Op 25 juli 1584 werden daarom 's middags in de Sint-Jan plechtig het 'Te Deum Laudemus' gezongen. Die bewuste 25e juli was een warme drukkende dag. Niemand verwonderde er zich dan ook over dat er 's avonds een zwaar onweer losbarstte. Tijdens het noodweer om ongeveer elf uur trof een bliksem de hoge middentoren van de Sint-Jan. Deze toren was van hout gemaakt en bekroond met een groot koperen beeld van Sint-Jan. De gehele toren vloog in brand en brandde geheel uit. Het onder de toren staande oxaal en een aantal altaren werden vernield. Omdat de brandende toren op het middenschip viel raakte ook het dak van de kerk en de westelijke toren in brand. Met veel lawaai vielen de grote klokken naar beneden. Brandend lood gutste via de waterspuwers op straat. De reusachtige brand was zelfs te zien in Utrecht en Antwerpen. De wakker geschrokken Bosschenaren trachtten het vuur te blussen. Pas om 2 uur 's nachts slaagden zij daarin. Sommigen zagen een Godsoordeel in de brand door een dankdienst in de kerk wegens de moord te houden riep 's-Hertogenbosch immers Gods straf op. Op 31 juli 1584 had er een collecte plaats in de stad om te komen tot herbouwen van de toren. In alle kerken waren speciale offerblokken geplaatst. Er werd weliswaar geld opgehaald maar de hoge toren hoger dan de bestaande westtoren is niet meer herbouwd.

            

1585

Op 19 januari 1585 in de vroege morgenuren naderen de Staatse troepen onder leiding van de graaf van Hohenlohe ongemerkt de Vughterpoort. Als de poortwachter de poort opent en de brug neerlaat wordt hij overmeesterd. De Staatsen trekken door de Vughterstraat in de richting van de Markt. De poortwachter is intussen bijgekomen en beseft direct wat er aan de hand is. Eerst sluit

hij de Poort en vervolgens slaat hij alarm. De wakker geschrokken Bosschenaren vallen direct aan en verjagen de vijand uit de stad. Veel soldaten moeten zich het vege lijf redden door vanaf de stadsmuur recht in de koude gracht te springen. De graaf van Hohenlohe moet zich terugtrekken,

maar vestigt zich op het fort Crevecoeur zodat hij een bedreiging voor de stad blijft vormen.
          

Het wonder van Empel, de Spaanse troepen zaten vijf dagen vast in de kou en regen ingesloten tussen de Staatse troepen met hun schepen op het water. De schutters op de schepen vuurden van 4 tot 7 december voortdurend op de Spaanse stellingen. Om zich tegen de dreigende landing van de Staatsen te beschermen groeven de tercios zich in rond de kerk van Empel. Een Spaanse soldaat vond daarbij een onbeschadigd schilderij dat de Onbevlekte Ontvangenis van Maria voorstelde. Bobadilla liet de afbeelding in de kerk plaatsen waarna een gebed plaatsvond. De volgende dag 8 december was de dag waarop de Onbevlekte Ontvangenis traditioneel al enige eeuwen werd gevierd en de Bossche Lieve-Vrouwe-broederschap hield een plechtige processie om Gods hulp af te smeken over de ingesloten Spaanse soldaten die hun rooms-katholieke geloofsgenoten waren. Later die dag begon het hard te vriezen. De schepen die dreigden in te vriezen moesten zich terugtrekken naar het open water van de Maas. Twee dagen later begon het te dooien en zo konden de Spaanse troepen weer terug worden gebracht in 's-Hertogenbosch. Dat verhinderde evenwel niet dat er nog vele stierven ten gevolge van de doorstane ontberingen. Volgens een Spaanse bron bliezen de Staatsen echter de aftocht omdat Mansfeld zware artillerie uit 's-Hertogenbosch had aangevoerd waarmee hij de schepen beschoot die daarom moesten terugtrekken toen liepen de schepen vast in het ijs en werden enkele door Mansfelds troepen in brand geschoten of veroverd. Volgens deze versie was het ijs dus geen motief voor maar een

obstakel tijdens de Staatse terugtocht. Ook de Staatsgezinde cartograaf Frans Hogenberg stelde dat het eigenlijk Mansfeld was die de manschappen van Bobadilla heeft gered. Niettemin werd in het Spaanse leger het geschiedde in Empel beschouwd als een wonder. De verering van Maria nam in militaire kringen een hoge vlucht. Er werd een broederschap opgericht die de naam droeg "Soldaten der Onbevlekt Ontvangen Maagd". In 1892 werd Maria de patrones van de Spaanse infanterie bij koninklijk decreet. Honderden jaren later in 2000 besloot Waterschap De Maaskant de provincie Noord-Brabant en de Stichting Kapel Oud-Empel een kapel (hermitage) te schenken aan de bewoners op de dijk als dank voor de overlast van het ophogen van de dijk. Deze kwam op de plaats waar de ingang van de oorspronkelijke kerk zich bevond welke was verwoest in 1944 tijdens de gevechten die gedurende de Tweede Wereldoorlog in dat gebied plaatsvonden. In 2006 ontdekte een Spaanse soldaat gelegerd in Brussel bij toeval de kapel en meldde dit aan de academie van de Infanterie te Toledo in Spanje. Dat was een ontdekking van groot belang die leidde tot een bedevaart van meer dan vijfhonderd Spanjaarden naar Empel onder leiding van hun militaire Aartsbisschop. Vanaf dat moment werd Empel onafgebroken bezocht door Spanjaarden. Elk jaar op de zaterdag voordat de viering van het feest van de Onbevlekte Ontvangenis plaatsvindt komen honderden Spanjaarden in Empel en Oud-Empel samen om dit belangrijke feest te vieren.

            

1600

Het wordt wel het laatste middeleeuwse riddergevecht genoemd de Slag van Lekkerbeetje op de Vughtse hei in februari 1600. Het was een georganiseerd groepsduel onder aanvoering van Charles de Bréauté ritmeester in dienst van prins Maurits aan de ene kant en Gerard van Houwelingen bijgenaamd Lekkerbeetje en kapitein van de Bossche gouverneur Grobbendonck aan de andere kant.

Beide partijen waren tweeëntwintig man sterk. Plaats van handeling was de besneeuwde Vughterhei op korte afstand van de stadsmuren van ’s-Hertogenbosch. Het duel was bepaald geen spelletje er vielen nogal wat doden onder wie de beide aanvoerders. Aan Bossche kant sneuvelden er nog vier man aan Staatse zijde nog eens zeventien allemaal Franse militairen. “Lekkerbeetje” dat betekent lekkerbek, "snoeper", maar ook wel "snoever" werd al vrijwel direct dodelijk getroffen door een pistoolkogel. Charles de Bréauté werd nadat hij zich had overgegeven alsnog door een aantal soldaten vermoord. Het gevecht werd door meer dan 500 toeschouwers bijgewoond. Er zijn dan ook verschillende getuigenverklaringen bewaard gebleven. Hieruit enkele fragmenten “De Bréauté had een grote pluim op zijn helm. Ook op het hoofd van zijn paard was zo’n pluim en om de hals hing een grote groene sjerp. Van Houwelingen de luitenant van Grobbendonck en aanvoerder van de vijandelijke ruiters had een grote rode sjerp om zijn middel. Toen beide partijen aanvielen ging de Bréauté recht op de luitenant af die bij die eerste aanval al dood bleef samen met zijn broer en met zijn zwager. Van de zijde van de Bréauté sneuvelden bij dat eerste treffen zijn kwartiermeester Hugo Plisson en de Bahubert. Hijzelf reed dwars door de vijandelijke linie heen keerde terug om opnieuw een charge uit te voeren maar daarbij werd zijn paard dood geschoten. De Bréauté vocht te voet verder met zijn degen en deed alles wat hij kon om zich te verdedigen. Maar een paar van zijn mensen sloegen op de vlucht. De eerste die dat deed was kapitein la Pierre die later overliep naar de vijand. Na hem sloegen ook le Tarte, Beaurou en Champaigne op de vlucht. Terwijl de Bréauté nog te voet vocht vluchtte du Lyon ook weg. Toen de Bréauté dat zag riep hij ‘Schurken jullie laten me in de steek?!’ En de getuigen riepen ‘Lafaards kom terug!’ maar de anderen gingen er vandoor. Mijnheer de Bréauté gaf zich daarna over aan een ruiter uit het vijandelijke kamp op voorwaarde dat men hem het leven zou sparen. De trompetter van de vijand zei tegen mijnheer de Bréauté dat kapitein Grobbendonck voor hem een avondmaal zou bereiden met allerlei soorten wildbraad. Op weg naar de stad voorbij een paar duinen kwamen ze een groep voetvolk tegen zo’n dertig tot veertig man. De kornet van kapitein Grobbendonck die te paard was en een zwarte mantel droeg bij wijze van sjerp vroeg aan de Bréauté ’Bent u de Bréauté?’ En toen die bevestigend antwoordde zei de kornet ‘Handen omlaag! Geef je over! Sla hem dood! Sla hem dood!’ En hij trok zijn degen en sloeg hem. Toen zei mijnheer de Bréauté ’Mijnheer sla mij niet dood als een lafaard maar geef mij wapenen zodat ik mij kan verdedigen. Ik sta niet bekend als een lafaard.’ Maar de kornet en de andere ruiters van de vijand die bij het gevecht waren geweest stortten zich op hem brachten hem veel wonden toe en vermoordden hem ter plaatse.

     

In 1603 doet Maurits voor de 3e maal een poging om 's-Hertogenbosch in te nemen wederom mislukt dit de Stad lijkt een onneembare vesting te zijn en wordt in de volksmond ook wel "Klein Rome" of "de Moerasdraak" vanwege de drassige omgeving genoemd. Er is echter wel veel schade één van de kerken die grote schade lijdt is de Sint-Cathrien.

            

1618

Het Kruithuis aan de Citadellaan in ’s-Hertogenbosch is een bijzonder gebouw uit de zeventiende eeuw. Dit rijksmonument is het laatste nog bestaande Kruithuis uit de Tachtigjarige Oorlog (1568-1648) in ons land. Het is zoals de naam al zegt oorspronkelijk ontworpen om buskruit veilig te bewaren. Tijdens de ‘rust’ van het Twaalfjarig Bestand (1609-1621) zijn de verdedigingswerken

van ’s-Hertogenbosch gerenoveerd en uitgebreid. Op verschillende locaties in de stad werd in die tijd munitie opgeslagen. Dit gebeurde vooral in de torens en rondelen van de stadsmuren. Na een brand nabij een van deze kruitopslagplaatsen werd besloten tot de bouw van een nieuw verder van de bebouwing gelegen stadskruithuis. De bouwkundig ingenieur en stadsarchitect Jan van der Wege kreeg hiervoor in 1616 de opdracht. Samen met een stadsbestuurder bezocht hij gedurende deze vredesperiode verschillende kruithuizen in het ‘vijandige’ Holland. Aan de hand van het ontwerp van Van der Wege werd tussen 1618 en 1620 het Bossche stedelijk Kruithuis gebouwd. Het Kruithuis is een zeshoekig gebouw gemaakt van baksteen en natuursteen. Aan de stadszijde werd het gebouw afgesloten met een dikke muur met een overdekte galerij. De buitenmuren van het gebouw zijn wel 1 meter dik. Oorspronkelijk zaten er in deze buitenmuren geen ramen. In het gebouw bevindt zich een binnenplaats. Er zijn twee gemetselde zeshoekige traptorentjes met wenteltrap op de buitenhoeken. Om het gebouw liep een gracht die in 1769 gedempt maar bij de restauratie in 1975 hersteld is. Er was slechts één toegangspoort en wel aan de kant van de stadswallen dus van de stad af. Het dak van het gebouw heeft een lichte constructie. Ook de muren rond de binnenplaats zijn minder dik. Bij een eventuele ontploffing zou de druk daardoor omhoog gaan en van de stad af. De totale bouwsom bedroeg 22.748 gulden 4 stuivers en 6 oortjes die met veel moeite in fases bijeen werd gebracht. De laatste rekening van de bouw van het Kruithuis werd betaald op 27 september 1621. Acht jaar later na de inname van de stad kwam het gebouw in Staatse handen. Hieraan herinnert het wapen van de Republiek der Verenigde Nederlanden boven de toegangspoort. In de 19e eeuw werd de open galerij van het Kruithuis dichtgemetseld en werden in de buitengevel ramen aangebracht. Door de aanleg van de Zuid-Willemsvaart (1823-1826) ging de dikke buitenmuur dienstdoen als grondkering van de kanaaldijk. Tot de eerste helft van de twintigste eeuw was het gebouw eigendom van het rijk en had het vooral een militaire functie. In de negentiende eeuw werd het vaak met de naam ‘het laboratorium’ aangeduid. Dat is een ruimte waarin munitie voor geschut en (hand)vuurwapens vervaardigd of voor gebruik gereed gemaakt worden. Later was het gebouw in gebruik als opslagplaats. In de jaren dertig van de twintigste eeuw waren gebouw en omgeving sterk in verval en wilde het stadsbestuur dit van het Rijk in eigendom krijgen. Pas in 1947 kwam het gebouw door ruiling met de Mortelkazerne weer in handen van de gemeente. Hier vonden vanaf die tijd de cursussen ‘kerkelijke architectuur’ onder leiding van Dom. H.

van der Laan O.S.B. plaats. Hieruit is de bekende architectuurstroming van de ‘Bossche School’ voortgekomen. Ook gebruikte Het Brabants Orkest het gebouw als repetitielokaal. In 1964 werd het historische gebouw gerestaureerd. Later vonden de Gemeentelijke Tentoonstellingsdienst en van 1972-1994 het Stedelijk Museum voor Hedendaagse Kunst er onderdak. In 1975 werd het gebouw opnieuw grondige gerestaureerd terwijl toen ook de oude gracht met brug hersteld werd. Tussen 2020 en 2024 is het Kruithuis gerestaureerd.

        

1629

Het Beleg van ’s-Hertogenbosch in 1629 is een gebeurtenis die de geschiedenis van de stad en ommelanden drastisch heeft bepaald. ’s-Hertogenbosch was een belangrijke troef

in de Tachtigjarige Oorlog (1568-1648). Frederik Hendrik van Oranje, stadhouder en stedendwinger, wist deze machtige vesting op haar knieën te dwingen en door knap militair optreden de katholieke Spanjaarden te verdrijven uit de toegangspoort tot het zuiden. Begin 1629 stond de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden op een kruispunt. Inmiddels was de oorlog tegen Spanje al decennia oud en een definitieve overwinning die moest leiden tot een verenigd Nederland was nog ver weg. Het was een slepende onafhankelijkheidsstrijd tussen twee landen en tegelijkertijd een wrede burgeroorlog tussen de protestantse en katholieke bevolking. De vijand het Spaanse koninkrijk en zijn onderdanen kwam eind 1628 in een benarde situatie. De Spaanse staatskas stond zwaar onder druk door verschillende oorlogen waaronder die tegen de Republiek. Tot overmaat van

ramp wist de Staatse admiraal Piet Hein de Spaanse Zilvervloot te veroveren. De oorlogskas van de Nederlanders was hiermee gevuld die van de Spanjaarden vrijwel leeg. Bij de Staten-Generaal in Den Haag daagde het besef op dit is de tijd om de Spanjaarden een klap toe te brengen. Het oog van stadhouder en legeraanvoerder Frederik Hendrik van Oranje viel op ’s-Hertogenbosch de toegangspoort tot de zuidelijke Nederlanden. Het katholieke bolwerk werd zwaar verdedigd door een Spaans garnizoen, stadsmuren en het omliggende moerasgebied. Deze ‘Moerasdraak’ zou niet zomaar vallen. De economische tegenslagen van de Spanjaarden hadden ernstige gevolgen op het slagveld. In die tijd werden legers bij elkaar gekocht in plaats van een dienstplicht zoals wij die nu kennen. Legers bestonden dan ook niet alleen uit bewoners van het eigen land maar ook uit die van andere landen zoals Zweden en Engelsen. Een leger op de been brengen dat het tegen een Spaans garnizoen in een goed verdedigde stad op zou kunnen nemen was niet vanzelfsprekend. Het lukte mede door de Zilvervloot te veroveren stadhouder Frederik Hendrik om in het voorjaar een leger van ongeveer 30.000 man op de been te brengen. Een stad aanvallen en veroveren in die tijd was een hele opgave. ’s-Hertogenbosch stond bekend als ‘de Moerasdraak’ omdat de stad omringd was door allerlei waterhindernissen. In de winter waren slechts twee toegangswegen beschikbaar één vanuit Vught en één vanuit Hintham. In de zomer kon een bezoeker ook nog via Den Dungen, Orthen en Vlijmen de stad naderen. De rest van het omringende land kon makkelijk onder water worden gezet. Naast het water was de stad ook nog gebouwd als een fort. Tegenwoordig zijn de stadsmuur en verschillende bastions en bolwerken nog steeds te zien. Schansen een soort bewapend sterfort zoals die bij de Pettelaar waren bedoeld om verschillende toegangswegen te blokkeren. De oude middeleeuwse muren waren inmiddels omgebouwd naar een muur met een lichte kanteling en een aarden wal. Zo kon een kanon niet zomaar door de muur schieten. Tegenwoordig is deze stadsmuur nog steeds te zien. Deze muur en de verschillende verdedigingswerken gecombineerd met ongeveer 3400 Spaanse troepen zorgden voor een formidabele tegenstander. Eind april 1629 waren de Staatse legers bijeen gekocht en gingen zij zich verzamelen en richting de stad verplaatsen. Om een leger over de vroegmoderne wegen te laten marcheren vereiste de nodige planning. Het hele leger werd opgesplitst in een voorhoede, achterhoede en hoofdmacht. In de voorhoede marcheerden de kwartiermakers en pioniers om te zorgen dat verschillende plekken in werden gericht om het leger een plek te huisvesten. Het hoofdkwartier van de stadhouder kwam in Vught te liggen. Vanuit dit hoofdkwartier werd de omsingeling en belegering geleid. Daarnaast was de nadering vanuit Vught ook het punt waar het Staatse leger een doorbraak probeerde te forceren. Belegering en omsingeling was rond 1629 dé manier om oorlog te voeren op land. Open veldslagen waren zeldzaam. Legers altijd door geld aangekocht betekenden een flinke investering. Het was daarom een groot risico om die in één keer kwijt te raken. Tijdens een belegering werd een ring met loopgraven om de stad gegraven om vervolgens steeds via andere loopgraven de stad te naderen. Dit was ook het plan voor het Beleg van ’s-Hertogenbosch. Het was belangrijk om deze ring volledig om de stad te maken zodat vijandelijke troepen niet konden ontsnappen. Zo werden zij letterlijk uitgehongerd. Naast de uitgebreide werken om de stad te omsingelen werd het omringde land ook drooggelegd. De Aa en de Dommel werden allebei afgedamd en omgeleid. Hele gebieden werden leeggepompt door nieuw gebouwde watermolens een unieke prestatie voor die tijd. Door dit drooggelegde land konden de aanvallers naderen en de stad vanuit nog meer kanten bedreigen. De twee opties van het garnizoen in de Bossche vesting waren wachten tot een Spaans leger de Hollanders in de rug aan zou vallen of overgeven. Tijdens het beleg ondervonden de verdedigers constant vuur uit verschillende kanonnen en mortieren van de aanvallers. Overigens werden niet alleen militairen getroffen maar werden huizen, winkels en burgers in de stad ook slachtoffers van het krijgsgeweld. De verdediger kon constant de aanvaller beschieten terwijl hij meter na meter dichterbij de verschillende forten, bolwerken en poorten aan het naderen was. Via vijf verschillende routes werd de stad aangevallen. Volgens Frederik Hendrik was dit de manier om de verdedigers zo veel mogelijk te verspreiden over de stadsmuur, schansen en forten die de stad beschermden. Deze veroveringen namen maanden in beslag. Naarmate september steeds dichterbij kwam werd de druk op de verdediging steeds groter. Kleine overwinningen op de forten rondom de stad waren een voorloper voor de hamer die zou vallen bij de Vughterpoort. Daar in het zwaartepunt van de aanval van Frederik Hendrik schrokken de verdedigers op maandag 10 september van een immense explosie. Twee mijnen werden tot ontploffing gebracht onder het hoornwerk dat de poort bewaakte. Een dag later op 11 september werd op deze manier ook het bastion opgeblazen. Hiermee was een gat geslagen in de verdediging van de stad en konden de aanvallers naar binnen stormen. Dit deden zij niet meteen zodat de stad gespaard bleef. In die tijd mocht een stad zich overgeven nadat zij voldoende weerstand had geleverd. Was dit niet het geval dan zouden de verdedigers door de Spaanse regering worden veroordeeld. Gaf de stad zich niet over dan liep zij het risico om geplunderd te worden. Precies hierom startten snel na de bres in de Vughterpoort de  onderhandelingen. Binnen een paar dagen werd besloten door de gouverneur, het stadsbestuur en de Staatsen dat de overlevende verdedigers en alle mannelijke katholieke geestelijken een beschermde uittocht uit de stad mochten hebben. Het verlies van ’s-Hertogenbosch was een mokerslag voor het Spaanse koninkrijk. Niet alleen leverde het internationaal gezichtsverlies op ook moest men in de twintig jaar die de oorlog nog zou duren rekening houden met aanvallen vanuit ’s-Hertogenbosch. De weg naar de zuidelijke Nederlanden lag open. De Spanjaarden zouden nu altijd rekening moeten houden met een aanval dwars door de Lage Landen.

            

1634

Bastion Oranje werd in 1634 gebouwd als onderdeel van de Bossche vestingwerken. In 1629 was de stad ingenomen door de Staatse legers van prins Frederik Hendrik. De kans was groot dat de Spanjaarden terug zouden keren. Reden om de verdediging van de stad eens goed onder de loep te nemen. De afstand tussen de bastions Vught (bij het Wilhelminaplein) en Baselaar

(Hekellaan) was te groot. Dus kwam er halverwege een nieuw verdedigingswerk voor de plaatsing van zwaar geschut twee meter dikke muren en daarbovenop een aarden wal. In feite werd het nieuwe bastion voor de oude hoofdwal en een middeleeuwse rondeel gelegd. Ook was er op deze winderige plek plaats voor een molen. Midden negentiende eeuw kwam er een dampende olie- en meelfabriek voor in de plaats. Het bastion Oranje had inmiddels zijn verdedigingsfunctie verloren sinds de vestingwet van 1874. De muren van het bastion behielden hun waterkerende functie tot op de dag van vandaag. In 1885 werd de grond van het bastion door de gemeente aangekocht waarna er een parkje werd aangelegd. Sindsdien kun je hier even op adem komen met een unieke weidse blik over het Bossche Broek. Op deze plek is ook het Bastionder gevestigd. Een ondergronds informatiecentrum over de Bossche Vestingwerken.

            

1637

In de tijd dat de protestantse Frederik Hendrik van Oranje s-Hertogenbosch bezette is tussen 1637 en 1642 in opdracht van de Raad van State een fort gebouwd. Tijdens de bouw werden de plannen steeds meer uitgebreid en uiteindelijk groeide het fort uit tot een vijfhoekige schans met Bastions en rondom een brede gracht. Het fort werd genoemd naar de zoon en schoondochter van

Frederik Hendrik. Fort Willem Maria sinds de inval van de Fransen beter bekend onder de naam Citadel. Het fort had na de voltooiing twee functies. Het moest de stad verdedigen tegen eventuele aanvallen van de Spanjaarden, maar tegelijkertijd moest het ook de Bossche inwoners in de gaten houden. Het kreeg daarom de bijnaam papenbril. Het Staatse bewind was bang dat de inwoners van het katholieke 's-Hertogenbosch trouw bleven aan de Spaanse koning. In de periode dat de Citadel werd gebouwd, was het gezag van de Spaanse koning in het noorden van het land al aan het teruglopen, maar in het zuiden van het land had de koning nog veel gezag. Rond 1789 werd aan het fort een kazernefunctie gegeven. Midden op het terrein werd een kazernegebouw gebouwd, dat in 1848 werd uitgebreid met vier vleugels. Dit gebouw met de daarbij behorende vleugels was bedoeld voor de manschappen. In de militaire periode vervulde de kazerne ook de functie van tribunaal en militaire gevangenis. In de Franse Periode zijn hier ook mensen geëxecuteerd. Om het fort een vrij schootsveld te geven werd de wijk Ortheneind gesloopt samen met de St.-Petrus en Pauluskerk. Het gebied waarvan de bebouwing tegen de vlakte ging besloeg ongeveer 4 ha. Ook de noordelijke toegangsweg naar de stad ging voortaan via de Citadel lopen langs de noordelijke en de zuidelijke poort van het bouwwerk. Het schootsveld wat hierdoor ontstond ging De Plein heten. Dit gebied kon de gemeente pas weer opnieuw bebouwen na de vestingwet in 1874. Tussen 1823 en 1825 is de Zuid-Willemsvaart gegraven. De scheepvaart had veel last van de uitstekende punt die in de Zuid-Willemsvaart stak. Deze punt is in 1880 van de Citadel gesloopt. De vier militaire gebouwen zijn in 1984 gesloopt, toen de Citadel grondig werd gerenoveerd. De militaire functie had het immers al in de jaren ‘60 verloren. Het carrévormige gebouw waar de vleugels aan werden gebouwd is eveneens gesloopt maar na aanleg van de kelders gereconstrueerd. Het doet nu dienst als Rijksarchief, het Brabants Historisch Informatie Centrum is hier gevestigd. De Citadel is eigendom van de Staat.

       

Er ontstaat een hevige discussie tussen 1641 en 1646 of de Illustre Lieve Vrouwe Broederschap mag blijven bestaan het is immers een

katholieke vereniging dus verbieden maar ook is de Vader des Vaderlands (Willem l, de Zwijger) lid geweest. Vooral dominee Voetius bestrijdt de Broederschap het resultaat is dat de Broederschap mag blijven bestaan met een beperkt aantal leden (36) waarvan de helft katholiek is en de andere helft hervormd.

       

1670

Het stadhuis hét centrum van de Bossche burgerij is van oudsher de zetel van het stadsbestuur. Het dateert in de huidige vorm grotendeels uit 1670. Het bestaat

uit drie samengevoegde particuliere woonhuizen. Het middelste pand werd in 1366 door de stad aangekocht. Het linker- en rechterbuurpand werden respectievelijk in 1481 en 1599 bij het stadhuis gevoegd. In 1563 werd een nieuw griffiehuis gebouwd op het achtererf. Hiervan werd de verdieping eerst gebruikt als schepenkamer en later als trouwzaal. Het stadhuis aan de Markt is een indrukwekkend gebouw. Het is flink verbouwd in 1670. In die tijd waren in ’s-Hertogenbosch bestuurders uit Holland de baas. Dat ze belangrijk waren lieten ze zien door in hun eigen Hollandse stijl het stadhuis verbouwen. De gewone Bosschenaren waren ruim honderdvijftig jaar lang tweederangsburgers. De sterke invloed van Holland blijkt ook duidelijk uit de verbouwing van het stadhuis. De architect Pieter Minne ontwierp een nieuwe gevel volgens het Hollands classicisme. Dit was een stijl die nu nog terug te zien is in het Mauritshuis in Den Haag of het Paleis op de Dam in Amsterdam. Er werden veel elementen uit de tijd van de Grieken en Romeinen gebruikt zoals de zuilen en het fronton (de driehoekige bekroning van de gevel). Een

prachtig ontwerp dat veel geld kostte het is duidelijk dat het stadsbestuur indruk wilde maken. Met dat stadsbestuur was een kleine groep protestanten aan de macht. Maar de meerderheid van de bevolking die katholiek was had weinig in te brengen. Deze periode van Hollandse ‘overheersing’ eindigde in 1794 met de komst van de Fransen. Het stadhuis aan de Markt heeft nog altijd dezelfde functie. Het stadhuis heeft een rijk interieur uit verschillende perioden 17e-eeuws goudleerbehang, wandtapijten, 18e-eeuwse schouwen, lambriseringen, enzovoort.

                         

home

Vorige12346789Volgende

Website informatieGastenboek

Foto's copyright © bij groetenuitdenbosch.nl