|

|
|
Geschiedenis
De Historie van
's-Hertogenbosch
|
|

|
Boven de bekende koepel
van de Sint-Jan in Den
Bosch stond vóór 1584
een hoge middentoren. Op
10 juli 1584 is Willem
van Oranje in Delft
doodgeschoten door
Balthasar Gerards. Velen
vreesden andere
hoopten dat daardoor de
strijd in de
Nederlanden de leider
van de opstand tegen
Spanje was immers niet
meer in leven zou
worden gestaakt. Dat was
echter niet het geval
pas in
|
1648 zou er definitief
vrede komen. Niet iedereen in de Nederlanden was dezelfde dag op de hoogte
van de moord. De berichtgeving in het algemeen en wegens de oorlogstoestand
in het bijzonder zorgde ervoor dat het bericht zich maar langzaam
verspreidde. Pas twee weken (25 juli) later is het in 's-Hertogenbosch bekend
geraakt. Het leidde tot een opgewekte stemming in de stad. De Bosschenaren
vonden dat Willem een terechte straf gekregen had en zij wilden God danken
dat de eenheid in de Nederlanden wellicht spoedig hersteld zou zijn en dat
het katholieke geloof zou terugkeren. Op 25 juli 1584 werden daarom 's
middags in de Sint-Jan plechtig het 'Te Deum Laudemus' gezongen. Die bewuste
25e juli was een warme drukkende dag. Niemand verwonderde er zich dan ook
over dat er 's avonds een zwaar onweer losbarstte. Tijdens het noodweer om
ongeveer elf uur trof een bliksem de hoge middentoren van de Sint-Jan. Deze
toren was van hout gemaakt en bekroond met een groot koperen beeld van
Sint-Jan. De gehele toren vloog in brand en brandde geheel uit. Het onder de
toren staande oxaal en een aantal altaren werden vernield. Omdat de
brandende toren op het middenschip viel raakte ook het dak van de kerk en
de westelijke toren in brand. Met veel lawaai vielen de grote klokken naar
beneden. Brandend lood gutste via de waterspuwers op straat. De reusachtige
brand was zelfs te zien in Utrecht en Antwerpen. De wakker geschrokken
Bosschenaren trachtten het vuur te blussen. Pas om 2 uur 's nachts slaagden
zij daarin. Sommigen zagen een Godsoordeel in de brand door een dankdienst
in de kerk wegens de moord te houden riep 's-Hertogenbosch immers Gods straf op. Op
31 juli 1584 had er een collecte plaats in de stad om te komen tot herbouwen
van de toren. In alle kerken waren speciale offerblokken geplaatst. Er werd
weliswaar geld opgehaald maar de hoge toren hoger dan de bestaande westtoren is niet meer herbouwd. |
|

|
Op 19 januari 1585 in de
vroege morgenuren
naderen de Staatse
troepen onder leiding
van de graaf van
Hohenlohe ongemerkt de
Vughterpoort. Als de
poortwachter de poort
opent en de brug
neerlaat wordt hij
overmeesterd. De
Staatsen trekken door de
Vughterstraat in de
richting van de Markt.
De poortwachter is
intussen bijgekomen en
beseft direct wat er aan
de hand is. Eerst sluit |
hij de
Poort en vervolgens slaat hij alarm. De wakker geschrokken Bosschenaren
vallen direct aan en verjagen de vijand uit de stad. Veel soldaten moeten
zich het vege lijf redden door vanaf de stadsmuur recht in de koude gracht
te springen. De graaf van Hohenlohe
moet zich terugtrekken,
|
maar vestigt
zich op het fort Crevecoeur zodat hij een bedreiging voor de stad blijft
vormen.
Het wonder van Empel, de Spaanse troepen zaten vijf dagen vast in de kou en regen ingesloten
tussen de Staatse troepen met hun schepen op het water. De schutters op de
schepen vuurden van 4 tot 7 december voortdurend op de Spaanse stellingen.
Om zich tegen de dreigende landing van de Staatsen te beschermen groeven de
tercios zich in rond de kerk van Empel. Een Spaanse soldaat vond daarbij een
onbeschadigd schilderij dat de Onbevlekte Ontvangenis van Maria voorstelde.
Bobadilla liet de afbeelding in de kerk plaatsen waarna een gebed
plaatsvond. De volgende dag 8 december was de dag waarop de Onbevlekte
Ontvangenis traditioneel al enige eeuwen werd gevierd en de Bossche
Lieve-Vrouwe-broederschap hield een plechtige processie om Gods hulp af te
smeken over de ingesloten Spaanse soldaten die hun rooms-katholieke
geloofsgenoten waren. Later die dag begon het hard te vriezen. De schepen
die dreigden in te vriezen moesten zich terugtrekken naar het open water van
de Maas. Twee dagen later begon het te dooien en zo konden de Spaanse
troepen weer terug worden gebracht in 's-Hertogenbosch. Dat verhinderde
evenwel niet dat er nog vele stierven ten gevolge van de doorstane
ontberingen. Volgens een Spaanse bron bliezen de Staatsen echter de aftocht
omdat Mansfeld zware artillerie uit 's-Hertogenbosch had aangevoerd waarmee
hij de schepen beschoot die daarom moesten terugtrekken toen liepen de
schepen vast in het ijs en werden enkele door Mansfelds troepen in brand
geschoten of veroverd. Volgens deze versie was het ijs dus geen motief voor
maar een
|
|
obstakel tijdens de Staatse terugtocht. Ook de
Staatsgezinde cartograaf Frans Hogenberg stelde dat het eigenlijk Mansfeld was die de
manschappen van Bobadilla heeft gered. Niettemin werd in het Spaanse leger
het geschiedde in Empel beschouwd als een wonder. De verering van Maria nam
in militaire kringen een hoge vlucht. Er werd een broederschap opgericht die
de naam droeg "Soldaten der Onbevlekt Ontvangen Maagd". In 1892 werd Maria
de patrones van de Spaanse infanterie bij koninklijk decreet. Honderden jaren later in 2000 besloot
Waterschap De Maaskant de provincie
Noord-Brabant en de Stichting Kapel Oud-Empel een kapel (hermitage) te
schenken aan de bewoners op de dijk als dank voor de overlast van het
ophogen van de dijk. Deze kwam op de plaats waar de ingang van de
oorspronkelijke kerk zich bevond welke was verwoest in 1944 tijdens de
gevechten die gedurende de Tweede Wereldoorlog in dat gebied plaatsvonden.
In 2006 ontdekte een Spaanse soldaat gelegerd in Brussel bij toeval de kapel
en meldde dit aan de academie van de Infanterie te Toledo in Spanje. Dat was
een ontdekking van groot belang die leidde tot een bedevaart van meer dan
vijfhonderd Spanjaarden naar Empel onder leiding van hun militaire
Aartsbisschop. Vanaf dat moment werd Empel onafgebroken bezocht door
Spanjaarden. Elk jaar op de zaterdag voordat de viering van het feest van de
Onbevlekte Ontvangenis plaatsvindt komen honderden Spanjaarden in Empel en Oud-Empel samen om dit belangrijke feest te vieren. |
|

|
Het wordt wel het
laatste middeleeuwse
riddergevecht genoemd de
Slag van Lekkerbeetje op
de Vughtse hei in
februari 1600. Het was
een georganiseerd
groepsduel onder
aanvoering van Charles
de Bréauté ritmeester in
dienst van prins Maurits
aan de ene kant en
Gerard van Houwelingen
bijgenaamd Lekkerbeetje
en kapitein van de
Bossche gouverneur
Grobbendonck aan de
andere kant. |
Beide partijen waren tweeëntwintig man
sterk. Plaats van handeling was de besneeuwde Vughterhei op korte
afstand van de stadsmuren van ’s-Hertogenbosch. Het duel was bepaald
geen spelletje er vielen nogal wat doden onder wie de beide
aanvoerders. Aan Bossche kant sneuvelden er nog vier man aan Staatse
zijde nog eens zeventien allemaal Franse militairen. “Lekkerbeetje”
dat betekent lekkerbek, "snoeper", maar ook wel "snoever" werd al
vrijwel direct dodelijk getroffen door een pistoolkogel. Charles de
Bréauté werd nadat hij zich had overgegeven alsnog door een aantal
soldaten vermoord. Het gevecht werd door meer dan 500 toeschouwers
bijgewoond. Er zijn dan ook verschillende getuigenverklaringen
bewaard gebleven. Hieruit enkele fragmenten “De Bréauté had een
grote pluim op zijn helm. Ook op het hoofd van zijn paard was zo’n
pluim en om de hals hing een grote groene sjerp. Van Houwelingen de
luitenant van Grobbendonck en aanvoerder van de vijandelijke ruiters
had een grote rode sjerp om zijn middel. Toen beide partijen
aanvielen ging de Bréauté recht op de luitenant af die bij die
eerste aanval al dood bleef samen met zijn broer en met zijn zwager.
Van de zijde van de Bréauté sneuvelden bij dat eerste treffen zijn
kwartiermeester Hugo Plisson en de Bahubert. Hijzelf reed dwars door
de vijandelijke linie heen keerde terug om opnieuw een charge uit te
voeren maar daarbij werd zijn paard dood geschoten. De Bréauté vocht
te voet verder met zijn degen en deed alles wat hij kon om zich te
verdedigen. Maar een paar van zijn mensen sloegen op de vlucht. De
eerste die dat deed was kapitein la Pierre die later overliep naar
de vijand. Na hem sloegen ook le Tarte, Beaurou en Champaigne op de
vlucht. Terwijl de Bréauté nog te voet vocht vluchtte du Lyon ook
weg. Toen de Bréauté dat zag riep hij ‘Schurken jullie laten me in
de steek?!’ En de getuigen riepen ‘Lafaards kom terug!’ maar de
anderen gingen er vandoor. Mijnheer de Bréauté gaf zich daarna over
aan een ruiter uit het vijandelijke kamp op voorwaarde dat men hem
het leven zou sparen. De trompetter van de vijand zei tegen mijnheer
de Bréauté dat kapitein Grobbendonck voor hem een avondmaal zou
bereiden met allerlei soorten wildbraad. Op weg naar de stad voorbij
een paar duinen kwamen ze een groep voetvolk tegen zo’n dertig tot
veertig man. De kornet van kapitein Grobbendonck die te paard was en
een zwarte mantel droeg bij wijze van sjerp vroeg aan de Bréauté
’Bent u de Bréauté?’ En toen die bevestigend antwoordde zei de
kornet ‘Handen omlaag! Geef je over! Sla hem dood! Sla hem dood!’ En
hij trok zijn degen en sloeg hem. Toen zei mijnheer de Bréauté
’Mijnheer sla mij niet dood als een lafaard maar geef mij wapenen
zodat ik mij kan verdedigen. Ik sta niet bekend als een lafaard.’
Maar de kornet en de andere ruiters van de vijand die bij het
gevecht waren geweest stortten zich op hem brachten hem veel wonden
toe en vermoordden hem ter plaatse.
In 1603 doet Maurits voor de 3e
maal een poging om 's-Hertogenbosch in te nemen wederom mislukt dit
de Stad lijkt een onneembare vesting te zijn en wordt in de
volksmond ook wel "Klein Rome" of "de Moerasdraak" vanwege de
drassige omgeving genoemd. Er is echter wel veel schade één van de
kerken die grote schade lijdt is de Sint-Cathrien. |
|

|
Het Kruithuis aan de
Citadellaan in
’s-Hertogenbosch is een
bijzonder gebouw uit de
zeventiende eeuw. Dit
rijksmonument is het
laatste nog bestaande
Kruithuis uit de
Tachtigjarige Oorlog
(1568-1648) in ons land.
Het is zoals de naam al
zegt oorspronkelijk
ontworpen om buskruit
veilig te bewaren.
Tijdens de ‘rust’ van
het Twaalfjarig Bestand
(1609-1621) zijn de
verdedigingswerken |
van
’s-Hertogenbosch gerenoveerd en uitgebreid. Op verschillende locaties in de
stad werd in die tijd munitie opgeslagen. Dit gebeurde vooral in de torens
en rondelen van de stadsmuren. Na een brand nabij een van deze
kruitopslagplaatsen werd besloten tot de bouw van een nieuw verder van de
bebouwing gelegen stadskruithuis. De bouwkundig ingenieur en stadsarchitect
Jan van der Wege kreeg hiervoor in 1616 de opdracht. Samen met een
stadsbestuurder bezocht hij gedurende deze vredesperiode verschillende
kruithuizen in het ‘vijandige’ Holland. Aan de hand van het ontwerp van Van
der Wege werd tussen 1618 en 1620 het Bossche stedelijk Kruithuis gebouwd.
Het Kruithuis is een zeshoekig gebouw gemaakt van baksteen en natuursteen.
Aan de stadszijde werd het gebouw afgesloten met een dikke muur met een
overdekte galerij. De buitenmuren van het gebouw zijn wel 1 meter dik.
Oorspronkelijk zaten er in deze buitenmuren geen ramen. In het gebouw
bevindt zich een binnenplaats. Er zijn twee gemetselde zeshoekige
traptorentjes met wenteltrap op de buitenhoeken. Om het gebouw liep een
gracht die in 1769 gedempt maar bij de restauratie in 1975 hersteld is. Er
was slechts één toegangspoort en wel aan de kant van de stadswallen dus van
de stad af. Het dak van het gebouw heeft een lichte constructie. Ook de
muren rond de binnenplaats zijn minder dik. Bij een eventuele ontploffing
zou de druk daardoor omhoog gaan en van de stad af. De totale bouwsom
bedroeg 22.748 gulden 4 stuivers en 6 oortjes die met veel moeite in fases
bijeen werd gebracht. De laatste rekening van de bouw van het Kruithuis werd
betaald op 27 september 1621. Acht jaar later na de inname van de stad kwam
het gebouw in Staatse handen. Hieraan herinnert het wapen van de Republiek
der Verenigde Nederlanden boven de toegangspoort. In de 19e eeuw werd de
open galerij van het Kruithuis dichtgemetseld en werden in de buitengevel
ramen aangebracht. Door de aanleg van de Zuid-Willemsvaart (1823-1826) ging
de dikke buitenmuur dienstdoen als grondkering van de kanaaldijk. Tot de
eerste helft van de twintigste eeuw was het gebouw eigendom van het rijk en
had het vooral een militaire functie. In de negentiende eeuw werd het vaak
met de naam ‘het laboratorium’ aangeduid. Dat is een ruimte waarin munitie
voor geschut en (hand)vuurwapens vervaardigd of voor gebruik gereed gemaakt
worden. Later was het gebouw in gebruik als opslagplaats. In de jaren dertig
van de twintigste eeuw waren gebouw en omgeving sterk in verval en wilde het
stadsbestuur dit van het Rijk in eigendom krijgen. Pas in 1947 kwam het
gebouw door ruiling met de Mortelkazerne weer in handen van de gemeente.
Hier vonden vanaf die tijd de cursussen ‘kerkelijke architectuur’ onder
leiding van Dom. H.
|
|
van der Laan O.S.B. plaats. Hieruit is de bekende
architectuurstroming van de ‘Bossche School’ voortgekomen. Ook gebruikte Het
Brabants Orkest het gebouw als repetitielokaal. In 1964 werd het historische
gebouw gerestaureerd. Later vonden de Gemeentelijke Tentoonstellingsdienst
en van 1972-1994 het Stedelijk Museum voor Hedendaagse Kunst er onderdak. In
1975 werd het gebouw opnieuw grondige gerestaureerd terwijl toen ook de oude
gracht met brug hersteld werd. Tussen 2020 en 2024 is het Kruithuis
gerestaureerd.
|

|
Het Beleg van
’s-Hertogenbosch in 1629
is een gebeurtenis die
de geschiedenis van de
stad en ommelanden
drastisch heeft bepaald.
’s-Hertogenbosch was
een belangrijke troef
|
in
de Tachtigjarige Oorlog
(1568-1648). Frederik
Hendrik van Oranje,
stadhouder en
stedendwinger, wist deze
machtige vesting op haar
knieën te dwingen en
door knap militair
optreden de katholieke
Spanjaarden te
verdrijven uit de
toegangspoort tot het
zuiden. Begin 1629 stond
de Republiek der Zeven
Verenigde Nederlanden op
een kruispunt. Inmiddels
was de oorlog tegen
Spanje al decennia oud
en een definitieve
overwinning die moest
leiden tot een verenigd
Nederland was nog ver
weg. Het was een
slepende
onafhankelijkheidsstrijd
tussen twee landen en
tegelijkertijd een wrede
burgeroorlog tussen de
protestantse en
katholieke bevolking. De
vijand het Spaanse
koninkrijk en zijn
onderdanen
kwam eind 1628 in een
benarde situatie.
De Spaanse staatskas stond zwaar onder druk
door verschillende oorlogen waaronder die tegen de Republiek.
Tot overmaat van
|
ramp wist de Staatse
admiraal Piet Hein de
Spaanse Zilvervloot te
veroveren.
De
oorlogskas van de Nederlanders was hiermee gevuld die van de Spanjaarden
vrijwel leeg. Bij de Staten-Generaal in Den Haag daagde het besef op dit is
de tijd om de Spanjaarden een klap toe te brengen. Het oog van stadhouder en
legeraanvoerder Frederik Hendrik van Oranje viel op ’s-Hertogenbosch de
toegangspoort tot de zuidelijke Nederlanden. Het katholieke bolwerk werd
zwaar verdedigd door een Spaans garnizoen, stadsmuren en het omliggende
moerasgebied. Deze ‘Moerasdraak’ zou niet zomaar vallen. De economische
tegenslagen van de Spanjaarden hadden ernstige gevolgen op het slagveld. In
die tijd werden legers bij elkaar gekocht in plaats van een dienstplicht
zoals wij die nu kennen. Legers bestonden dan ook niet alleen uit bewoners
van het eigen land maar ook uit die van andere landen zoals Zweden en
Engelsen. Een leger op de been brengen dat het tegen een Spaans garnizoen in
een goed verdedigde stad op zou kunnen nemen was niet vanzelfsprekend. Het
lukte mede door de Zilvervloot te veroveren stadhouder Frederik Hendrik om
in het voorjaar een leger van ongeveer 30.000 man op de been te brengen. Een
stad aanvallen en veroveren in die tijd was een hele opgave.
’s-Hertogenbosch stond bekend als ‘de Moerasdraak’ omdat de stad omringd
was door allerlei waterhindernissen. In de winter waren slechts twee
toegangswegen beschikbaar één vanuit Vught en één vanuit Hintham. In de
zomer kon een bezoeker ook nog via Den Dungen, Orthen en Vlijmen de stad
naderen. De rest van het omringende land kon makkelijk onder water worden
gezet. Naast het water was de stad ook nog gebouwd als een fort.
Tegenwoordig zijn de stadsmuur en verschillende bastions en bolwerken nog
steeds te zien. Schansen een soort bewapend sterfort zoals die bij de Pettelaar waren bedoeld om verschillende toegangswegen te blokkeren. De oude
middeleeuwse muren waren inmiddels omgebouwd naar een muur met een lichte
kanteling en een aarden wal. Zo kon een kanon niet zomaar door de muur
schieten. Tegenwoordig is deze stadsmuur nog steeds te zien. Deze muur en de
verschillende verdedigingswerken gecombineerd met ongeveer 3400 Spaanse
troepen zorgden voor een formidabele tegenstander. Eind april 1629 waren de
Staatse legers bijeen gekocht en gingen zij zich verzamelen en richting de
stad verplaatsen. Om een leger over de vroegmoderne wegen te laten
marcheren vereiste de nodige planning. Het hele leger werd opgesplitst in
een voorhoede, achterhoede en hoofdmacht. In de voorhoede marcheerden de
kwartiermakers en pioniers om te zorgen dat verschillende plekken in werden
gericht om het leger een plek te huisvesten. Het hoofdkwartier van de
stadhouder kwam in Vught te liggen. Vanuit dit hoofdkwartier werd de
omsingeling en belegering geleid. Daarnaast was de nadering vanuit Vught ook
het punt waar het Staatse leger een doorbraak probeerde te forceren.
Belegering en omsingeling was rond 1629 dé manier om oorlog te voeren op
land. Open veldslagen waren zeldzaam. Legers altijd door geld aangekocht
betekenden een flinke investering. Het was daarom een groot risico om die in
één keer kwijt te raken. Tijdens een belegering werd een ring met
loopgraven om de stad
gegraven om vervolgens
steeds via andere
loopgraven de stad te
naderen.
Dit was ook het plan
voor het Beleg van ’s-Hertogenbosch. Het was belangrijk om deze ring
volledig om de stad te maken zodat vijandelijke troepen niet konden
ontsnappen. Zo werden zij letterlijk uitgehongerd. Naast de uitgebreide
werken om de stad te omsingelen werd het omringde land ook drooggelegd. De
Aa en de Dommel werden allebei afgedamd en omgeleid. Hele gebieden werden
leeggepompt door nieuw gebouwde watermolens een unieke prestatie voor die
tijd. Door dit drooggelegde land konden de aanvallers naderen en de stad
vanuit nog meer kanten bedreigen. De twee opties van het garnizoen in de
Bossche vesting waren wachten tot een Spaans leger de Hollanders in de rug
aan zou vallen of overgeven. Tijdens het beleg ondervonden de verdedigers
constant vuur uit verschillende kanonnen en mortieren van de aanvallers.
Overigens werden niet alleen militairen getroffen maar werden huizen,
winkels en burgers in de stad ook slachtoffers van het krijgsgeweld. De
verdediger kon constant de aanvaller beschieten terwijl hij meter na meter
dichterbij de verschillende forten, bolwerken en poorten aan het naderen
was. Via vijf verschillende routes werd de stad aangevallen. Volgens
Frederik Hendrik was dit de manier om de verdedigers zo veel mogelijk te
verspreiden over de stadsmuur, schansen en forten die de stad beschermden.
Deze veroveringen namen maanden in beslag. Naarmate september steeds
dichterbij kwam werd de druk op de verdediging steeds groter. Kleine
overwinningen op de
forten rondom de stad
waren een voorloper voor
de hamer die zou vallen
bij de Vughterpoort. Daar in het
zwaartepunt van de aanval van Frederik Hendrik schrokken de verdedigers op
maandag 10 september van een immense explosie. Twee mijnen werden tot
ontploffing gebracht onder het hoornwerk dat de poort bewaakte. Een dag
later op 11 september werd op deze manier ook
het bastion opgeblazen.
Hiermee was een gat
geslagen in de
verdediging van de stad
en konden de aanvallers
naar binnen stormen. Dit
deden zij niet meteen
zodat de stad gespaard
bleef. In die tijd mocht
een stad zich overgeven
nadat zij voldoende
weerstand had geleverd.
Was dit niet het geval
dan zouden de
verdedigers door de
Spaanse regering worden
veroordeeld. Gaf de stad
zich niet over dan liep
zij het risico om
geplunderd te worden.
Precies hierom startten
snel na de bres in de Vughterpoort de
onderhandelingen. Binnen een
paar dagen werd besloten door de gouverneur, het stadsbestuur en de Staatsen
dat de overlevende verdedigers en alle mannelijke katholieke geestelijken
een beschermde uittocht uit de stad mochten hebben. Het verlies van
’s-Hertogenbosch was een mokerslag voor het Spaanse koninkrijk. Niet alleen
leverde het internationaal gezichtsverlies op ook moest men in de twintig
jaar die de oorlog nog zou duren rekening houden met aanvallen vanuit
’s-Hertogenbosch. De weg naar de zuidelijke Nederlanden lag open. De
Spanjaarden zouden nu altijd rekening moeten houden met een aanval dwars
door de Lage Landen. |
|

|
Bastion Oranje werd in
1634 gebouwd als
onderdeel van de Bossche
vestingwerken. In 1629
was de stad ingenomen
door de Staatse legers
van prins Frederik
Hendrik. De kans was
groot dat de Spanjaarden
terug zouden keren.
Reden om de verdediging
van de stad eens goed
onder de loep te nemen.
De afstand tussen de
bastions Vught (bij het
Wilhelminaplein) en
Baselaar |
(Hekellaan) was
te groot. Dus kwam er
halverwege een nieuw verdedigingswerk voor de plaatsing van zwaar geschut
twee meter dikke muren en daarbovenop een aarden wal. In feite werd het
nieuwe bastion voor de oude hoofdwal en een middeleeuwse rondeel gelegd. Ook
was er op deze winderige plek plaats voor een molen. Midden negentiende eeuw
kwam er een dampende olie- en meelfabriek voor in de plaats. Het bastion
Oranje had inmiddels
zijn verdedigingsfunctie
verloren sinds de
vestingwet van 1874. De
muren van het bastion
behielden hun
waterkerende functie tot
op de dag van vandaag. In 1885 werd de
grond van het bastion door de gemeente aangekocht waarna er een parkje werd
aangelegd. Sindsdien kun je hier even op adem komen met een unieke weidse
blik over het Bossche Broek. Op deze plek is ook het Bastionder gevestigd.
Een ondergronds informatiecentrum over de Bossche Vestingwerken.
|
|

|
In de tijd dat de
protestantse Frederik
Hendrik van Oranje
s-Hertogenbosch bezette
is tussen 1637 en 1642
in opdracht van de Raad
van State een fort
gebouwd. Tijdens de bouw
werden de plannen steeds
meer uitgebreid en
uiteindelijk groeide het
fort uit tot een
vijfhoekige schans met
Bastions en rondom een
brede gracht. Het fort
werd genoemd naar de
zoon en schoondochter
van
|
Frederik Hendrik. Fort Willem
Maria sinds de inval van de Fransen beter bekend onder de naam Citadel. Het
fort had na de voltooiing twee functies. Het moest de stad verdedigen tegen
eventuele aanvallen van de Spanjaarden, maar tegelijkertijd moest het ook de
Bossche inwoners in de gaten houden. Het kreeg daarom de bijnaam papenbril.
Het Staatse bewind was bang dat de inwoners van het katholieke
's-Hertogenbosch trouw bleven aan de Spaanse koning. In de periode dat de
Citadel werd gebouwd, was het gezag van de Spaanse koning in het noorden van
het land al aan het teruglopen, maar in het zuiden van het land had de
koning nog veel gezag. Rond 1789 werd aan het fort een kazernefunctie
gegeven. Midden op het terrein werd een kazernegebouw gebouwd, dat in 1848
werd uitgebreid met vier vleugels. Dit gebouw met de daarbij behorende
vleugels was bedoeld voor de manschappen. In de militaire periode vervulde
de kazerne ook de functie van tribunaal en militaire gevangenis. In de
Franse Periode zijn hier ook mensen geëxecuteerd. Om het fort een vrij
schootsveld te geven werd de wijk Ortheneind gesloopt samen met de St.-Petrus
en Pauluskerk. Het gebied waarvan de bebouwing tegen de vlakte ging besloeg
ongeveer 4 ha. Ook de noordelijke toegangsweg naar de stad ging voortaan via
de Citadel lopen langs de noordelijke en de zuidelijke poort van het
bouwwerk. Het schootsveld wat hierdoor ontstond ging De Plein heten. Dit
gebied kon de gemeente pas weer opnieuw bebouwen na de vestingwet in 1874.
Tussen 1823 en 1825 is de Zuid-Willemsvaart gegraven. De scheepvaart had
veel last van de uitstekende punt die in de Zuid-Willemsvaart stak. Deze
punt is in 1880 van de Citadel gesloopt. De vier militaire gebouwen zijn in
1984 gesloopt, toen de Citadel grondig werd gerenoveerd. De militaire
functie had het immers al in de jaren ‘60 verloren. Het carrévormige gebouw
waar de vleugels aan werden gebouwd is eveneens gesloopt maar na aanleg van
de kelders gereconstrueerd. Het doet nu dienst als Rijksarchief, het
Brabants Historisch Informatie Centrum is hier gevestigd. De Citadel is
eigendom van de Staat.
Er ontstaat een hevige
discussie tussen 1641 en
1646 of de Illustre
Lieve Vrouwe
Broederschap mag blijven
bestaan het is immers
een
|
katholieke vereniging
dus verbieden maar ook
is de Vader des
Vaderlands (Willem l, de
Zwijger) lid geweest. Vooral
dominee Voetius
bestrijdt de
Broederschap het
resultaat is dat de
Broederschap mag blijven
bestaan met een beperkt
aantal leden (36)
waarvan de helft
katholiek is en de
andere helft hervormd.
|

|
Het stadhuis hét centrum
van de Bossche burgerij
is van oudsher de zetel
van het stadsbestuur.
Het dateert in de
huidige vorm grotendeels
uit 1670. Het bestaat
|
uit drie samengevoegde
particuliere woonhuizen.
Het middelste pand werd
in 1366 door de stad
aangekocht. Het linker-
en rechterbuurpand
werden respectievelijk
in 1481 en 1599 bij het
stadhuis gevoegd. In
1563 werd een
nieuw
griffiehuis gebouwd op
het achtererf. Hiervan werd de verdieping eerst gebruikt als schepenkamer en
later als trouwzaal.
Het stadhuis aan de
Markt is een
indrukwekkend gebouw.
Het is flink verbouwd in
1670. In die tijd waren
in ’s-Hertogenbosch
bestuurders uit Holland
de baas. Dat ze
belangrijk waren lieten
ze zien door in hun
eigen Hollandse stijl
het stadhuis verbouwen.
De gewone Bosschenaren
waren ruim honderdvijftig jaar lang
tweederangsburgers. De
sterke invloed van
Holland blijkt ook duidelijk uit de verbouwing van het stadhuis. De architect Pieter Minne
ontwierp een nieuwe gevel volgens het Hollands classicisme. Dit was een
stijl die nu nog terug te zien is in het Mauritshuis in Den Haag of het
Paleis op de Dam in Amsterdam. Er werden veel elementen uit de tijd van de
Grieken en Romeinen gebruikt zoals de zuilen en het fronton (de driehoekige
bekroning van de gevel). Een
|
|
prachtig ontwerp dat
veel geld kostte het is
duidelijk
dat het
stadsbestuur indruk
wilde maken. Met dat
stadsbestuur was een
kleine groep
protestanten aan de
macht. Maar de
meerderheid van de
bevolking die katholiek
was had weinig in te
brengen.
Deze periode van
Hollandse ‘overheersing’
eindigde in 1794 met de
komst van de Fransen.
Het stadhuis aan de
Markt heeft nog altijd
dezelfde functie. Het
stadhuis heeft een rijk
interieur uit
verschillende perioden
17e-eeuws goudleerbehang,
wandtapijten, 18e-eeuwse
schouwen,
lambriseringen,
enzovoort. |
|
|
Foto's
copyright
©
bij groetenuitdenbosch.nl |
|
|