|

|
In de zeventiende eeuw
was ’s-Hertogenbosch een
belangrijk tussenstation
voor koloniale
producten. In deze eeuw
reisden Nederlanders de
wereld over om te
handelen in producten
zoals suiker, koffie en
tabak. Deze producten
waren populair en mede
daardoor duur. Ze kwamen
van plantages in Azië en
Amerika waar tot
slaafgemaakte mensen
werkten. In de Bossche
haven is met |
deze handel driehonderd
jaar lang veel geld verdiend. De Bossche haven lag sinds de late
middeleeuwen in het
noordwesten van de stad.
Dit was een logische
plek, want hier kwamen
drie rivieren bij elkaar
de Dieze, de Dommel en
de Aa. In de zeventiende
eeuw was het hier nog
steeds een komen en gaan
van schepen. Op de kades
laadden havenarbeiders
continu scheepsruimen in
en uit. Een deel van de
schepen vervoerde
koloniale producten als
suiker, koffie of
specerijen zoals peper.
Deze lading had al een
verre reis afgelegd. De
producten waren hierdoor
heel duur maar mensen
wilden ze graag hebben.
De Bossche haven was
zo’n tussenstop. Deze
haven was makkelijk te
bereiken via de rivieren
vanuit grote Hollandse
steden zoals Rotterdam
en Dordrecht. Ook liep
via ’s-Hertogenbosch een
van de snelste en
goedkoopste routes over
de weg naar andere grote
Europese steden
bijvoorbeeld Aken en
Luik. Dit maakte de
Bossche haven populair
bij handelaren in
koloniale producten. In
de negentiende eeuw liep
de handel nog verder
terug. In Nederland
kwamen er nieuwe
handelsroutes die
sneller en goedkoper
waren zoals over de
nieuwe
Zuid-Willemsvaart.
Schepen hoefden niet
langer in
's-Hertogenbosch over te
laden. De aanleg van
nieuwe verharde wegen
zorgde er ook voor dat
de positie van de stad
als handelsmiddelpunt
verzwakte.
Oogluikend wordt het
uitoefenen van de
katholieke godsdienst
soms toegestaan maar in
1693 worden de
gezamenlijke parochies
St, Jan St Pieter en
|
|
St,
Cathrïen uit hun
schuilkerk
op de Mariënburg verjaagd
zodat zij verspreid over
de stad schuilkerken
gaan inrichten.
|

|
In de zomer van 1737
verhuisde de 25-jarige
Cornelis van Lanschot
samen met zijn vrouw
naar ’s-Hertogenbosch.
De stad bood hem de kans
om veel geld te
verdienen met |
de handel in koloniale
producten. Cornelis werd
toegelaten als poorter
en lid van het gilde
voor kooplieden. Hiermee
kreeg de jonge koopman
speciale rechten. Het
was het begin van de
rijke en machtige
familie Van
Lanschot. Cornelis van
Lanschot trouwde in 1737 met de dochter van een rijke koopman uit Venlo
Henrica Henrici. Meteen na de bruiloft verhuisde het jonge echtpaar vanuit
Loon op Zand naar ’s-Hertogenbosch. Cornelis wilde graag een Bossche poorter
worden een inwoner van de stad met burgerrecht. Voor poorters golden
speciale regels en voordelen. Hij moest daarvoor wel een eed afleggen en een
grote som geld betalen. De rijkdom van Henrica’s familie kwam daarbij goed
van pas. Als poorter
mocht Cornelis lid
worden van het gilde
voor kooplieden. Zo
bevond hij zich in het
middelpunt van de
Bossche handelskringen.
Met het geld dat hij had
verdiend kocht Cornelis
in 1744 het huis De
Gulden Ketel aan de
Bossche markt.
Op de begane grond
opende hij een winkel
gespecialiseerd in
koloniale producten. Hij
kocht ook andere huizen
en stukken land. Zijn
handelshuis aan de Markt
breidde hij flink uit.
De macht van Cornelis
was
heel groot maar
toch was er een probleem hij was
katholiek. Volgens de wet mochten katholieken geen overheidsfuncties
bekleden. Zij hadden dus wel
|
economische macht maar
niets te zeggen in het
bestuur van de stad. Op
55-jarige leeftijd gaf
Cornelis zijn bedrijf
door aan zijn “lieve
jonge” Godefridus. Deze zoon zette het familiebedrijf
succesvol voort.
Hij wilde als katholiek toch deel uitmaken van het
stadsbestuur. Daarom sloot hij zich in 1785 samen met zijn 17-jarige zoon
Franciscus aan bij de patriotten. Zij kwamen in opstand tegen de stadhouder
Willem V en eisten meer inspraak. Ook zetten de patriotten zich in voor meer
godsdienstvrijheid. De spanningen in ’s-Hertogenbosch tussen voor- en
tegenstanders van deze ideeën liepen hoog op. Hier kreeg de familie Van
Lanschot ook mee te maken. Zowel hun huis als hun bedrijfspanden werden in
1787 geplunderd. Uiteindelijk kwam er toch vrijheid van godsdienst. In 1796
stelde een nieuw democratisch gekozen parlement alle godsdiensten gelijk
voor de wet. Cornelis maakte het niet meer mee dat zijn kleinzoon Franciscus
als eerste Van Lanschot deel uitmaakte van het stadsbestuur. Rond 1800 was
Van Lanschot het belangrijkste handelshuis van ’s-Hertogenbosch. De familie
hoorde bij de vijf rijkste families van de stad. De handel in koloniale
producten leverde alleen steeds minder geld op. Daarom besloten de Van
Lanschots om zich meer te richten op de handel in geld. In 1881 werden ze
officieel bankiers. Nog
tientallen jaren daarna
hoorde de familie Van
Lanschot bij de top van
Noord-Brabant. Inmiddels
heeft de familie zich
helemaal teruggetrokken
uit het bedrijf. De bank
Van Lanschot bestaat nog
steeds met verschillende
opvallende kantoren in
's-Hertogenbosch.
In 1744 woedt een grote
brand in de stad
definitief tracht men nu
een einde te maken aan
het handhaven van panden
met houten gevels
beslist wordt dat er
flinke boetes gegeven
zullen worden aan
eigenaars van panden met
een houten gevel die men
herstelt ook de bij de
herstelling van houten
gevels betrokken
werklieden worden
beboet. |