|

|
|
Geschiedenis
De Historie van
's-Hertogenbosch
|
|

|
Op 27 december 1853
keerde het houten
Mariabeeld van de Zoete
Moeder weer terug naar
de Sint-Jan. Dit was een
bijzondere dag voor alle
katholieke Bosschenaren.
Het beeldje dat wonderen
zou verrichten was voor
hen een belangrijk
symbool. De terugkeer
betekende ook een nieuw
begin van het openbare
katholieke leven in
’s-Hertogenbosch. Tot
aan de val van de stad
op 14 september |
1629 leidde dit tot een heropleving van het
katholicisme. Bij de verovering van de stad door stadhouder Frederik Hendrik
van de Republiek der Verenigde Nederlanden werd de uitoefening van de
rooms-katholieke eredienst verboden. Het beeld van de Zoete Lieve Vrouw werd
in die septemberweek via bisschop Ophovius in veiligheid gebracht bij de
adellijke dame Anna van Hambroeck. Zij wist het beeld uit de stad te
smokkelen en veilig te stellen in Antwerpen op het einde van het jaar 1629.
Toen aan de dochter van de Spaanse koning Philips II Isabella Clara Eugenia
dit bekend werd verzocht zij bisschop Ophovius het beeld naar Brussel te
mogen brengen. Dit werd door bisschop Ophovius toegestaan onder de strikte
voorwaarden dat mocht ‘s-Hertogenbosch in gunstigere religieuze
omstandigheden komen te verkeren het beeld van de Zoete Moeder naar de stad
terug zou keren. Dit werd later vastgelegd in een notariële acte van 29
oktober 1663 waarbij de laatste drie overlevende kanunniken van de Sint-Jan
Ludovicus Smeijers, Nicolaus van Broeckhoven en Andreas Timmermans het beeld
van de Zoete Moeder in handen stelden van de prelaat van de Sint
Jacobsparochie op Koudenberg te Brussel waar de Zoete Moeder al sedert 1641
verbleef met de clausule “dat het Mariabeeld sal moeten overgelevert ende
gerestitueerd worden aen die regeerderen van sHertogenbossche… als wanneer
aldaer publijkckelijcken ende openbaerlijcken geoeffent ende geëxerceert zal
worden die Romijnsche catholijcke religie”. Tijdens het verblijf in Brussel
is het beeld van de Zoete Lieve Vrouw in jaarlijkse processies rondgedragen
en verbleef het dus vanaf 1641 in de Sint-Jacobsparochie op Koudenberg te
Brussel na in de tussentijd van 1630 tot 1641 verbleven te hebben in de
proosdijkerk van Saint Géry. De Zoete Lieve Vrouw verkreeg te Brussel de
titel van “Moeder van zachtmoedigheid.” Inspanningen vanaf 1840 leidden er
uiteindelijk toe dat in 1853 in het jaar van het herstel van de
bisschoppelijke hiërarchie de Zoete Lieve Vrouw terug kon keren
naar haar stad. De toenmalige bisschop van de stad tevens
aartsbisschop van de stad Utrecht Monseigneur Zwijssen wist zijn
Belgische collega Monseigneur Sterckx op den duur te overtuigen dat
het beeld van de Zoete Lieve Vrouw weer terug diende te keren naar
's-Hertogenbosch op basis van de oude gemaakte afspraken van bijna
225 jaar daarvoor. Via Mechelen waar het mirakelboek van de Zoete
Lieve Vrouw was bewaard gebleven en Tilburg kwam de Zoete Moeder weer naar
haar stad ‘s-Hertogenbosch. Het Mirakelboek werd door Monseigneur Sterckx
meegeven bij de
overdracht. Gedurende de
reis verbleef de Zoete
Moeder in Tilburg kort
in de kapel van het
moederhuis van de
Zusters van Onze Lieve
Vrouw van Barmhartigheid
van 17 tot 26 december
1853. Door deze orde
werd een gouden hart en
een kruisje geschonken
aan de Zoete Moeder. Via
een plechtige processie
|
werd
de
Zoete Lieve Vrouw vanuit Tilburg in haar oude
Bossche Mariakapel geplaatst in de Sint Janskathedraal waarbij de hele stad
uitstroomde om Haar welkom te heten. Dit gebeurde op 27 december 1853 de
feestdag van de patroonheilige van de Sint Jan Johannes de Evangelist. Op
Maria Lichtmis 2 februari 1855 werd de Zoete Lieve Vrouw vervolgens op Haar
eeuwenoude troon geplaatst in haar kapel. Deze troon is in de 20e eeuw
vervangen door de wijze waarop de Zoete Moeder nu in haar kapel zichtbaar
is.
|

|
De basis voor de fabriek
werd gelegd door Willem
Grasso toen hij in 1858
besloot voor zichzelf te
beginnen met een
smederij en werkplaats
aan het Hinthamereinde
289 in |
’s-Hertogenbosch. In de
kleine smederij werden
stoommachines en
werktuigen voor de
landbouw en tuinbouw en
de tabaksindustrie
geproduceerd en
gerepareerd. Ook bouwde
hij naar eigen ontwerp
stoomhamers die door
andere smederijen werden
afgenomen. Het ging goed
met de smederij van
Willem Grasso in 1868
werd een nieuwe fabriek
aan de Zuid-Willemsvaart
gebouwd tegenover het
Kruithuis. Na de
uitvinding van margarine
ook wel kunstboter
genoemd had
Willem Grasso een gouden
greep. Hij zag een gat
in de markt en begon met
de productie van
margarinemachines voor
deze nieuwe industrie.
In 1883 wist Grasso
zelfs een order te
bemachtigen voor de
complete machinerie voor
een margarinefabriek in
New York. Al snel werd
de naam Grasso
wereldwijd in verband
gebracht met de
fabricage van boter- en
margarinemachines. De
enige zoon Henri Grasso
kreeg in 1887 de leiding
van het bedrijf. In
korte |
|
tijd breidde de zaak
enorm uit van 18 mensen
in 1887 naar ruim 130
man personeel in 1895.
Omdat een verdere
uitbreiding in de buurt
onmogelijk was verhuisde
het bedrijf in 1896 naar
Vught.
In de Taalstraat
stond nog een leegstaand
fabrieksgebouw dat
goedkoop werd
overgenomen. Dit tot
grote teleurstelling van
het Bossche stadsbestuur
dat vreesde voor de
werkgelegenheid. Het
bedrijf bleef wel de in
1894 aangenomen naam ''s-Hertogenbossche
Machinefabriek Henri
Grasso' dragen. In 1910
ontwikkelde Grasso als
eerste in Nederland een
koelcompressor van eigen
fabricaat. Door de
verdere ontwikkeling van
de zuivel- en
koeltechniek was ook de
fabriek in Vught te
klein geworden. Toen
bekend werd dat Grasso
een nieuwe locatie voor
zijn bedrijf zocht
werden diverse
aanbiedingen gedaan.
Onder meer van een
aantal Duitse steden die
hoopten de fabriek
binnen te halen. Ze
waren zelfs bereid
daarvoor een spoorlijn
aan te leggen. Ook de
gemeente
’s-Hertogenbosch stelde
intussen alles in het
werk om Grasso voor zich
te winnen. Zij boden het
bedrijf de mogelijkheid
een stuk grond aan de
westzijde van de
spoorlijn te kopen voor
de bouw van een nieuwe
fabriek. De kosten voor
het afgraven en ophogen
van het terrein
bedroegen 35.000 gulden
waarvan de helft op
verzoek van Henri Grasso
door de gemeente werd
bijgedragen. In 1912
begon de bouw van een
nieuwe fabriek aan de
Parallelweg te
's-Hertogenbosch. Het
Grasso complex werd
gerealiseerd aan de toen
nog onbebouwde westzijde
van de spoorlijn naar
ontwerp van de Tilburgse
architect F.C. de Beer.
Het complex werd in 1913
opgeleverd. De
driebeukige opzet met de
hoge ramen boven de
ingangspartij doet
denken aan een kerk. De
fabriek raakte als
gevolg van
oorlogshandelingen in
1944 zo zwaar beschadigd
dat de productie stil
kwam te liggen. In de
muren zijn nu nog
kogelgaten te zien als
gevolg van de
beschietingen. Na de
oorlog werd de fabriek
zo snel mogelijk
hersteld. Door verdere
ontwikkeling is Grasso
een internationale
onderneming waarin bijna
het gehele spectrum van
industriële koeling te
vinden is. Wat Grasso zo
uniek maakt is dat zij
als enige bedrijf ter
wereld gelaste
koelcompressoren
fabriceert. |
|

|
Ooit stond er in de
Sint-Jan een magnifiek
marmeren oksaal. Dat is
een afscheiding tussen
het koor en het schip
van de kerk. In de 19e
eeuw vond het
kerkbestuur dit een
ouderwets obstakel en
het werd dan ook
verwijderd. Uiteindelijk
zou deze actie tot een
landelijke rel leiden
die direct als positief
gevolg had dat de
overheid de bescherming
van kunst en monumenten
serieus ging
|
nemen. Het begin
van een officiële dienst voor monumentenzorg. In de late middeleeuwen en
daarna was een oksaal een gebruikelijk onderdeel van een katholiek
kerkinterieur. Het koor waar de mis werd opgedragen was destijds
uitsluitend toegankelijk voor priesters en kanunniken. Deze laatsten waren
geestelijken die dagelijks de officiële gebeden voordroegen assisteerden
bij het opdragen van de missen en betrokken waren bij het bestuur van de
kerk. Steenhandelaar en beeldhouwer Coenraed van Noremborgh in 1571 geboren
in Namen werd op 31 maart 1608 officieel poorter van ’s-Hertogenbosch. De
Tachtigjarige Oorlog was toen in volle gang maar in april 1609 werd een
tijdelijke wapenstilstand van kracht het Twaalfjarig Bestand. Het
kerkbestuur van de Sint-Jan greep de gelegenheid aan om een statement te
maken er moest een nieuw oksaal komen ter vervanging van een eerder oksaal
dat door Beeldenstorm (1566) en de brand van de middentoren (1584) geheel
verwoest was. Als voorbeeld had men het pas gebouwde oksaal in de
Onze-Lieve-Vrouwekathedraal van Antwerpen voor ogen dat op zijn beurt weer
gebaseerd was op het oksaal in de kathedraal Notre-Dame in Tournai
(Doornik). Het oksaal uit Antwerpen is verdwenen dat van Doornik kunnen we
nog bewonderen. Het werd tussen 1570 en 1573 gemaakt door Cornelis Floris de Vriendt. Maar het resultaat was groots een bouwwerk van bijna acht meter
hoog en tien meter breed uitgevoerd in wit, rood en zwart marmer met
talloze standbeelden en reliëfs in albast. Een waar feest voor het oog! Het
staat overigens wel vast dat naast Van Noremborgh zelf verschillende
beeldhouwers aan het
oksaal hebben gewerkt.
Hun namen zijn helaas
onbekend gebleven op één
na Hendrick de Keijser stadsbeeldhouwer van Amsterdam. Hij
werd gevraagd om de beelden voor het oksaal te maken. Maar het is bij één
beeld gebleven dat van Johannes Evangelist. Want het protestantse
Amsterdamse stadsbestuur verbood hem om nog verder mee te werken aan deze
katholieke “afgoderij”! Het glorieuze oksaal stond er nog maar net toen in
1629 de stad werd veroverd door Fredrik Hendrik van Oranje. De katholieke
godsdienst werd verboden en de Sint-Jan werd door de protestanten
overgenomen. Gelukkig is het oksaal niet of nauwelijks beschadigd geraakt in
de bijna tweehonderd jaar dat de kerk in protestantse handen was. Maar met
de terugkeer van de katholieken en de daaropvolgende restauratie van de
Sint-Jan in de 19e eeuw veranderde ook de visie op kerkelijke kunst. Men
wilde weer terug naar de oorspronkelijke gotische stijl. Allerlei latere
toevoegingen moesten dus zoveel mogelijk worden verwijderd. Dus ook het
17e-eeuwse oksaal. In de vergadering van 23 mei 1866 besloot kerkbestuur
nader advies in te winnen. Het wilde er zeker van zijn dat er in bouwkundig
opzicht geen risico bestond op beschadigingen als het oksaal werd
verwijderd. Ook wilde men meer informatie over de kunstzinnige waarde van
het bouwsel. Haast was geboden want bisschop Zwijsen had al fl. 1.000
toegezegd als het oksaal nog hetzelfde jaar zou worden gesloopt. Hij wilde
het dus heel graag kwijt! In de daarop volgende vergadering van 27 juni
bleek dat er geen enkel bezwaar was. De architecten Van Tulder uit Tilburg
en Pierre Cuypers uit Roermond en bouwkundige J. Bolsius verklaarden unaniem
dat de jubé zoals het oksaal toen werd genoemd bouwkundig gezien
probleemloos kon worden verwijderd en dat het qua stijl ook niet in de kerk
paste. Er volgde een hoofdelijke stemming over afbraak acht stemmen voor en
twee tegen. De tegenstemmers lieten zich vooral leiden door de kosten die de
bouw van een nieuw koorhek met zich mee zou brengen. Cuypers toch niet de
minste onder de architecten was snoeihard in zijn oordeel. Nadat hij op 7
juni zelf een kijkje was komen nemen in de kerk schreef hij dat het wechnemen van het oxaal als eene weldaad voor de schoone Kathedraal moet
worden beschouwd. Wel heeft eigenbelang hierbij mogelijk een rol gespeeld
want Cuypers hoopte een nieuwe koorafsluiting te mogen bouwen. Zijn voorstel
daartoe werd echter te duur gevonden. Zo kwam het oksaal dus te koop het
werd overigens in die tijd aangeduid met de Franse term jubé. Om de verkoop
te bevorderen kreeg fotograaf J. Schull opdracht om er goede foto’s van te
maken. Die werden gezonden aan diverse instellingen in Europa. Overigens
betreurde de Noord-Brabantsche en 's-Hertogenbossche Courant van 24 juli
1866 de voorgenomen afbraak van het oksaal. De auteur stelde dat het
kunstwerk in 1613 voor fl 20.000 werd gemaakt en dat dit bedrag in zijn
tijd ruim fl. 60.000 zou zijn. Kapitaalverlies dus. De voorgenomen verkoop
van het jubé werd in regionale en landelijke kranten vermeld. Vanaf 31 juli
verschenen er advertenties waarin het te koop werd aangeboden. Maar ook na
herhaalde oproepen kwam er geen enkel aannemelijk bod binnen. Dus werd het
opgekocht door architect Jan Bolsius zelf lid van het kerkbestuur. Hij
liet het voor nog geen fl. 700 afbreken door een ploegje werklui. Verkoop
van losse onderdelen van marmer, lood en ijzer leverde nog bijna fl. 3000
op. Bolsius verkocht het afgebroken oksaal in 1866 aan kunsthandelaar Murray
Marks die het uiteindelijk weer doorverkocht aan het South Kensington Museum
(in 1899 omgedoopt tot Victoria and Albert museum). De koopsom was een
schijntje amper de waarde van de gebruikte materialen. Advocaat Victor
Eugene de Stuers (1843-1916) was al heel jong erg geboeid door kunsthistorie
en monumenten. Al in zijn studententijd maakte hij er een sport van
verwaarloosde historische bouw- en kunstwerken op te sporen en de overheid
te bewegen deze te restaureren. In juli 1873 bezocht hij het South
Kensington Museum en zag daar tot zijn ontzetting het oksaal uit de Sint-Jan
staan. Hij ontstak in woede en rapporteerde de verkoop aan de minister J. H.
Geertsema van Binnenlandse Zaken. In november 1873 verscheen zijn beroemd
geworden artikel “Holland op zijn smalst” in het cultureliteraire
tijdschrift De Gids. En hij liet geen spaan heel van de nalatige overheid
die haar nationaal erfgoed, kunstbezit en musea tot op het bot
verwaarloosde. In 82 pagina’s somde hij een reeks gebouwen en objecten op
die door desinteresse en zuinigheid waren vervallen of gesloopt. Veel
aandacht besteedde hij aan wat hij ‘het Bossche schandaal’ noemde de
afbraak en verkoop van het Bossche oksaal. Hij haalde de argumentatie van
het kerkbestuur om tot verkoop over te gaan volledig onderuit. Ook de
bisschop kreeg een veeg uit de pan. Hij benadrukte ook dat men ook in
Engeland geschokt was door de verwijdering van een dergelijk kunstwerk uit
de kerk. Al was men natuurlijk wel verguld dat het nu in Britse handen was.
Overigens had hij ook felle kritiek op de in zijn ogen belabberde
restauratie van de Sint-Jan die in 1859 was gestart. Zo vond hij het nieuwe
beeldhouwwerk in het Noorderportaal van zeer middelmatige kwaliteit. Maar
zo stelde hij dat kan ook niet anders als je beeldhouwers inhuurt voor 14
cent per uur. De felle acties van De Stuers hadden effect. Op 8 maart 1874
werd het College van Rijksadviseurs voor de Monumenten van Geschiedenis en
Kunst opgericht. Minister Geertsema benoemde Victor de Stuers tot secretaris
ervan. De taken van het College werden zo omvangrijk dat al in 1875 besloten
werd om binnen het ministerie van Binnenlandse Zaken een aparte afdeling
Kunsten en Wetenschappen op te richten met De Stuers aan het hoofd. Zo
heeft dus het verlies van het monumentale Bossche oksaal toch nog
bijgedragen aan het totstandkoming van goede monumentenzorg. Dat geeft een
beetje troost als je als Bosschenaar in het Victoria and Albert Museum voor
dit prachtige stuk verkwanseld erfgoed staat. |
|

|
Sinds 1868 stoppen er
treinen in
’s-Hertogenbosch. In die
tijd werden ze getrokken
door stoomlocomotieven
later reden er
elektrische treinen. In
de loop der jaren
groeide het reizigers-
en goederenverkeer en is
het station van
’s-Hertogenbosch vaak
veranderd. Tegenwoordig
komen er dagelijks
ongeveer 50.000
reizigers. In 1868 kreeg
’s-Hertogenbosch een
aansluiting op de
|
spoorlijn naar Boxtel en
Eindhoven. Twee jaar later toen de bruggen over de Lek, de Waal en de Dieze
klaar waren werd de spoorlijn naar Utrecht geopend. In 1872 volgden
verbindingen naar Tilburg en Nijmegen. In 1890 kwam er een spoorlijn tussen
Vlijmen, Waalwijk en Zwaluwe. Deze werd wel het ‘halve zolenlijntje’ genoemd
vanwege de schoenenindustrie in dit gebied. Bij de opening van de eerste
spoorlijn in 1868 was er
nog geen officieel
station in
’s-Hertogenbosch. Dat
kwam pas in 1870. Dit
was een houten gebouw
dat bij oorlog snel kon
worden afgebroken. De
treinen kwamen in die
tijd het station binnen
over een spoorbrug over
de rivier de Dieze.
Schepen hadden daar veel
last van omdat deze brug
door het treinverkeer
zeker vier uur per dag
dicht was. Dat moest
worden opgelost.
Uiteindelijk kwam er een
nieuw station dicht bij
het centrum. Het nieuwe
station werd ontworpen
door Eduard Cuypers. Hij
was een neef van Pierre
Cuypers de beroemde
architect van het
Centraal Station in
Amsterdam. In 1896 werd
het geopend. Het was een
indrukwekkend gebouw van
wel 140 meter lang, dat
de bijnaam het
‘spoorpaleis’ kreeg. De
perronoverkappingen
waren bijzonder omdat de
constructies heel erg
lang waren 450 meter.
Aan het einde van de
Tweede Wereldoorlog werd
het station
onherstelbaar
beschadigd. In 1952
kreeg ’s-Hertogenbosch
weer een nieuw station
ontworpen door architect
Sybold van Ravesteyn.
Hij gebruikte een aantal
onderdelen van het
vorige station, zoals
twee stenen leeuwen en
een aantal
wapenschilden. De
beschadigde
perronoverkappingen
werden hersteld en
kwamen terug in het
nieuwe station. Aan het
eind van de twintigste
eeuw was er een groter
station nodig, dat werd
geopend in 1998. Het was
een ontwerp van
architect Rob Steenhuis
met veel staal en glas.
Van het station van
Cuypers bleven de
monumentale
stationsoverkappingen
behouden en de twee
stenen leeuwen. Deze
staan bij de ingang aan
de kant van de nieuwe
wijk het Paleiskwartier. |
|

|
In 1874 kwam er een eind
aan de vesting
's-Hertogenbosch. De
landmacht had een ander
idee hoe het vaderland
te verdedigen. Militair
gesproken kwam het
gevaar niet meer uit het
zuiden uit Frankrijk
maar uit het oosten waar
een nieuw sterk Duitse
keizerrijk was ontstaan.
Nederland verschanste
zich daarom achter de
Nieuwe Hollandse
Waterlinie. De vestingen
in de grensprovincies
|
konden dus
verdwijnen. In 's-Hertogenbosch zouden alle vestingwerken behalve de
Citadelkazerne worden gesloopt. De vesting had eeuwenlang stadsuitbreiding
onmogelijk gemaakt. In 's-Hertogenbosch had men meteen door welke kansen de
opheffing bood. De door liberalen en conservatieve katholieken beheerste
gemeenteraad kwam in actie. Dankzij de goede relaties die burgemeester
Luijben in Den Haag had kon het gemeentebestuur in 1878 alle te slopen
werken voor een bescheiden bedrag aankopen. Alleen de Citadel en de forten
buiten de stad bleven bestaan en waren niet inbegrepen bij de koop. De
gemeente kreeg daardoor vrij spel. Er kwam ruimte vrij om nieuwe betere
huizen te bouwen en voor bedrijven die zich in 's-Hertogenbosch wilden
vestigen. Fabrieken die wilden uitbreiden maar dat niet konden omdat er geen
grond beschikbaar was waren eerder naar elders verhuisd. Meer bedrijvigheid
betekende meer werk en minder armoede. De zaak werd enigszins ingewikkeld
door een oud plan om de Dommel bevaarbaar te maken. De waterstaatkundige
situatie in en rondom de stad was hard aan verbetering toe. In 1876 voeren
de Bosschenaren nog met bootjes over de Peperstraat na weer een
overstroming. De gemeente besloot om de stad in te polderen en om op de
Grote Hekel een stoomgemaal te bouwen. Dat is alweer lang verdwenen maar de
plaats waar het gestaan heeft is nog goed te zien. De hoofdwal werd enkele
meters verlaagd maar bleef bestaan omdat deze nodig was als waterkering. De
stad bleef dan wel droog maar de wijde omtrek bleef last houden van
overstromingen. Dankzij waterkering zijn de vestigingswerken rond de stad
gebleven.
In mei 1878 verdween één
van de laatste houten
middeleeuwse voorgevels
uit het Bossche
stadsbeeld die van Het
Franse Kabinet. Het pand
zal dus oorspronkelijk
uit de middeleeuwen
gedateerd zijn aangezien
het na de grote
stadsbranden van de
vijftiende eeuw verboden
werd om in hout te
bouwen. Zelfs
herstellingen mochten
toen niet meer
plaatsvinden aan deze
kwetsbare panden.
Langzamerhand verdwenen
de strooien daken en
kwamen er leien daken de
houten voorgevels werden
van steen, onder meer
dankzij stedelijke
subsidies. Deze bepaling
werd in 1744 nog eens
herhaald het herstellen
van een houten voorgevel
werd bestraft met een
boete van vijftig gulden
en timmerlieden die
hieraan meewerkten
kregen vijfentwintig
gulden boete opgelegd. |
|

|
Al in de Middeleeuwen
werden de Vastenavonden
in 's-Hertogenbosch
gevierd. In het
Mirakelboek dat nu nog
in de Sint-Jan terug te
vinden is wordt in 1444
al gesproken over
Vastenavondvieringen. In
de jaren voor 1881 wordt
de viering van
Vastenavond steeds
algemener en massaler.
Daarbij loopt het soms
uit de hand. De gegoede
burgerij heeft zich al
jaren verzet tegen deze
‘slemperijen’. |
Ook de ‘vastelavondkrantjes’ waarin met
scherts en parodie de draak wordt gestoken met vooraanstaande Bossche
burgers worden bekritiseerd. Maar de gemeente geeft herhaaldelijk geen
gehoor aan een verzoek om de Vastenavondvieringen te verbieden. In 1881
mengt Mgr. Adrianus Godschalk de Bisschop van ’s-Hertogenbosch zich in de
discussie en komen de feesten in gevaar. Op 1 oktober 1882 wordt in Café
Place Royale (toen gevestigd in de straat 'Achter het Stadhuis') de
‘Oeteldonksche Club van 1882’ opgericht. Hier ligt de geboortegrond van het
spel zoals we dat nog altijd spelen. De bemoeienis van de geestelijkheid in
de discussies rondom de Vastenavondviering vormt de aanleiding voor enkele
Bosschenaren om de vieringen te veredelen. Zo wordt het volksfeest behouden.
Drie dagen per jaar tijdens het feest van de omgekeerde wereld verandert de
stad ’s-Hertogenbosch in het durp Oeteldonk. De Bossche mannen worden boeren
en Bossche vrouwen worden durskes. In 1882 treedt Peer vaan den Mugheuvel
tot den Bobberd aan als Burgervaojer van Oeteldonk. In 1883 kondigt hij het
bezoek van een 'Hoogen Kell' (hooggeplaatste heer) aan. Het dorp Oeteldonk
verwelkomt voor het allereerst Z.K.H. Prins Amadeiro I. Het begin van een
lange traditie en een prachtige dynastie. Na hem zullen de telgen uit de
Dynastie der Amadeiro’s vrijwel ieder jaar een bezoek brengen aan hun
'Pronkjuweel'. Dit is voor de Oeteldonkers dé reden voor het feest der
feesten. Knillis staat sinds 1922 op de Bossche Markt en wordt door de Prins
onthuld op Carnavalszondag. Knillis wordt gelauwerd met een boerenkoolkrans
een eerbetoon aan de vermeend stichter van het durp Oeteldonk. Voor vele
Boeren en Durskes is deze plek nog altijd een bedevaartsoord. Het
Kwèkfestijn is in 1958 begonnen en werd doorgaans gekoppeld aan de start van
het carnavalsseizoen rond 11-11. Inmiddels is het een jaarlijks terugkerend
evenement waarbij alle clubkes hun Oeteldonkse carnavalsnummer voor dat jaar
laten horen. Een vakjury kiest de 11 beste nummers die vervolgens doorgaan
naar de finale. Aan het eind van de avond wordt er een winnaar gekozen die
gegarandeerd tijdens carnaval bij vele Ordenaorissen te horen zal zijn. In
1962 wordt het eerste officiële Oeteldonkse ‘mouwembleem’ gepresenteerd. In
eerste instantie om fondsen te werven voor de organisatie van de
carnavalsviering. Het nieuwe embleem met het wapen van Oeteldonk en de tekst
'Rijk der Amadeiro's' is een groot succes. Inmiddels zijn de vele emblemen
niet meer weg te denken van de Oeteldonkse boerenkiel. Sinds 1976 is
Hendrien is de trouwe huishoudster van Peer vaan den
|
|
Muggenheuvel tot den Bobberd. Ze onderhoudt de ambtswoning van de Burgervaojer. Haar dagen zijn
gevuld met
'sokken stoppen, èrrepels schillen en kiepe voejere'. Maar in de
schrikkeljaren heeft ze een dagje over. Op deze extra dag gaat ze mee naar
Oeteldonk en prijkt ze trots aan de arm van Peer. Die ene dag dat ze erbij
mag zijn zal heel Oeteldonk het weten! Met het oog op de magische datum
11-11-2011 wordt in 2010 voor het eerst d'n Elfde van d;n Elfde op grootse
wijze gevierd. Die dag wordt de opening van het Carnavalsseizoen omarmd door
heel veel Oeteldonkers. Inmiddels is de viering van 11-11 niet meer weg te
denken.
|

|
Aan het Hinthamereinde
in 's-Hertogenbosch bouwde
als eerste gemeente
in de provincie een
watertoren voor het
algemeen nut. De directe
aanleiding voor |
de bouw van de toren of
beter gezegd voor de
aanleg van een
voorziening van schoon
drinkwater was de
cholera-epidemie van
1866. In de stad vielen
toen relatief veel
slachtoffers. De jaren
daarna werd er nagedacht
over een betere
drinkwatervoorziening
omdat inmiddels gebleken
was dat onhygiënische
waterputten, stadspompen
of het gebruik van
oppervlaktewater de
ziekte hielpen
verspreiden. Toen in
1883-1884 een nieuwe
epidemie dreigde zette
het Bossche stadsbestuur
vaart achter de plannen
en in 1885 begon men met
de aanleg van een
waterleidingnet. Een
watertoren was nodig om
druk op het leidingnet
te houden en verschillen
in de vraag op te
vangen. De Bossche toren
is 33
meter hoog en beschikte
over twee
waterreservoirs van elk
180 m3. In totaal kon
dus 360 m3 water in de
|
toren worden opgeslagen.
De watertoren wekt door
zijn zware
hoeksteunberen nog eens
benadrukt door het
gebruik van natuursteen
en door zijn kantelen de
suggestie een
burchttoren te zijn.
De keuze voor die vormgeving heeft waarschijnlijk veel te maken
gehad met de ligging vlakbij de oude stadsmuren. De toren is ontworpen door J. Kalff architect en directeur van de Bossche Dienst Gemeentewerken. Zijn
ontwerp is een typisch voorbeeld van het eclecticisme een 19e eeuwse
architectuurstroming waarbij elementen uit diverse klassieke stijlen werden
genomen en gecombineerd tot iets nieuws. Een icoon van deze stroming is het
Rijksmuseum in Amsterdam. Architecten zochten met name monumentale waarden
aan hun bouwwerken mee te geven. Dat is in 's-Hertogenbosch zeker gelukt.
Omdat de watertoren een van de weinige voorbeelden van deze stijl is in de
stad is hij tegenwoordig een rijksmonument. Door het gebruik van moderne
pompen verloren de meeste watertorens eind jaren zestig hun functie en
werden afgebroken of hergebruikt. De watertoren van 's-Hertogenbosch is in
1974 buiten bedrijf gesteld. De toren heeft vervolgens diverse bestemmingen
gehad zoals een inloophuis voor jongeren. In 1997 kreeg de Bossche Stichting
De Watertoren de Watertorenprijs van de Nederlandse Watertorenstichting. De
prijs werd toegekend vanwege de manier waarop de Bossche stichting toen al
tien jaar lang de watertoren in deze stad op een goede wijze voor een nieuwe
bestemming had gebruikt. De watertoren is nog steeds duidelijk zichtbaar.
Het rijksmonument werd in 2017 nog volledig gerestaureerd. De toren is een
blijvende herinnering aan de strijd voor schoon drinkwater voor alle
Bosschenaren. |
|

|
De eerste nieuwe wijk
moest aan de westkant
van de stad komen. Het
land moest hier wel
eerst opgehoogd worden
met een dikke laag zand,
omdat het te moerassig
was en vaak onder water
liep. Al dit zand kwam
van de Vughtse Heide.
Door het graven ontstond
daar een grote
waterplas. Die plas
kreeg de naam van de
graafmachine: de IJzeren
Man. De nieuwe wijk die
’s-Hertogenbosch
|
bouwde was de grootste
stadsuitbreiding in
vijfhonderd jaar tijd.
De wijk kreeg ook een
toepasselijke naam ’t
Zand. Architect Dony ontwierp tal van huizen en gebouwen
de meer riante en duur uitziende huizen midden in Stationsweg en eerste
zijstraten en afnemend qua status meer naar Noord- en Zuidkop. De wijk had
ook een eigen kerk gehad de Sint Leonarduskerk. Deze kerk was in neogotische
stijl gebouwd en is in 1971 gesloopt. |
|
|
Foto's
copyright
©
bij groetenuitdenbosch.nl |
|
|