Stadswandeling

 Geschiedenis

  De Historie van 's-Hertogenbosch

  Sint-Janskathedraal

  Het beleg van 's-Hertogenbosch 1629

  De bevrijding Oktober 1944

  Oeteldonk

 Binnendieze

 Sint-Janskathedraal

 's-Hertogenbosch

 Straten en Stegen

 Vestingstad in het groen

 Bossche wijken

 Oeteldonk

 Evenementen

  

       

Geschiedenis

De Historie van 's-Hertogenbosch

       

1853

Op 27 december 1853 keerde het houten Mariabeeld van de Zoete Moeder weer terug naar de Sint-Jan. Dit was een bijzondere dag voor alle katholieke Bosschenaren. Het beeldje dat wonderen zou verrichten was voor hen een belangrijk symbool. De terugkeer betekende ook een nieuw begin van het openbare katholieke leven in ’s-Hertogenbosch. Tot aan de val van de stad op 14 september

1629 leidde dit tot een heropleving van het katholicisme. Bij de verovering van de stad door stadhouder Frederik Hendrik van de Republiek der Verenigde Nederlanden werd de uitoefening van de rooms-katholieke eredienst verboden. Het beeld van de Zoete Lieve Vrouw werd in die septemberweek via bisschop Ophovius in veiligheid gebracht bij de adellijke dame Anna van Hambroeck. Zij wist het beeld uit de stad te smokkelen en veilig te stellen in Antwerpen op het einde van het jaar 1629. Toen aan de dochter van de Spaanse koning Philips II Isabella Clara Eugenia dit bekend werd verzocht zij bisschop Ophovius het beeld naar Brussel te mogen brengen. Dit werd door bisschop Ophovius toegestaan onder de strikte voorwaarden dat mocht ‘s-Hertogenbosch in gunstigere religieuze omstandigheden komen te verkeren het beeld van de Zoete Moeder naar de stad terug zou keren. Dit werd later vastgelegd in een notariële acte van 29 oktober 1663 waarbij de laatste drie overlevende kanunniken van de Sint-Jan Ludovicus Smeijers, Nicolaus van Broeckhoven en Andreas Timmermans het beeld van de Zoete Moeder in handen stelden van de prelaat van de Sint Jacobsparochie op Koudenberg te Brussel waar de Zoete Moeder al sedert 1641 verbleef met de clausule “dat het Mariabeeld sal moeten overgelevert ende gerestitueerd worden aen die regeerderen van sHertogenbossche… als wanneer aldaer publijkckelijcken ende openbaerlijcken geoeffent ende geëxerceert zal worden die Romijnsche catholijcke religie”. Tijdens het verblijf in Brussel is het beeld van de Zoete Lieve Vrouw in jaarlijkse processies rondgedragen en verbleef het dus vanaf 1641 in de Sint-Jacobsparochie op Koudenberg te Brussel na in de tussentijd van 1630 tot 1641 verbleven te hebben in de proosdijkerk van Saint Géry. De Zoete Lieve Vrouw verkreeg te Brussel de titel van “Moeder van zachtmoedigheid.” Inspanningen vanaf 1840 leidden er uiteindelijk toe dat in 1853 in het jaar van het herstel van de bisschoppelijke hiërarchie de Zoete Lieve Vrouw terug kon keren naar haar stad. De toenmalige bisschop van de stad tevens aartsbisschop van de stad Utrecht Monseigneur Zwijssen wist zijn Belgische collega Monseigneur Sterckx op den duur te overtuigen dat het beeld van de Zoete Lieve Vrouw weer terug diende te keren naar 's-Hertogenbosch op basis van de oude gemaakte afspraken van bijna 225 jaar daarvoor. Via Mechelen waar het mirakelboek van de Zoete Lieve Vrouw was bewaard gebleven en Tilburg kwam de Zoete Moeder weer naar haar stad ‘s-Hertogenbosch. Het Mirakelboek werd door Monseigneur Sterckx meegeven bij de overdracht. Gedurende de reis verbleef de Zoete Moeder in Tilburg kort in de kapel van het moederhuis van de Zusters van Onze Lieve Vrouw van Barmhartigheid van 17 tot 26 december 1853. Door deze orde werd een gouden hart en een kruisje geschonken aan de Zoete Moeder. Via een plechtige processie

werd de Zoete Lieve Vrouw vanuit Tilburg in haar oude Bossche Mariakapel geplaatst in de Sint Janskathedraal waarbij de hele stad uitstroomde om Haar welkom te heten. Dit gebeurde op 27 december 1853 de feestdag van de patroonheilige van de Sint Jan Johannes de Evangelist. Op Maria Lichtmis 2 februari 1855 werd de Zoete Lieve Vrouw vervolgens op Haar eeuwenoude troon geplaatst in haar kapel. Deze troon is in de 20e eeuw vervangen door de wijze waarop de Zoete Moeder nu in haar kapel zichtbaar is.

         

1858

De basis voor de fabriek werd gelegd door Willem Grasso toen hij in 1858 besloot voor zichzelf te beginnen met een smederij en werkplaats aan het Hinthamereinde 289 in

’s-Hertogenbosch. In de kleine smederij werden stoommachines en werktuigen voor de landbouw en tuinbouw en de tabaksindustrie geproduceerd en gerepareerd. Ook bouwde hij naar eigen ontwerp stoomhamers die door andere smederijen werden afgenomen. Het ging goed met de smederij van Willem Grasso in 1868 werd een nieuwe fabriek aan de Zuid-Willemsvaart gebouwd tegenover het Kruithuis. Na de uitvinding van margarine ook wel kunstboter genoemd had Willem Grasso een gouden greep. Hij zag een gat in de markt en begon met de productie van margarinemachines voor deze nieuwe industrie. In 1883 wist Grasso zelfs een order te bemachtigen voor de complete machinerie voor een margarinefabriek in New York. Al snel werd de naam Grasso wereldwijd in verband gebracht met de fabricage van boter- en margarinemachines. De enige zoon Henri Grasso kreeg in 1887 de leiding van het bedrijf. In korte

tijd breidde de zaak enorm uit van 18 mensen in 1887 naar ruim 130 man personeel in 1895. Omdat een verdere uitbreiding in de buurt onmogelijk was verhuisde het bedrijf in 1896 naar Vught. In de Taalstraat stond nog een leegstaand fabrieksgebouw dat goedkoop werd overgenomen. Dit tot grote teleurstelling van het Bossche stadsbestuur dat vreesde voor de werkgelegenheid. Het bedrijf bleef wel de in 1894 aangenomen naam ''s-Hertogenbossche Machinefabriek Henri Grasso' dragen. In 1910 ontwikkelde Grasso als eerste in Nederland een koelcompressor van eigen fabricaat. Door de verdere ontwikkeling van de zuivel- en koeltechniek was ook de fabriek in Vught te klein geworden. Toen bekend werd dat Grasso een nieuwe locatie voor zijn bedrijf zocht werden diverse aanbiedingen gedaan. Onder meer van een aantal Duitse steden die hoopten de fabriek binnen te halen. Ze waren zelfs bereid daarvoor een spoorlijn aan te leggen. Ook de gemeente ’s-Hertogenbosch stelde intussen alles in het werk om Grasso voor zich te winnen. Zij boden het bedrijf de mogelijkheid een stuk grond aan de westzijde van de spoorlijn te kopen voor de bouw van een nieuwe fabriek. De kosten voor het afgraven en ophogen van het terrein bedroegen 35.000 gulden waarvan de helft op verzoek van Henri Grasso door de gemeente werd bijgedragen. In 1912 begon de bouw van een nieuwe fabriek aan de Parallelweg te 's-Hertogenbosch. Het Grasso complex werd gerealiseerd aan de toen nog onbebouwde westzijde van de spoorlijn naar ontwerp van de Tilburgse architect F.C. de Beer. Het complex werd in 1913 opgeleverd. De driebeukige opzet met de hoge ramen boven de ingangspartij doet denken aan een kerk. De fabriek raakte als gevolg van oorlogshandelingen in 1944 zo zwaar beschadigd dat de productie stil kwam te liggen. In de muren zijn nu nog kogelgaten te zien als gevolg van de beschietingen. Na de oorlog werd de fabriek zo snel mogelijk hersteld. Door verdere ontwikkeling is Grasso een internationale onderneming waarin bijna het gehele spectrum van industriële koeling te vinden is. Wat Grasso zo uniek maakt is dat zij als enige bedrijf ter wereld gelaste koelcompressoren fabriceert.

            

1866

Ooit stond er in de Sint-Jan een magnifiek marmeren oksaal. Dat is een afscheiding tussen het koor en het schip van de kerk. In de 19e eeuw vond het kerkbestuur dit een ouderwets obstakel en het werd dan ook verwijderd. Uiteindelijk zou deze actie tot een landelijke rel leiden die direct als positief gevolg had dat de overheid de bescherming van kunst en monumenten serieus ging

nemen. Het begin van een officiële dienst voor monumentenzorg. In de late middeleeuwen en daarna was een oksaal een gebruikelijk onderdeel van een katholiek kerkinterieur. Het koor waar de mis werd opgedragen was destijds uitsluitend toegankelijk voor priesters en kanunniken. Deze laatsten waren geestelijken die dagelijks de officiële gebeden voordroegen assisteerden bij het opdragen van de missen en betrokken waren bij het bestuur van de kerk. Steenhandelaar en beeldhouwer Coenraed van Noremborgh in 1571 geboren in Namen werd op 31 maart 1608 officieel poorter van ’s-Hertogenbosch. De Tachtigjarige Oorlog was toen in volle gang maar in april 1609 werd een tijdelijke wapenstilstand van kracht het Twaalfjarig Bestand. Het kerkbestuur van de Sint-Jan greep de gelegenheid aan om een statement te maken er moest een nieuw oksaal komen ter vervanging van een eerder oksaal dat door Beeldenstorm (1566) en de brand van de middentoren (1584) geheel verwoest was. Als voorbeeld had men het pas gebouwde oksaal in de Onze-Lieve-Vrouwekathedraal van Antwerpen voor ogen dat op zijn beurt weer gebaseerd was op het oksaal in de kathedraal Notre-Dame in Tournai (Doornik). Het oksaal uit Antwerpen is verdwenen dat van Doornik kunnen we nog bewonderen. Het werd tussen 1570 en 1573 gemaakt door Cornelis Floris de Vriendt. Maar het resultaat was groots een bouwwerk van bijna acht meter hoog en tien meter breed uitgevoerd in wit, rood en zwart marmer met talloze standbeelden en reliëfs in albast. Een waar feest voor het oog! Het staat overigens wel vast dat naast Van Noremborgh zelf verschillende beeldhouwers aan het oksaal hebben gewerkt. Hun namen zijn helaas onbekend gebleven op één na Hendrick de Keijser stadsbeeldhouwer van Amsterdam. Hij werd gevraagd om de beelden voor het oksaal te maken. Maar het is bij één beeld gebleven dat van Johannes Evangelist. Want het protestantse Amsterdamse stadsbestuur verbood hem om nog verder mee te werken aan deze katholieke “afgoderij”! Het glorieuze oksaal stond er nog maar net toen in 1629 de stad werd veroverd door Fredrik Hendrik van Oranje. De katholieke godsdienst werd verboden en de Sint-Jan werd door de protestanten overgenomen. Gelukkig is het oksaal niet of nauwelijks beschadigd geraakt in de bijna tweehonderd jaar dat de kerk in protestantse handen was. Maar met de terugkeer van de katholieken en de daaropvolgende restauratie van de Sint-Jan in de 19e eeuw veranderde ook de visie op kerkelijke kunst. Men wilde weer terug naar de oorspronkelijke gotische stijl. Allerlei latere toevoegingen moesten dus zoveel mogelijk worden verwijderd. Dus ook het 17e-eeuwse oksaal. In de vergadering van 23 mei 1866 besloot kerkbestuur nader advies in te winnen. Het wilde er zeker van zijn dat er in bouwkundig opzicht geen risico bestond op beschadigingen als het oksaal werd verwijderd. Ook wilde men meer informatie over de kunstzinnige waarde van het bouwsel. Haast was geboden want bisschop Zwijsen had al fl. 1.000 toegezegd als het oksaal nog hetzelfde jaar zou worden gesloopt. Hij wilde het dus heel graag kwijt! In de daarop volgende vergadering van 27 juni bleek dat er geen enkel bezwaar was. De architecten Van Tulder uit Tilburg en Pierre Cuypers uit Roermond en bouwkundige J. Bolsius verklaarden unaniem dat de jubé zoals het oksaal toen werd genoemd bouwkundig gezien probleemloos kon worden verwijderd en dat het qua stijl ook niet in de kerk paste. Er volgde een hoofdelijke stemming over afbraak acht stemmen voor en twee tegen. De tegenstemmers lieten zich vooral leiden door de kosten die de bouw van een nieuw koorhek met zich mee zou brengen. Cuypers toch niet de minste onder de architecten was snoeihard in zijn oordeel. Nadat hij op 7 juni zelf een kijkje was komen nemen in de kerk schreef hij dat het wechnemen van het oxaal als eene weldaad voor de schoone Kathedraal moet worden beschouwd. Wel heeft eigenbelang hierbij mogelijk een rol gespeeld want Cuypers hoopte een nieuwe koorafsluiting te mogen bouwen. Zijn voorstel daartoe werd echter te duur gevonden. Zo kwam het oksaal dus te koop het werd overigens in die tijd aangeduid met de Franse term jubé. Om de verkoop te bevorderen kreeg fotograaf J. Schull opdracht om er goede foto’s van te maken. Die werden gezonden aan diverse instellingen in Europa. Overigens betreurde de Noord-Brabantsche en 's-Hertogenbossche Courant van 24 juli 1866 de voorgenomen afbraak van het oksaal. De auteur stelde dat het kunstwerk in 1613 voor fl 20.000 werd gemaakt en dat dit bedrag in zijn tijd ruim fl. 60.000 zou zijn. Kapitaalverlies dus. De voorgenomen verkoop van het jubé werd in regionale en landelijke kranten vermeld. Vanaf 31 juli verschenen er advertenties waarin het te koop werd aangeboden. Maar ook na herhaalde oproepen kwam er geen enkel aannemelijk bod binnen. Dus werd het opgekocht door architect Jan Bolsius zelf lid van het kerkbestuur. Hij liet het voor nog geen fl. 700 afbreken door een ploegje werklui. Verkoop van losse onderdelen van marmer, lood en ijzer leverde nog bijna fl. 3000 op. Bolsius verkocht het afgebroken oksaal in 1866 aan kunsthandelaar Murray Marks die het uiteindelijk weer doorverkocht aan het South Kensington Museum (in 1899 omgedoopt tot Victoria and Albert museum). De koopsom was een schijntje amper de waarde van de gebruikte materialen. Advocaat Victor Eugene de Stuers (1843-1916) was al heel jong erg geboeid door kunsthistorie en monumenten. Al in zijn studententijd maakte hij er een sport van verwaarloosde historische bouw- en kunstwerken op te sporen en de overheid te bewegen deze te restaureren. In juli 1873 bezocht hij het South Kensington Museum en zag daar tot zijn ontzetting het oksaal uit de Sint-Jan staan. Hij ontstak in woede en rapporteerde de verkoop aan de minister J. H. Geertsema van Binnenlandse Zaken. In november 1873 verscheen zijn beroemd geworden artikel “Holland op zijn smalst” in het cultureliteraire tijdschrift De Gids. En hij liet geen spaan heel van de nalatige overheid die haar nationaal erfgoed, kunstbezit en musea tot op het bot verwaarloosde. In 82 pagina’s somde hij een reeks gebouwen en objecten op die door desinteresse en zuinigheid waren vervallen of gesloopt. Veel aandacht besteedde hij aan wat hij ‘het Bossche schandaal’ noemde de afbraak en verkoop van het Bossche oksaal. Hij haalde de argumentatie van het kerkbestuur om tot verkoop over te gaan volledig onderuit. Ook de bisschop kreeg een veeg uit de pan. Hij benadrukte ook dat men ook in Engeland geschokt was door de verwijdering van een dergelijk kunstwerk uit de kerk. Al was men natuurlijk wel verguld dat het nu in Britse handen was. Overigens had hij ook felle kritiek op de in zijn ogen belabberde restauratie van de Sint-Jan die in 1859 was gestart. Zo vond hij het nieuwe beeldhouwwerk in het Noorderportaal van zeer middelmatige kwaliteit. Maar zo stelde hij dat kan ook niet anders als je beeldhouwers inhuurt voor 14 cent per uur. De felle acties van De Stuers hadden effect. Op 8 maart 1874 werd het College van Rijksadviseurs voor de Monumenten van Geschiedenis en Kunst opgericht. Minister Geertsema benoemde Victor de Stuers tot secretaris ervan. De taken van het College werden zo omvangrijk dat al in 1875 besloten werd om binnen het ministerie van Binnenlandse Zaken een aparte afdeling Kunsten en Wetenschappen op te richten met De Stuers aan het hoofd. Zo heeft dus het verlies van het monumentale Bossche oksaal toch nog bijgedragen aan het totstandkoming van goede monumentenzorg. Dat geeft een beetje troost als je als Bosschenaar in het Victoria and Albert Museum voor dit prachtige stuk verkwanseld erfgoed staat.

            

1868

Sinds 1868 stoppen er treinen in ’s-Hertogenbosch. In die tijd werden ze getrokken door stoomlocomotieven later reden er elektrische treinen. In de loop der jaren groeide het reizigers- en goederenverkeer en is het station van ’s-Hertogenbosch vaak veranderd. Tegenwoordig komen er dagelijks ongeveer 50.000 reizigers. In 1868 kreeg ’s-Hertogenbosch een aansluiting op de

spoorlijn naar Boxtel en Eindhoven. Twee jaar later toen de bruggen over de Lek, de Waal en de Dieze klaar waren werd de spoorlijn naar Utrecht geopend. In 1872 volgden verbindingen naar Tilburg en Nijmegen. In 1890 kwam er een spoorlijn tussen Vlijmen, Waalwijk en Zwaluwe. Deze werd wel het ‘halve zolenlijntje’ genoemd vanwege de schoenenindustrie in dit gebied. Bij de opening van de eerste spoorlijn in 1868 was er nog geen officieel station in ’s-Hertogenbosch. Dat kwam pas in 1870. Dit was een houten gebouw dat bij oorlog snel kon worden afgebroken. De treinen kwamen in die tijd het station binnen over een spoorbrug over de rivier de Dieze. Schepen hadden daar veel last van omdat deze brug door het treinverkeer zeker vier uur per dag dicht was. Dat moest worden opgelost. Uiteindelijk kwam er een nieuw station dicht bij het centrum. Het nieuwe station werd ontworpen door Eduard Cuypers. Hij was een neef van Pierre Cuypers de beroemde architect van het Centraal Station in Amsterdam. In 1896 werd het geopend. Het was een indrukwekkend gebouw van wel 140 meter lang, dat de bijnaam het ‘spoorpaleis’ kreeg. De perronoverkappingen waren bijzonder omdat de constructies heel erg lang waren 450 meter. Aan het einde van de Tweede Wereldoorlog werd het station onherstelbaar beschadigd. In 1952 kreeg ’s-Hertogenbosch weer een nieuw station ontworpen door architect Sybold van Ravesteyn. Hij gebruikte een aantal onderdelen van het vorige station, zoals twee stenen leeuwen en een aantal wapenschilden. De beschadigde perronoverkappingen werden hersteld en kwamen terug in het nieuwe station. Aan het eind van de twintigste eeuw was er een groter station nodig, dat werd geopend in 1998. Het was een ontwerp van architect Rob Steenhuis met veel staal en glas. Van het station van Cuypers bleven de monumentale stationsoverkappingen behouden en de twee stenen leeuwen. Deze staan bij de ingang aan de kant van de nieuwe wijk het Paleiskwartier.

            

1874

In 1874 kwam er een eind aan de vesting 's-Hertogenbosch. De landmacht had een ander idee hoe het vaderland te verdedigen. Militair gesproken kwam het gevaar niet meer uit het zuiden uit Frankrijk maar uit het oosten waar een nieuw sterk Duitse keizerrijk was ontstaan. Nederland verschanste zich daarom achter de Nieuwe Hollandse Waterlinie. De vestingen in de grensprovincies

konden dus verdwijnen. In 's-Hertogenbosch zouden alle vestingwerken behalve de Citadelkazerne worden gesloopt. De vesting had eeuwenlang stadsuitbreiding onmogelijk gemaakt. In 's-Hertogenbosch had men meteen door welke kansen de opheffing bood. De door liberalen en conservatieve katholieken beheerste gemeenteraad kwam in actie. Dankzij de goede relaties die burgemeester Luijben in Den Haag had kon het gemeentebestuur in 1878 alle te slopen werken voor een bescheiden bedrag aankopen. Alleen de Citadel en de forten buiten de stad bleven bestaan en waren niet inbegrepen bij de koop. De gemeente kreeg daardoor vrij spel. Er kwam ruimte vrij om nieuwe betere huizen te bouwen en voor bedrijven die zich in 's-Hertogenbosch wilden vestigen. Fabrieken die wilden uitbreiden maar dat niet konden omdat er geen grond beschikbaar was waren eerder naar elders verhuisd. Meer bedrijvigheid betekende meer werk en minder armoede. De zaak werd enigszins ingewikkeld door een oud plan om de Dommel bevaarbaar te maken. De waterstaatkundige situatie in en rondom de stad was hard aan verbetering toe. In 1876 voeren de Bosschenaren nog met bootjes over de Peperstraat na weer een overstroming. De gemeente besloot om de stad in te polderen en om op de Grote Hekel een stoomgemaal te bouwen. Dat is alweer lang verdwenen maar de plaats waar het gestaan heeft is nog goed te zien. De hoofdwal werd enkele meters verlaagd maar bleef bestaan omdat deze nodig was als waterkering. De stad bleef dan wel droog maar de wijde omtrek bleef last houden van overstromingen. Dankzij waterkering zijn de vestigingswerken rond de stad gebleven.

    

In mei 1878 verdween één van de laatste houten middeleeuwse voorgevels uit het Bossche stadsbeeld die van Het Franse Kabinet. Het pand zal dus oorspronkelijk uit de middeleeuwen gedateerd zijn aangezien het na de grote stadsbranden van de vijftiende eeuw verboden werd om in hout te bouwen. Zelfs herstellingen mochten toen niet meer plaatsvinden aan deze kwetsbare panden. Langzamerhand verdwenen de strooien daken en kwamen er leien daken de houten voorgevels werden van steen, onder meer dankzij stedelijke subsidies. Deze bepaling werd in 1744 nog eens herhaald het herstellen van een houten voorgevel werd bestraft met een boete van vijftig gulden en timmerlieden die hieraan meewerkten kregen vijfentwintig gulden boete opgelegd.

            

1882

Al in de Middeleeuwen werden de Vastenavonden in 's-Hertogenbosch gevierd. In het Mirakelboek dat nu nog in de Sint-Jan terug te vinden is wordt in 1444 al gesproken over Vastenavondvieringen. In de jaren voor 1881 wordt de viering van Vastenavond steeds algemener en massaler. Daarbij loopt het soms uit de hand. De gegoede burgerij heeft zich al jaren verzet tegen deze ‘slemperijen’.

Ook de ‘vastelavondkrantjes’ waarin met scherts en parodie de draak wordt gestoken met vooraanstaande Bossche burgers worden bekritiseerd. Maar de gemeente geeft herhaaldelijk geen gehoor aan een verzoek om de Vastenavondvieringen te verbieden. In 1881 mengt Mgr. Adrianus Godschalk de Bisschop van ’s-Hertogenbosch zich in de discussie en komen de feesten in gevaar. Op 1 oktober 1882 wordt in Café Place Royale (toen gevestigd in de straat 'Achter het Stadhuis') de ‘Oeteldonksche Club van 1882’ opgericht. Hier ligt de geboortegrond van het spel zoals we dat nog altijd spelen. De bemoeienis van de geestelijkheid in de discussies rondom de Vastenavondviering vormt de aanleiding voor enkele Bosschenaren om de vieringen te veredelen. Zo wordt het volksfeest behouden. Drie dagen per jaar tijdens het feest van de omgekeerde wereld verandert de stad ’s-Hertogenbosch in het durp Oeteldonk. De Bossche mannen worden boeren en Bossche vrouwen worden durskes. In 1882 treedt Peer vaan den Mugheuvel tot den Bobberd aan als Burgervaojer van Oeteldonk. In 1883 kondigt hij het bezoek van een 'Hoogen Kell' (hooggeplaatste heer) aan. Het dorp Oeteldonk verwelkomt voor het allereerst Z.K.H. Prins Amadeiro I. Het begin van een lange traditie en een prachtige dynastie. Na hem zullen de telgen uit de Dynastie der Amadeiro’s vrijwel ieder jaar een bezoek brengen aan hun 'Pronkjuweel'. Dit is voor de Oeteldonkers dé reden voor het feest der feesten. Knillis staat sinds 1922 op de Bossche Markt en wordt door de Prins onthuld op Carnavalszondag. Knillis wordt gelauwerd met een boerenkoolkrans een eerbetoon aan de vermeend stichter van het durp Oeteldonk. Voor vele Boeren en Durskes is deze plek nog altijd een bedevaartsoord. Het Kwèkfestijn is in 1958 begonnen en werd doorgaans gekoppeld aan de start van het carnavalsseizoen rond 11-11. Inmiddels is het een jaarlijks terugkerend evenement waarbij alle clubkes hun Oeteldonkse carnavalsnummer voor dat jaar laten horen. Een vakjury kiest de 11 beste nummers die vervolgens doorgaan naar de finale. Aan het eind van de avond wordt er een winnaar gekozen die gegarandeerd tijdens carnaval bij vele Ordenaorissen te horen zal zijn. In 1962 wordt het eerste officiële Oeteldonkse ‘mouwembleem’ gepresenteerd. In eerste instantie om fondsen te werven voor de organisatie van de carnavalsviering. Het nieuwe embleem met het wapen van Oeteldonk en de tekst 'Rijk der Amadeiro's' is een groot succes. Inmiddels zijn de vele emblemen niet meer weg te denken van de Oeteldonkse boerenkiel. Sinds 1976 is Hendrien is de trouwe huishoudster van Peer vaan den

Muggenheuvel tot den Bobberd. Ze onderhoudt de ambtswoning van de Burgervaojer. Haar dagen zijn gevuld met 'sokken stoppen, èrrepels schillen en kiepe voejere'. Maar in de schrikkeljaren heeft ze een dagje over. Op deze extra dag gaat ze mee naar Oeteldonk en prijkt ze trots aan de arm van Peer. Die ene dag dat ze erbij mag zijn zal heel Oeteldonk het weten! Met het oog op de magische datum 11-11-2011 wordt in 2010 voor het eerst d'n Elfde van d;n Elfde op grootse wijze gevierd. Die dag wordt de opening van het Carnavalsseizoen omarmd door heel veel Oeteldonkers. Inmiddels is de viering van 11-11 niet meer weg te denken.

         

1885

Aan het Hinthamereinde in 's-Hertogenbosch bouwde als eerste gemeente in de provincie een watertoren voor het algemeen nut. De directe aanleiding voor

de bouw van de toren of beter gezegd voor de aanleg van een voorziening van schoon drinkwater was de cholera-epidemie van 1866. In de stad vielen toen relatief veel slachtoffers. De jaren daarna werd er nagedacht over een betere drinkwatervoorziening omdat inmiddels gebleken was dat onhygiënische waterputten, stadspompen of het gebruik van oppervlaktewater de ziekte hielpen verspreiden. Toen in 1883-1884 een nieuwe epidemie dreigde zette het Bossche stadsbestuur vaart achter de plannen en in 1885 begon men met de aanleg van een waterleidingnet. Een watertoren was nodig om druk op het leidingnet te houden en verschillen in de vraag op te vangen. De Bossche toren is 33 meter hoog en beschikte over twee waterreservoirs van elk 180 m3. In totaal kon dus 360 m3 water in de

toren worden opgeslagen. De watertoren wekt door zijn zware hoeksteunberen nog eens benadrukt door het gebruik van natuursteen en door zijn kantelen de suggestie een burchttoren te zijn. De keuze voor die vormgeving heeft waarschijnlijk veel te maken gehad met de ligging vlakbij de oude stadsmuren. De toren is ontworpen door J. Kalff architect en directeur van de Bossche Dienst Gemeentewerken. Zijn ontwerp is een typisch voorbeeld van het eclecticisme een 19e eeuwse architectuurstroming waarbij elementen uit diverse klassieke stijlen werden genomen en gecombineerd tot iets nieuws. Een icoon van deze stroming is het Rijksmuseum in Amsterdam. Architecten zochten met name monumentale waarden aan hun bouwwerken mee te geven. Dat is in 's-Hertogenbosch zeker gelukt. Omdat de watertoren een van de weinige voorbeelden van deze stijl is in de stad is hij tegenwoordig een rijksmonument. Door het gebruik van moderne pompen verloren de meeste watertorens eind jaren zestig hun functie en werden afgebroken of hergebruikt. De watertoren van 's-Hertogenbosch is in 1974 buiten bedrijf gesteld. De toren heeft vervolgens diverse bestemmingen gehad zoals een inloophuis voor jongeren. In 1997 kreeg de Bossche Stichting De Watertoren de Watertorenprijs van de Nederlandse Watertorenstichting. De prijs werd toegekend vanwege de manier waarop de Bossche stichting toen al tien jaar lang de watertoren in deze stad op een goede wijze voor een nieuwe bestemming had gebruikt. De watertoren is nog steeds duidelijk zichtbaar. Het rijksmonument werd in 2017 nog volledig gerestaureerd. De toren is een blijvende herinnering aan de strijd voor schoon drinkwater voor alle Bosschenaren.

            

1890

De eerste nieuwe wijk moest aan de westkant van de stad komen. Het land moest hier wel eerst opgehoogd worden met een dikke laag zand, omdat het te moerassig was en vaak onder water liep. Al dit zand kwam van de Vughtse Heide. Door het graven ontstond daar een grote waterplas. Die plas kreeg de naam van de graafmachine: de IJzeren Man. De nieuwe wijk die ’s-Hertogenbosch

bouwde was de grootste stadsuitbreiding in vijfhonderd jaar tijd. De wijk kreeg ook een toepasselijke naam ’t Zand. Architect Dony ontwierp tal van huizen en gebouwen de meer riante en duur uitziende huizen midden in Stationsweg en eerste zijstraten en afnemend qua status meer naar Noord- en Zuidkop. De wijk had ook een eigen kerk gehad de Sint Leonarduskerk. Deze kerk was in neogotische stijl gebouwd en is in 1971 gesloopt.

            

home

Vorige12345689Volgende

Website informatieGastenboek

Foto's copyright © bij groetenuitdenbosch.nl