|

|
|
Geschiedenis
De Historie van
's-Hertogenbosch
|
|

|
Op 18 juli 1898 opende
in ’s-Hertogenbosch een
sigarenfabriek. Dat was
goed nieuws, omdat in de
fabriek veel
Bosschenaren konden
werken. In de
negentiende eeuw werden
in heel Nederland grote
fabrieken gebouwd maar
's-Hertogenbosch was de
hele eeuw
achtergebleven. Nu
konden ook veel
Bosschenaren een baan
krijgen in een fabriek
hoewel daar werken ook
verschillende
|
nadelen had.
Het leven van sigarenmakers was zwaar. In de zomer was het regelmatig
bloedheet in de fabriekshallen en in de winter ijskoud. De arbeiders werkten
soms wel twaalf uur per dag. Het lange stilzitten en het herhalen van
dezelfde handeling zorgden bovendien voor lichamelijke klachten. Ook het
inademen van tabaksstof was een probleem. Vaak zat naast de geoefende
sigarenmaker een van zijn kinderen, dat bosjes tabak maakte voor de sigaren.
Vanaf 1874 was die kinderarbeid voor kinderen tot twaalf jaar verboden in
Nederland, maar als ze dertien werden moesten veel alsnog aan het werk. Zo
gebeurde het dat de Bosschenaren in 1898 de opening van de nieuwe
sigarenfabriek groots vierden. De Inspectie van de Arbeid noemde de nieuwe
fabriek zelfs een “paleis van volksvlijt” en een “modelbedrijf”. Het zag er
aan de buitenkant zelfs uit als een kasteel. Binnen was veel daglicht,
stofafzuiging en een modern verwarmingssysteem
en ventilatiesysteem. Hier gingen vierhonderd mensen aan de slag. Nog geen
tien jaar na de opening was de Bossche fabriek uitgegroeid tot de grootste
sigarenproducent van Nederland. Rond 1915 werkten zo’n tweeduizend
Bosschenaren in de sigarenindustrie. Dat was bijna een derde van de
industriële beroepsbevolking in de stad. Door de wereldwijde economische
crisis van 1929 moesten sigarenfabrikanten Goulmy en Baar hun fabriek
verkopen. De nieuwe eigenaar was fabrikant Willem II. Deze zette de
sigarenproductie voort tot 1948. Maar uiteindelijk moest de Bossche
sigarenfabriek stoppen omdat het te duur werd om sigaren nog met de hand te
maken. Het gebouw van de oude sigarenfabriek in ’s-Hertogenbosch is er nog
wel. Het heeft inmiddels verschillende functies gehad. Zo was het in de
jaren 1980 een moskee. Nu gebruikt de organisatie Willem Twee de oude
fabriekshallen voor muziek en kunst. |
|

|
Sinds 1903 staat er een
grote gouden draak recht
tegenover het Bossche
treinstation. Deze draak
staat boven op een
fontein en verwelkomt
bezoekers in de stad. De
Drakenfontein is gebouwd
als pronkstuk van de
grootste
stadsuitbreiding van
’s-Hertogenbosch eind
negentiende eeuw. De
fontein was ook een
herdenkingsmonument voor
een rijke Bosschenaar en
moest de
|
gezondheid van de
Bosschenaren bevorderen. In 1894 overleed de commissaris van de Koningin
jonkheer Bosch van Drakestein. Hij liet een voor die tijd aanzienlijke
erfenis van 10.000 gulden na aan het stadsbestuur. Dit geld was bedoeld voor
de oprichting van een fontein op een belangrijke plek in de stad. Het
uiteindelijke resultaat kennen we nu als de ‘Drakenfontein’ of ‘De Draak’ op
de Stationsweg. Aan de bouw van deze fontein gingen wel veel jaren van gedoe
vooraf. Bosch van Drakestein wilde dat zijn erfenis zou bijdragen aan het
stadsschoon, maar ook aan het algemeen nut de fontein moest voorzien worden
van drinkwater. Verder wilde hij met de fontein zijn overleden familie
herdenken. Het monument moest een herinnering zijn aan zijn op 16-jarige
leeftijd overleden tweelingdochters en zijn enkele jaren later van verdriet
gestorven vrouw. Het Bossche gemeentebestuur nam in 1890 de erfenis dankbaar
in ontvangst. Het bestuur besloot wel nog even te wachten met de realisatie
totdat de gekozen locatie de nieuwe wijk Het Zand meer tot ontwikkeling
was gekomen. Daar werd op dat moment de Stationsweg gebouwd ontworpen door
stadsarchitect J. Dony. Het duurde nog vijf jaar voordat de gemeenteraad
besloot dat het tijd was voor de bouw van de fontein. De raad schreef een
prijsvraag uit en plaatste deze in verschillende dagbladen. Het is niet meer
bekend hoeveel inzendingen er uiteindelijk binnenkwamen. Wel weten we dat er
in ieder geval een eerste, tweede en derde prijs zijn uitgereikt. Met vier
stemmen voor en één tegen werd de eerste prijs uitgereikt aan de gebroeders
Oscar en Henri jr. Leeuw uit Nijmegen. Bij de bekendmaking werd echter ook
vermeld dat het winnende ontwerp niet uitgevoerd zou worden. De gemeenteraad
vond dat de bouw van de fontein al veel te lang op zich had laten wachten en
daarom kreeg Dony zelf de opdracht om een passend ontwerp te maken!
|
|
Zo
verscheen enkele jaren later dan gepland dan toch het door Bosch van
Drakestein bedoelde monument door Dony ontworpen. ‘De Draak’ is inmiddels
een beschermd rijksmonument en bovendien een herkenbaar symbool van de stad.
De fontein overleefde wonder boven wonder de bevrijding in 1944 en allerlei
vormen van vandalisme. In 2000 viel hij plotseling van zijn sokkel door een
gebrek aan onderhoud. Het beeld is toen helemaal opgeknapt met een speciale
behandeling om het verouderingsproces te stoppen. Zo kan de Drakenfontein
nog eeuwenlang het symbool blijven van ’s-Hertogenbosch en bezoekers
verwelkomen.
|

|
Henri Bakker was een
Nederlandse
luchtvaartpionier. Hij
was de tweede
Nederlander die een
Nederlands vliegbrevet
haalde bij de Eerste
Nederlandsche
Vliegvereniging
|
op 7
april 1911. Na het
behalen van zijn brevet
begon de fietsenmaker en
motorrijder Henri Bakker
samen met de heren H.
Kanters en B. Moerkoert
een vliegschool "De
Condor" op de Hertenberg
op 15 mei. Ook gaf hij hier met
zijn Blériot vliegdemonstraties. Dit was een geijkte manier om extra
inkomsten te werven in die tijd. Het publiek kwam er echter al gauw achter
dat men de verrichtingen even goed buiten het terrein kon volgen. De
vliegschool moest dan ook in juni 1912 zijn deuren sluiten. Henri Bakker
probeerde het nog een keer op het vliegkamp Ede. Hij kon als een van de
weinigen hier zijn brood mee verdienen tot 1918 toen het vliegveldje
werd gebruikt door de
Luchtvaartafdeling. Na de Eerste Wereldoorlog is hij in Ede gebleven maar
gaf het vliegen op. Op 20 september 1911 de Bosschenaar
|
Henri Bakker
is in 1911 de eerste
piloot van het
Nederlandse leger met
zijn vliegtuig 'De
Condor' maakte
hij ook vluchten vanuit een primitief kampement
dat het leger in de omgeving van de Pettelaarse Schans heeft opgericht. Voor
vele Bosschenaren was de vlucht vanuit dat kamp rondom de toren van de
Sint-Jan de eerste kennismaking met een vliegtuig. |
|

|
Tijdens de Eerste
Wereldoorlog (1914-1918)
werd Nederland niet
bezet: ons land was
neutraal. Maar in de
omringende landen werd
wel gevochten en
Nederland kreeg alsnog
te maken met de gevolgen
van de oorlog. Ook in
’s-Hertogenbosch was dit
voelbaar. Het
Nederlandse veldleger
vestigde zich in de stad
om vlak bij de grens
paraat te staan.
Daarnaast trokken
duizenden Belgische
|
vluchtelingen naar de stad. Ook werd het voor iedereen steeds moeilijker om
aan voedsel en kleding te komen. Het Duitse leger viel op 4 augustus 1914
België binnen. Nederland moest daarom vooral in het zuiden van het land voor
verdediging zorgen. Daarom werd meer dan de helft van het veldleger 50.000
man in Noord-Brabant geplaatst. Ook werd het hoofdkwartier van het veldleger
van Den Haag naar ’s-Hertogenbosch verplaatst. De commandant nam zijn intrek
hier in de Fraterschool aan de Sint-Josephstraat. Vanaf 10 augustus 1914
werd ’s-Hertogenbosch zo tijdelijk het centrum van de Nederlandse
verdediging. Vanaf het begin van de Eerste Wereldoorlog hadden de regering
en de gemeente aandacht voor de gelijke verdeling van voedsel voor de
inwoners. Ook wilde ze voorkomen dat er te hoge prijzen voor voedsel,
levensmiddelen en kleding werden gevraagd. Ook werden er gaarkeukens
ingericht en waren er vervangende producten zoals ‘regeeringsvisch’ te koop.
Vanaf 1917 nam de schaarste sterk toe. In een kantoor op Achter het Wild
Varken 7 werd de distributie van levensmiddelen, brandstoffen en kleding
geregeld. In de landen waar oorlog was sloegen veel mensen op de vlucht.
Vanwege de Duitse inval in België en de belegering van havenstad Antwerpen
trokken meer dan een miljoen Belgen naar Nederland. Ruim 2500 vluchtelingen
kwamen in ’s-Hertogenbosch terecht. Nadat het in België weer wat veiliger
was geworden keerde ruim de helft weer terug naar huis. Vanaf 1915 werd het
vrijwel onmogelijk nog de grens over te gaan omdat de Duitse bezetter die
afsloot met een hekwerk van draden. De middelste van drie rijen draden stond
onder elektrische spanning. Deze afzetting tussen het bezette België en het
neutrale Nederland werd daarom ook wel de ‘Doodendraad’ genoemd. Voor de
opvang van de gevluchte Belgen werd in ’s-Hertogenbosch het Comité Belgische
vluchtelingen opgericht. De Belgen werden opgevangen in particuliere huizen
maar ook in kloosters, scholen, theaters en bij boeren buiten de stad. In
’s-Hertogenbosch werden 66 kinderen van vluchtelingen geboren terwijl 25
Belgen tijdens hun verblijf overleden. Enige tientallen vluchtelingen bleven
voorgoed in ’s-Hertogenbosch wonen. Nog steeds kun je een herinnering aan de
Eerste Wereldoorlog in de stad zien. Na de oorlog hebben de vluchtelingen in
de gevel van het stadhuis een tekst laten uithakken: De uitgeweken Belgen
ter dankbare herinnering aan de stad ’s-Hertogenbosch oct. 1914-dec. 1918. |
|

|
In 1923 werd Fanny
geboren in
’s-Hertogenbosch, als
zusje van Heleen en
Hans. Fanny’s vader was
directeur van de
sigarenfabriek Antonio.
Het gezin was Joods maar
in hun dagelijks leven
speelde het joodse
geloof geen grote rol.
Fanny ging naar een
lagere school met
kinderen van
verschillende geloven.
In 1934 verhuisde het
gezin Philips naar Huize
Muiserick in Vught. Het
was |
een mooi
landhuis aan de rivier de Dommel. De villa had een grote tuin die grensde
aan het bos. Voor Fanny was het een droompaleis vol luxe. Er kwamen graag
vriendinnetjes bij haar spelen. Het gezin had personeel in dienst voor het
huishoudelijk werk en er was een tuinman. Ook hadden ze twee auto’s. Fanny
ging naar de middelbare school de mulo op het Maria Lyceum in
’s-Hertogenbosch. In haar vrije tijd speelde ze hockey en tennis en ze ging
met haar ouders op wintersport. Sinds 1933 waren Hitler en zijn nazipartij
aan de macht gekomen in Duitsland. Veel Duitse Joden sloegen daarna op de
vlucht voor de nazi’s. ’s-Hertogenbosch ving ook Joodse vluchtelingen op.
Maar nadat Nederland in 1940 door nazi-Duitsland was bezet, kwamen ook hier
steeds meer anti-Joodse maatregelen. Joden mochten bijvoorbeeld niet meer
naar de bioscoop en naar het zwembad. Daarnaast werden Joodse gezinnen uit
hun huis gezet. Ook de familie Philips moest hun villa verlaten en verhuisde
naar een kleine bovenwoning in Vught. In september 1941 was Fanny niet
langer welkom op het Maria Lyceum. Dat was een grote klap voor haar. Ze ging
privélessen volgen bij een Joodse apotheker in ’s-Hertogenbosch om haar
diploma apothekersassistente te halen. Vanaf mei 1942 moesten alle Joden een
gele Jodenster zichtbaar op hun kleding dragen. Vanaf april 1942 schreef
Fanny wekelijks brieven aan haar vriendin Ans Schreurs die op een kostschool
zat. Ze schreef over dagelijkse dingen als gesprekjes met vriendinnen en dat
ze zich vaak verveelde. Maar ook schreef ze over anti-Joodse maatregelen
zoals de Jodenster. Ze vond het heel erg dat ze veel dingen niet meer mocht.
Zo moest ze lopend naar ’s-Hertogenbosch voor haar apothekerslessen omdat ze
haar fiets moest inleveren en ook niet meer met de bus mocht. In januari
1943 schreef Fanny over het net geopende Konzentrationslager Herzogenbusch
de officiële naam van Kamp Vught. Ze zag hoe talloze mensen gedwongen door
het dorp naar het concentratiekamp liepen en vond het een akelig gezicht.
Naast verzetsmensen zaten daar ook Joden gevangen. Bij aankomst moesten op
den duur de gevangenen alles inleveren wat hen mens maakte kleding,
bezittingen, zelfs hun naam. In plaats van een naam kregen ze een nummer.
Fanny schreef Ans eind maart 1943 dat ze ook naar Kamp Vught moest en dat ze
haar vriendin waarschijnlijk niet meer zou zien. Maar het lukte de familie
om daar onderuit te komen. Op 31 mei 1943 schreef Fanny haar laatste brief
in vrijheid. Een dag later moest ze met haar familie naar Kamp Westerbork in
Drenthe. In september 1943 werd de familie Philips vanaf daar op transport
gezet naar vernietigingskamp Auschwitz. Kort na aankomst zijn Fanny, Heleen
en haar ouders daar vermoord. Hans werd een jaar later in Auschwitz
vermoord. Twee derde van de Joodse inwoners van ’s-Hertogenbosch heeft de
oorlog niet overleefd. Bij de Bossche synagoge hangen drie marmeren platen
met 293 namen van vermoorde Joodse stadgenoten. De namen van de familie
Philips staan op een gedenkplaat bij de Lambertustoren in Vught en er is een
gedenktegel voor de familie gelegd bij Huize Muiserick. |
|

|
De veemarkt van
’s-Hertogenbosch
ontstond in de
middeleeuwen en groeide
uit tot een van de
grootste van Nederland.
Sinds het ontstaan van
’s-Hertogenbosch had de
stad een veemarkt. In de
middeleeuwen mochten
veehandelaren één keer
per jaar dieren kopen en
verkopen binnen de
stadsmuren. Dit waren
meestal koeien, varkens
en schapen. Door de
eeuwen heen werd de
Bossche |
veemarkt
steeds groter. Vanaf 1892 groeide de aanvoer van vee snel. Steeds meer
boeren uit Brabant kwamen in ’s-Hertogenbosch hun vee kopen en verkopen. De
Noordbrabantse Christelijke Boerenbond opgericht in 1896 moedigde dit aan.
De bond zorgde ervoor dat boeren een eerlijke prijs kregen voor hun vee en
zag toe op de kwaliteit van de dieren. In dertig jaar tijd steeg het aantal
koeien en biggen dat in ’s-Hertogenbosch verkocht werd met vijfhonderd
procent. De veemarkt vond inmiddels iedere week plaats op verschillende
plekken in de stad. Zo waren in de Van Berckelstraat paarden te koop en
stond de Tolbrugstraat vol biggen. De veemarkt leverde de Bosschenaren
enerzijds wel wat op. Na een succesvolle marktdag gaven de boeren hun geld
uit in de stad. Maar anderzijds zorgden al die dieren voor veel overlast.
Het stadsbestuur vond de situatie onhoudbaar en verplaatste rond 1900 de
verkoop van koeien naar een plein aan de Zuid-Willemsvaart. Deze plek heet
nu het Kardinaal van Rossumplein. Hier was dagelijks plek voor zeshonderd
koeien. Maar ook dat was niet genoeg. Het vee stond al snel weer in de
aangrenzende straten. Om dit probleem op te lossen ging het stadsbestuur in
de jaren twintig op zoek naar een andere locatie voor de veemarkt. Het
liefst niet in de binnenstad. ’s-Hertogenbosch begon aan het einde van de
negentiende eeuw met het bouwen buiten de stadsmuren. De architect Piet van
Kessel ontwierp eind jaren twintig een grote moderne overdekte veemarkt,
naar Duits voorbeeld. Dat zou de overlast sterk verminderen. Ondanks de
grote economische crisis in 1929 begon 's-Hertogenbosch in dat jaar met de
bouw. Op 20 mei 1931 opende het imposante hoofdgebouw met daarachter de
grote overdekte veemarkthallen. In het hoofdgebouw waren restaurants,
kantoren, vergaderruimtes, woningen en een hooizolder gerealiseerd. Het was
op dat moment de grootste veemarkt van Nederland. Iedere woensdagochtend om
half zes in de ochtend opende de veemarkt haar deuren. De rest van de week
vonden in de hallen evenementen plaats die vaak te maken hadden met de
veehouderij zoals vlees- en veekeuringen. Maar in de tweede helft van de
twintigste eeuw traden hier ook bekende rockartiesten en popartiesten op zoals The
Rolling Stones in 1966 en Prince in de jaren negentig. Zeventig jaar was de
Bossche veemarkt een begrip, maar in 2001 ging het mis. Toen brak de ziekte
mond-en-klauwzeer uit in heel Europa. In de veemarkthallen van
’s-Hertogenbosch kwamen zoveel dieren bij elkaar dat dit erg besmettelijke
virus zich erg snel kon verspreiden. Vanwege het gevaar van epidemieën sloot
de Bossche veemarkt haar deuren. De oude veemarkthallen in ’s-Hertogenbosch
zijn omgebouwd tot een evenementencomplex de Brabanthallen. In plaats van
koeien en varkens stappen er nu jaarlijks honderdduizenden mensen over de
drempel om beurzen, concerten en andere grote evenementen te bezoeken. |
|

|
De Tweede Wereldoorlog
begon ook voor de
Bosschenaren in mei
1940. Toen viel het
Duitse leger Nederland
binnen en namen de
Duitsers overal de macht
over. Op 12 mei 1940 gaf
’s-Hertogenbosch zich
over aan Duitsland.
Tijdens de bezetting
ging voor een deel van
de inwoners van
’s-Hertogenbosch het
dagelijks leven gewoon
door. Ze gingen naar hun
werk, naar school, naar
het |
theater en naar hun
sportclub. Maar ze waren steeds minder vrij. Iedereen moest zich
bijvoorbeeld aan een avondklok houden. Voor Joodse Bosschenaren en de Roma
en Sinti in de gemeente verliep het heel anders. Zij mochten op heel veel
plekken niet meer komen zoals op de openbare school, de theaters en de
sportclubs. Uiteindelijk stuurde de Duitse bezetter bijna alle Joden, Roma
en Sinti uit ’s-Hertogenbosch naar concentratiekampen waar de meesten zijn
vermoord. Tegen het einde van de oorlog kwamen verschillende Bosschenaren
met gevaar voor eigen leven in opstand tegen de Duitsers. Voor veel van de
vervolgde slachtoffers was het toen al te laat. In oktober bereikten de
Britse en Canadese
legers ons land. Deze
53e Welsh Divisie kreeg
de opdracht om
’s-Hertogenbosch te
bevrijden. De
geallieerden gaven deze
missie een codenaam
Operatie Alan. Op zondag
22 oktober 1944 begonnen
de Britse soldaten van
de 53e Welsh Divisie aan
de bevrijding van
’s-Hertogenbosch. Eerst
verdreven ze met veel
geweld de Duitse troepen
uit de dorpen die ten
oosten van de stad lagen
zoals Vinkel, Nuland en
Rosmalen. De Duitsers
werden teruggedreven
naar de Bossche
binnenstad. Daarom
schoot het Britse leger
in de nacht van maandag
23 op dinsdag 24 oktober
zo’n 50.000 granaten af
op de stad. Ook voor de
Bosschenaren vooral in
de wijk Hinthamerpark
was dit verschrikkelijk.
Ze zochten dekking in
schuilkelders maar
liepen toch veel gevaar.
Heel veel huizen en
andere gebouwen vlogen
in brand en stortten in.
De Duitsers hadden zelf
alle belangrijke bruggen
rond de binnenstad
opgeblazen. Zo konden de
geallieerden de
binnenstad niet
bereiken. Maar op
woensdag 25 oktober
ontdekten de bevrijders
toch een manier om de
Zuid-Willemsvaart over
te steken. De deuren van
Sluis 0 waren nog niet
kapot. Hier konden de
soldaten in dikke
rookwolken om niet
gezien te worden een
voor een de stad in
lopen. Uiteindelijk
hadden de geallieerden
nog twee hele dagen
nodig om de binnenstad
te bevrijden. Op vrijdag
27 oktober gaven aan het
einde van de dag de
laatste Duitse soldaten
zich over. Na de
bevrijding van hun stad
waren de Bosschenaren
nog steeds niet veilig
want de Tweede
Wereldoorlog was niet
voorbij.
’s-Hertogenbosch maar
ook Empel en Engelen
lagen maandenlang in de
frontlinie.
Het Duitse
leger bleef de stad
vanaf
|
de andere kant van de
rivier de Maas beschieten.
Een groot aantal
gebouwen
wordt
vernield of zwaar
beschadigd ook het
station van Ed. Cuypers
en de Leonarduskerk de
kerk zal worden hersteld
het station afgebroken.
De oorlog heeft aan 515
Bosschenaren het leven
gekost er zijn 722
huizen en gebouwen
totaal verwoest of
onherstelbaar beschadigd een
kleine tienduizend
percelen zijn licht
beschadigd.
Een groot
bevrijdingsfeest vierden
de inwoners pas in maart
1945 toen koningin
Wilhelmina de stad
bezocht. Ook werd de
bevrijding van heel
Nederland op 5 mei op de
Markt gevierd. Nog
steeds worden alle
slachtoffers van de
Tweede Wereldoorlog in
’s-Hertogenbosch
herdacht. In de gemeente
vind je op tientallen
plekken plaquettes en
monumenten zoals het Verzets- en
Bevrijdingsmonument in
de Casinotuin voor alle
omgekomen inwoners. Wie
goed oplet bij een
wandeling komt op de
stoep zogenaamde
struikelstenen tegen.
Deze stenen herinneren
aan de weggevoerde
Joodse slachtoffers.
Sinds 2015 ligt naast
het Bossche treinstation
The Royal Welshbrug.
Deze brug met alle namen
van de gesneuvelde
militairen is vernoemd
naar de 53e Welsh
Divisie een bijzonder eerbetoon aan de bevrijders van 's-Hertogenbosch.
|

|
Eind oktober 1944 waren
alle dorpen in de
omgeving van
’s-Hertogenbosch
bevrijd. Veel hadden het
zwaar te verduren
gekregen zoals Nuland en
Rosmalen. De Duitsers
|
hadden zich
teruggetrokken aan de noordkant van de Maas. Maar ze gaven
niet op en bleven de
omgeving van
’s-Hertogenbosch
beschieten. Daardoor
vielen er nog steeds
slachtoffers. De dorpen Bokhoven, Engelen en Empel |
|
bevonden zich midden in
de vuurlinie.
De inwoners waren gevlucht of geëvacueerd. Heel veel huizen
werden kapotgeschoten. Het echte
bevrijdingsfeest en de wederopbouw konden pas beginnen toen de Duitsers zich
overal hadden overgegeven. Dat was op 5 mei 1945. De eerste Empelnaren die
terugkeerden zagen dat bijna het hele dorp kapot was. Eigenlijk moest alles
opnieuw worden opgebouwd. Maar dat mocht niet zomaar. Empel lag namelijk
boven op de Maasdijk. Zo dicht bij het water wonen was eigenlijk helemaal
niet veilig. De wederopbouw van Empel mocht dus niet meer op dezelfde plek.
Op 2 augustus 1945 nodigde de burgemeester van Empel alle inwoners en
belangrijke bestuurders uit in het dorpscafé. Hij presenteerde een plan om
het hele dorp te verplaatsen. De nieuwe locatie was een polder op twee
kilometer afstand van het oude dijkdorp. In oktober 1946 begon de bouw van
de eerste zes huizen in de polder. Het plan was om uiteindelijk
honderdvijftig woningen, een kerk, begraafplaats, sportterrein, school en
raadhuis te bouwen in het nieuwe Empel. Maar de wederopbouw ging heel
langzaam. Drie jaar na de bevrijding waren nog maar veertien huizen klaar.
Nog steeds woonden de Empelnaren in kapotte huizen die ze niet mochten
herstellen. De pastoor van Empel stak zelf met zijn parochianen een schop in
de grond voor de bouw van de kerk en de begraafplaats. Ook reisde hij naar
de regering in Den Haag om meer geld te vragen voor de wederopbouw. Vijf
jaar na de bevrijding was de helft van de Empelnaren verhuisd naar het
nieuwe dorp in de polder. Pas in 1961 was het gemeentehuis klaar.
Uiteindelijk vertrok niet iedereen naar het nieuwe Empel. Nog steeds wonen
er mensen op de Empelsedijk. Dit heet nu Oud-Empel. Wie langs de
overgebleven huizen loopt ziet veel lege grasvelden bijvoorbeeld op de plek
waar vroeger de school stond. Bij de oude begraafplaats staat een monument
zodat de verwoesting, evacuatie, bevrijding en wederopbouw van Empel niet
worden vergeten. |
|
|
Foto's
copyright
©
bij groetenuitdenbosch.nl |
|
|