Stadswandeling

 Geschiedenis

  De Historie van 's-Hertogenbosch

  Sint-Janskathedraal

  Het beleg van 's-Hertogenbosch 1629

  De bevrijding Oktober 1944

  Oeteldonk

 Binnendieze

 Sint-Janskathedraal

 's-Hertogenbosch

 Straten en Stegen

 Vestingstad in het groen

 Bossche wijken

 Oeteldonk

 Evenementen

  

       

Geschiedenis

De Historie van 's-Hertogenbosch

       

1898

Op 18 juli 1898 opende in ’s-Hertogenbosch een sigarenfabriek. Dat was goed nieuws, omdat in de fabriek veel Bosschenaren konden werken. In de negentiende eeuw werden in heel Nederland grote fabrieken gebouwd maar 's-Hertogenbosch was de hele eeuw achtergebleven. Nu konden ook veel Bosschenaren een baan krijgen in een fabriek hoewel daar werken ook verschillende

nadelen had. Het leven van sigarenmakers was zwaar. In de zomer was het regelmatig bloedheet in de fabriekshallen en in de winter ijskoud. De arbeiders werkten soms wel twaalf uur per dag. Het lange stilzitten en het herhalen van dezelfde handeling zorgden bovendien voor lichamelijke klachten. Ook het inademen van tabaksstof was een probleem. Vaak zat naast de geoefende sigarenmaker een van zijn kinderen, dat bosjes tabak maakte voor de sigaren. Vanaf 1874 was die kinderarbeid voor kinderen tot twaalf jaar verboden in Nederland, maar als ze dertien werden moesten veel alsnog aan het werk. Zo gebeurde het dat de Bosschenaren in 1898 de opening van de nieuwe sigarenfabriek groots vierden. De Inspectie van de Arbeid noemde de nieuwe fabriek zelfs een “paleis van volksvlijt” en een “modelbedrijf”. Het zag er aan de buitenkant zelfs uit als een kasteel. Binnen was veel daglicht, stofafzuiging en een modern verwarmingssysteem en ventilatiesysteem. Hier gingen vierhonderd mensen aan de slag. Nog geen tien jaar na de opening was de Bossche fabriek uitgegroeid tot de grootste sigarenproducent van Nederland. Rond 1915 werkten zo’n tweeduizend Bosschenaren in de sigarenindustrie. Dat was bijna een derde van de industriële beroepsbevolking in de stad. Door de wereldwijde economische crisis van 1929 moesten sigarenfabrikanten Goulmy en Baar hun fabriek verkopen. De nieuwe eigenaar was fabrikant Willem II. Deze zette de sigarenproductie voort tot 1948. Maar uiteindelijk moest de Bossche sigarenfabriek stoppen omdat het te duur werd om sigaren nog met de hand te maken. Het gebouw van de oude sigarenfabriek in ’s-Hertogenbosch is er nog wel. Het heeft inmiddels verschillende functies gehad. Zo was het in de jaren 1980 een moskee. Nu gebruikt de organisatie Willem Twee de oude fabriekshallen voor muziek en kunst.

            

1903

Sinds 1903 staat er een grote gouden draak recht tegenover het Bossche treinstation. Deze draak staat boven op een fontein en verwelkomt bezoekers in de stad. De Drakenfontein is gebouwd als pronkstuk van de grootste stadsuitbreiding van

’s-Hertogenbosch eind negentiende eeuw. De fontein was ook een herdenkingsmonument voor een rijke Bosschenaar en moest de

gezondheid van de Bosschenaren bevorderen. In 1894 overleed de commissaris van de Koningin jonkheer Bosch van Drakestein. Hij liet een voor die tijd aanzienlijke erfenis van 10.000 gulden na aan het stadsbestuur. Dit geld was bedoeld voor de oprichting van een fontein op een belangrijke plek in de stad. Het uiteindelijke resultaat kennen we nu als de ‘Drakenfontein’ of ‘De Draak’ op de Stationsweg. Aan de bouw van deze fontein gingen wel veel jaren van gedoe vooraf. Bosch van Drakestein wilde dat zijn erfenis zou bijdragen aan het stadsschoon, maar ook aan het algemeen nut de fontein moest voorzien worden van drinkwater. Verder wilde hij met de fontein zijn overleden familie herdenken. Het monument moest een herinnering zijn aan zijn op 16-jarige leeftijd overleden tweelingdochters en zijn enkele jaren later van verdriet gestorven vrouw. Het Bossche gemeentebestuur nam in 1890 de erfenis dankbaar in ontvangst. Het bestuur besloot wel nog even te wachten met de realisatie totdat de gekozen locatie de nieuwe wijk Het Zand meer tot ontwikkeling was gekomen. Daar werd op dat moment de Stationsweg gebouwd ontworpen door stadsarchitect J. Dony. Het duurde nog vijf jaar voordat de gemeenteraad besloot dat het tijd was voor de bouw van de fontein. De raad schreef een prijsvraag uit en plaatste deze in verschillende dagbladen. Het is niet meer bekend hoeveel inzendingen er uiteindelijk binnenkwamen. Wel weten we dat er in ieder geval een eerste, tweede en derde prijs zijn uitgereikt. Met vier stemmen voor en één tegen werd de eerste prijs uitgereikt aan de gebroeders Oscar en Henri jr. Leeuw uit Nijmegen. Bij de bekendmaking werd echter ook vermeld dat het winnende ontwerp niet uitgevoerd zou worden. De gemeenteraad vond dat de bouw van de fontein al veel te lang op zich had laten wachten en daarom kreeg Dony zelf de opdracht om een passend ontwerp te maken!

Zo verscheen enkele jaren later dan gepland dan toch het door Bosch van Drakestein bedoelde monument door Dony ontworpen. ‘De Draak’ is inmiddels een beschermd rijksmonument en bovendien een herkenbaar symbool van de stad. De fontein overleefde wonder boven wonder de bevrijding in 1944 en allerlei vormen van vandalisme. In 2000 viel hij plotseling van zijn sokkel door een gebrek aan onderhoud. Het beeld is toen helemaal opgeknapt met een speciale behandeling om het verouderingsproces te stoppen. Zo kan de Drakenfontein nog eeuwenlang het symbool blijven van ’s-Hertogenbosch en bezoekers verwelkomen.

       

1911

Henri Bakker was een Nederlandse luchtvaartpionier. Hij was de tweede Nederlander die een Nederlands vliegbrevet haalde bij de Eerste Nederlandsche Vliegvereniging

op 7 april 1911. Na het behalen van zijn brevet begon de fietsenmaker en motorrijder Henri Bakker samen met de heren H. Kanters en B. Moerkoert een vliegschool "De Condor" op de Hertenberg op 15 mei. Ook gaf hij hier met zijn Blériot vliegdemonstraties. Dit was een geijkte manier om extra inkomsten te werven in die tijd. Het publiek kwam er echter al gauw achter dat men de verrichtingen even goed buiten het terrein kon volgen. De vliegschool moest dan ook in juni 1912 zijn deuren sluiten. Henri Bakker probeerde het nog een keer op het vliegkamp Ede. Hij kon als een van de weinigen hier zijn brood mee verdienen tot 1918 toen het vliegveldje werd gebruikt door de Luchtvaartafdeling. Na de Eerste Wereldoorlog is hij in Ede gebleven maar gaf het vliegen op. Op 20 september 1911 de Bosschenaar

Henri Bakker is in 1911 de eerste piloot van het Nederlandse leger met zijn vliegtuig 'De Condor' maakte hij ook vluchten vanuit een primitief kampement dat het leger in de omgeving van de Pettelaarse Schans heeft opgericht. Voor vele Bosschenaren was de vlucht vanuit dat kamp rondom de toren van de Sint-Jan de eerste kennismaking met een vliegtuig.

            

1914

Tijdens de Eerste Wereldoorlog (1914-1918) werd Nederland niet bezet: ons land was neutraal. Maar in de omringende landen werd wel gevochten en Nederland kreeg alsnog te maken met de gevolgen van de oorlog. Ook in ’s-Hertogenbosch was dit voelbaar. Het Nederlandse veldleger vestigde zich in de stad om vlak bij de grens paraat te staan. Daarnaast trokken duizenden Belgische

vluchtelingen naar de stad. Ook werd het voor iedereen steeds moeilijker om aan voedsel en kleding te komen. Het Duitse leger viel op 4 augustus 1914 België binnen. Nederland moest daarom vooral in het zuiden van het land voor verdediging zorgen. Daarom werd meer dan de helft van het veldleger 50.000 man in Noord-Brabant geplaatst. Ook werd het hoofdkwartier van het veldleger van Den Haag naar ’s-Hertogenbosch verplaatst. De commandant nam zijn intrek hier in de Fraterschool aan de Sint-Josephstraat. Vanaf 10 augustus 1914 werd ’s-Hertogenbosch zo tijdelijk het centrum van de Nederlandse verdediging. Vanaf het begin van de Eerste Wereldoorlog hadden de regering en de gemeente aandacht voor de gelijke verdeling van voedsel voor de inwoners. Ook wilde ze voorkomen dat er te hoge prijzen voor voedsel, levensmiddelen en kleding werden gevraagd. Ook werden er gaarkeukens ingericht en waren er vervangende producten zoals ‘regeeringsvisch’ te koop. Vanaf 1917 nam de schaarste sterk toe. In een kantoor op Achter het Wild Varken 7 werd de distributie van levensmiddelen, brandstoffen en kleding geregeld. In de landen waar oorlog was sloegen veel mensen op de vlucht. Vanwege de Duitse inval in België en de belegering van havenstad Antwerpen trokken meer dan een miljoen Belgen naar Nederland. Ruim 2500 vluchtelingen kwamen in ’s-Hertogenbosch terecht. Nadat het in België weer wat veiliger was geworden keerde ruim de helft weer terug naar huis. Vanaf 1915 werd het vrijwel onmogelijk nog de grens over te gaan omdat de Duitse bezetter die afsloot met een hekwerk van draden. De middelste van drie rijen draden stond onder elektrische spanning. Deze afzetting tussen het bezette België en het neutrale Nederland werd daarom ook wel de ‘Doodendraad’ genoemd. Voor de opvang van de gevluchte Belgen werd in ’s-Hertogenbosch het Comité Belgische vluchtelingen opgericht. De Belgen werden opgevangen in particuliere huizen maar ook in kloosters, scholen, theaters en bij boeren buiten de stad. In ’s-Hertogenbosch werden 66 kinderen van vluchtelingen geboren terwijl 25 Belgen tijdens hun verblijf overleden. Enige tientallen vluchtelingen bleven voorgoed in ’s-Hertogenbosch wonen. Nog steeds kun je een herinnering aan de Eerste Wereldoorlog in de stad zien. Na de oorlog hebben de vluchtelingen in de gevel van het stadhuis een tekst laten uithakken: De uitgeweken Belgen ter dankbare herinnering aan de stad ’s-Hertogenbosch oct. 1914-dec. 1918.

            

1923

In 1923 werd Fanny geboren in ’s-Hertogenbosch, als zusje van Heleen en Hans. Fanny’s vader was directeur van de sigarenfabriek Antonio. Het gezin was Joods maar in hun dagelijks leven speelde het joodse geloof geen grote rol. Fanny ging naar een lagere school met kinderen van verschillende geloven. In 1934 verhuisde het gezin Philips naar Huize Muiserick in Vught. Het was

een mooi landhuis aan de rivier de Dommel. De villa had een grote tuin die grensde aan het bos. Voor Fanny was het een droompaleis vol luxe. Er kwamen graag vriendinnetjes bij haar spelen. Het gezin had personeel in dienst voor het huishoudelijk werk en er was een tuinman. Ook hadden ze twee auto’s. Fanny ging naar de middelbare school de mulo op het Maria Lyceum in ’s-Hertogenbosch. In haar vrije tijd speelde ze hockey en tennis en ze ging met haar ouders op wintersport. Sinds 1933 waren Hitler en zijn nazipartij aan de macht gekomen in Duitsland. Veel Duitse Joden sloegen daarna op de vlucht voor de nazi’s. ’s-Hertogenbosch ving ook Joodse vluchtelingen op. Maar nadat Nederland in 1940 door nazi-Duitsland was bezet, kwamen ook hier steeds meer anti-Joodse maatregelen. Joden mochten bijvoorbeeld niet meer naar de bioscoop en naar het zwembad. Daarnaast werden Joodse gezinnen uit hun huis gezet. Ook de familie Philips moest hun villa verlaten en verhuisde naar een kleine bovenwoning in Vught. In september 1941 was Fanny niet langer welkom op het Maria Lyceum. Dat was een grote klap voor haar. Ze ging privélessen volgen bij een Joodse apotheker in ’s-Hertogenbosch om haar diploma apothekersassistente te halen. Vanaf mei 1942 moesten alle Joden een gele Jodenster zichtbaar op hun kleding dragen. Vanaf april 1942 schreef Fanny wekelijks brieven aan haar vriendin Ans Schreurs die op een kostschool zat. Ze schreef over dagelijkse dingen als gesprekjes met vriendinnen en dat ze zich vaak verveelde. Maar ook schreef ze over anti-Joodse maatregelen zoals de Jodenster. Ze vond het heel erg dat ze veel dingen niet meer mocht. Zo moest ze lopend naar ’s-Hertogenbosch voor haar apothekerslessen omdat ze haar fiets moest inleveren en ook niet meer met de bus mocht. In januari 1943 schreef Fanny over het net geopende Konzentrationslager Herzogenbusch de officiële naam van Kamp Vught. Ze zag hoe talloze mensen gedwongen door het dorp naar het concentratiekamp liepen en vond het een akelig gezicht. Naast verzetsmensen zaten daar ook Joden gevangen. Bij aankomst moesten op den duur de gevangenen alles inleveren wat hen mens maakte kleding, bezittingen, zelfs hun naam. In plaats van een naam kregen ze een nummer. Fanny schreef Ans eind maart 1943 dat ze ook naar Kamp Vught moest en dat ze haar vriendin waarschijnlijk niet meer zou zien. Maar het lukte de familie om daar onderuit te komen. Op 31 mei 1943 schreef Fanny haar laatste brief in vrijheid. Een dag later moest ze met haar familie naar Kamp Westerbork in Drenthe. In september 1943 werd de familie Philips vanaf daar op transport gezet naar vernietigingskamp Auschwitz. Kort na aankomst zijn Fanny, Heleen en haar ouders daar vermoord. Hans werd een jaar later in Auschwitz vermoord. Twee derde van de Joodse inwoners van ’s-Hertogenbosch heeft de oorlog niet overleefd. Bij de Bossche synagoge hangen drie marmeren platen met 293 namen van vermoorde Joodse stadgenoten. De namen van de familie Philips staan op een gedenkplaat bij de Lambertustoren in Vught en er is een gedenktegel voor de familie gelegd bij Huize Muiserick.

            

1931

De veemarkt van ’s-Hertogenbosch ontstond in de middeleeuwen en groeide uit tot een van de grootste van Nederland. Sinds het ontstaan van ’s-Hertogenbosch had de stad een veemarkt. In de middeleeuwen mochten veehandelaren één keer per jaar dieren kopen en verkopen binnen de stadsmuren. Dit waren meestal koeien, varkens en schapen. Door de eeuwen heen werd de Bossche

veemarkt steeds groter. Vanaf 1892 groeide de aanvoer van vee snel. Steeds meer boeren uit Brabant kwamen in ’s-Hertogenbosch hun vee kopen en verkopen. De Noordbrabantse Christelijke Boerenbond opgericht in 1896 moedigde dit aan. De bond zorgde ervoor dat boeren een eerlijke prijs kregen voor hun vee en zag toe op de kwaliteit van de dieren. In dertig jaar tijd steeg het aantal koeien en biggen dat in ’s-Hertogenbosch verkocht werd met vijfhonderd procent. De veemarkt vond inmiddels iedere week plaats op verschillende plekken in de stad. Zo waren in de Van Berckelstraat paarden te koop en stond de Tolbrugstraat vol biggen. De veemarkt leverde de Bosschenaren enerzijds wel wat op. Na een succesvolle marktdag gaven de boeren hun geld uit in de stad. Maar anderzijds zorgden al die dieren voor veel overlast. Het stadsbestuur vond de situatie onhoudbaar en verplaatste rond 1900 de verkoop van koeien naar een plein aan de Zuid-Willemsvaart. Deze plek heet nu het Kardinaal van Rossumplein. Hier was dagelijks plek voor zeshonderd koeien. Maar ook dat was niet genoeg. Het vee stond al snel weer in de aangrenzende straten. Om dit probleem op te lossen ging het stadsbestuur in de jaren twintig op zoek naar een andere locatie voor de veemarkt. Het liefst niet in de binnenstad. ’s-Hertogenbosch begon aan het einde van de negentiende eeuw met het bouwen buiten de stadsmuren. De architect Piet van Kessel ontwierp eind jaren twintig een grote moderne overdekte veemarkt, naar Duits voorbeeld. Dat zou de overlast sterk verminderen. Ondanks de grote economische crisis in 1929 begon 's-Hertogenbosch in dat jaar met de bouw. Op 20 mei 1931 opende het imposante hoofdgebouw met daarachter de grote overdekte veemarkthallen. In het hoofdgebouw waren restaurants, kantoren, vergaderruimtes, woningen en een hooizolder gerealiseerd. Het was op dat moment de grootste veemarkt van Nederland. Iedere woensdagochtend om half zes in de ochtend opende de veemarkt haar deuren. De rest van de week vonden in de hallen evenementen plaats die vaak te maken hadden met de veehouderij zoals vlees- en veekeuringen. Maar in de tweede helft van de twintigste eeuw traden hier ook bekende rockartiesten en popartiesten op zoals The Rolling Stones in 1966 en Prince in de jaren negentig. Zeventig jaar was de Bossche veemarkt een begrip, maar in 2001 ging het mis. Toen brak de ziekte mond-en-klauwzeer uit in heel Europa. In de veemarkthallen van ’s-Hertogenbosch kwamen zoveel dieren bij elkaar dat dit erg besmettelijke virus zich erg snel kon verspreiden. Vanwege het gevaar van epidemieën sloot de Bossche veemarkt haar deuren. De oude veemarkthallen in ’s-Hertogenbosch zijn omgebouwd tot een evenementencomplex de Brabanthallen. In plaats van koeien en varkens stappen er nu jaarlijks honderdduizenden mensen over de drempel om beurzen, concerten en andere grote evenementen te bezoeken.

            

1944

De Tweede Wereldoorlog begon ook voor de Bosschenaren in mei 1940. Toen viel het Duitse leger Nederland binnen en namen de Duitsers overal de macht over. Op 12 mei 1940 gaf ’s-Hertogenbosch zich over aan Duitsland. Tijdens de bezetting ging voor een deel van de inwoners van ’s-Hertogenbosch het dagelijks leven gewoon door. Ze gingen naar hun werk, naar school, naar het

theater en naar hun sportclub. Maar ze waren steeds minder vrij. Iedereen moest zich bijvoorbeeld aan een avondklok houden. Voor Joodse Bosschenaren en de Roma en Sinti in de gemeente verliep het heel anders. Zij mochten op heel veel plekken niet meer komen zoals op de openbare school, de theaters en de sportclubs. Uiteindelijk stuurde de Duitse bezetter bijna alle Joden, Roma en Sinti uit ’s-Hertogenbosch naar concentratiekampen waar de meesten zijn vermoord. Tegen het einde van de oorlog kwamen verschillende Bosschenaren met gevaar voor eigen leven in opstand tegen de Duitsers. Voor veel van de vervolgde slachtoffers was het toen al te laat. In oktober bereikten de Britse en Canadese legers ons land. Deze 53e Welsh Divisie kreeg de opdracht om ’s-Hertogenbosch te bevrijden. De geallieerden gaven deze missie een codenaam Operatie Alan. Op zondag 22 oktober 1944 begonnen de Britse soldaten van de 53e Welsh Divisie aan de bevrijding van ’s-Hertogenbosch. Eerst verdreven ze met veel geweld de Duitse troepen uit de dorpen die ten oosten van de stad lagen zoals Vinkel, Nuland en Rosmalen. De Duitsers werden teruggedreven naar de Bossche binnenstad. Daarom schoot het Britse leger in de nacht van maandag 23 op dinsdag 24 oktober zo’n 50.000 granaten af op de stad. Ook voor de Bosschenaren vooral in de wijk Hinthamerpark was dit verschrikkelijk. Ze zochten dekking in schuilkelders maar liepen toch veel gevaar. Heel veel huizen en andere gebouwen vlogen in brand en stortten in. De Duitsers hadden zelf alle belangrijke bruggen rond de binnenstad opgeblazen. Zo konden de geallieerden de binnenstad niet bereiken. Maar op woensdag 25 oktober ontdekten de bevrijders toch een manier om de Zuid-Willemsvaart over te steken. De deuren van Sluis 0 waren nog niet kapot. Hier konden de soldaten in dikke rookwolken om niet gezien te worden een voor een de stad in lopen. Uiteindelijk hadden de geallieerden nog twee hele dagen nodig om de binnenstad te bevrijden. Op vrijdag 27 oktober gaven aan het einde van de dag de laatste Duitse soldaten zich over. Na de bevrijding van hun stad waren de Bosschenaren nog steeds niet veilig want de Tweede Wereldoorlog was niet voorbij. ’s-Hertogenbosch maar ook Empel en Engelen lagen maandenlang in de frontlinie. Het Duitse leger bleef de stad vanaf

de andere kant van de rivier de Maas beschieten. Een groot aantal gebouwen wordt vernield of zwaar beschadigd ook het station van Ed. Cuypers en de Leonarduskerk de kerk zal worden hersteld het station afgebroken. De oorlog heeft aan 515 Bosschenaren het leven gekost er zijn 722 huizen en gebouwen totaal verwoest of onherstelbaar beschadigd een kleine tienduizend percelen zijn licht beschadigd. Een groot bevrijdingsfeest vierden de inwoners pas in maart 1945 toen koningin Wilhelmina de stad bezocht. Ook werd de bevrijding van heel Nederland op 5 mei op de Markt gevierd. Nog steeds worden alle slachtoffers van de Tweede Wereldoorlog in ’s-Hertogenbosch herdacht. In de gemeente vind je op tientallen plekken plaquettes en monumenten zoals het Verzets- en Bevrijdingsmonument in de Casinotuin voor alle omgekomen inwoners. Wie goed oplet bij een wandeling komt op de stoep zogenaamde struikelstenen tegen. Deze stenen herinneren aan de weggevoerde Joodse slachtoffers. Sinds 2015 ligt naast het Bossche treinstation The Royal Welshbrug. Deze brug met alle namen van de gesneuvelde militairen is vernoemd naar de 53e Welsh Divisie een bijzonder eerbetoon aan de bevrijders van 's-Hertogenbosch.

       

1946

Eind oktober 1944 waren alle dorpen in de omgeving van ’s-Hertogenbosch bevrijd. Veel hadden het zwaar te verduren gekregen zoals Nuland en Rosmalen. De Duitsers

hadden zich teruggetrokken aan de noordkant van de Maas. Maar ze gaven niet op en bleven de omgeving van ’s-Hertogenbosch beschieten. Daardoor vielen er nog steeds slachtoffers. De dorpen Bokhoven, Engelen en Empel

bevonden zich midden in de vuurlinie. De inwoners waren gevlucht of geëvacueerd. Heel veel huizen werden kapotgeschoten. Het echte bevrijdingsfeest en de wederopbouw konden pas beginnen toen de Duitsers zich overal hadden overgegeven. Dat was op 5 mei 1945. De eerste Empelnaren die terugkeerden zagen dat bijna het hele dorp kapot was. Eigenlijk moest alles opnieuw worden opgebouwd. Maar dat mocht niet zomaar. Empel lag namelijk boven op de Maasdijk. Zo dicht bij het water wonen was eigenlijk helemaal niet veilig. De wederopbouw van Empel mocht dus niet meer op dezelfde plek. Op 2 augustus 1945 nodigde de burgemeester van Empel alle inwoners en belangrijke bestuurders uit in het dorpscafé. Hij presenteerde een plan om het hele dorp te verplaatsen. De nieuwe locatie was een polder op twee kilometer afstand van het oude dijkdorp. In oktober 1946 begon de bouw van de eerste zes huizen in de polder. Het plan was om uiteindelijk honderdvijftig woningen, een kerk, begraafplaats, sportterrein, school en raadhuis te bouwen in het nieuwe Empel. Maar de wederopbouw ging heel langzaam. Drie jaar na de bevrijding waren nog maar veertien huizen klaar. Nog steeds woonden de Empelnaren in kapotte huizen die ze niet mochten herstellen. De pastoor van Empel stak zelf met zijn parochianen een schop in de grond voor de bouw van de kerk en de begraafplaats. Ook reisde hij naar de regering in Den Haag om meer geld te vragen voor de wederopbouw. Vijf jaar na de bevrijding was de helft van de Empelnaren verhuisd naar het nieuwe dorp in de polder. Pas in 1961 was het gemeentehuis klaar. Uiteindelijk vertrok niet iedereen naar het nieuwe Empel. Nog steeds wonen er mensen op de Empelsedijk. Dit heet nu Oud-Empel. Wie langs de overgebleven huizen loopt ziet veel lege grasvelden bijvoorbeeld op de plek waar vroeger de school stond. Bij de oude begraafplaats staat een monument zodat de verwoesting, evacuatie, bevrijding en wederopbouw van Empel niet worden vergeten.

            

home

Vorige12345679Volgende

Website informatieGastenboek

Foto's copyright © bij groetenuitdenbosch.nl