|
's-Hertogenbosch
De
Bossche brouwerijen
Een artikel uit het oudste Bossche
stadsrecht uit 1185 vertelt ons dat aan het eind van de twaalfde
eeuw bier brouwen overwegend huisvrouwenwerk was. Zij brouwden niet
alleen voor eigen gebruik, maar soms ook voor de verkoop. Alleen al
het feit dat er beroepsmatig werd gebrouwen, geeft aan dat
's-Hertogenbosch eind twaalfde eeuw al ver van de bedrijfskunde en
economie af stond.
In middeleeuws 's-Hertogenbosch lag ruim 80% van de brouwerijen aan
de Binnendieze. Het is logisch om te denken dat het brouwwater uit
de Binnendieze zelf kwam. Maar dat water was vervuild door de
ververs, de blekers, de leerlooiers en de andere inwoners van de
stad, zodat het totaal ongeschikt was voor consumptie en voor de
brouwerij. Waar haalde de middeleeuwse brouwer het water dan
vandaan? In de middeleeuwse stad was het heel lastig om aan goed
drinkwater te komen. Van het oppervlaktewater werd men ziek en van
bier niet, omdat bier gekookt Wordt en daardoor ziektekiemen doodt.
Het brouwwater kwam voornamelijk uit eigen putten en
wateropslagplaatsen. Daarom was bier de volksdrank bij uitstek. Veel
huizen bezaten wel regentonnen voor drinkwater, maar dit was vaak
onvoldoende.
|
In 1379 vaardigde het Brabants hertogelijk paar het oudste bewaard
gebleven privilege met specifiek belang voor de
brouwerijgeschiedenis uit. Het maakt ons duidelijk dat er in
's-Hertogenbosch al vroeg hopbier gebrouwen werd. Het privilege gaf
de Bosschenaren namelijk het recht dat bier voortaan te brouwen. Ter
compensatie 'voir onse grutegeld' verlangden de hertog en hertogin
van de Bosschenaren voor iedere 45 vaten hopbier een bedrag ter
waarde van een oude Franse schild. Het gruithuis waar de Bossche
brouwers voorheen hun gruit haalden, stond in het tegenwoordige
Achter het Vuurstaal', een nabij de Markt gelegen zijsteegje van de
Hinthamerstraat.
Dat de bedrijfstak al in de vijftiende eeuw voor de stad van groot
economisch belang was, blijkt uit een verordening die de
stadsregering in februari 1445 uitgaf. In wezen was er in deze
verordening sprake van een Bosch' 'Reinheitsgebot' dat duidelijke
kwaliteitseisen aan het Bossche koopbier stelde.
In 1577 verhoogde de Bossche stadsregering de accijns op bieren van
buiten de stad. De stad Delft zag hierdoor haar export bedreigd en
protesteerde prompt. Ook deze accijnsverhoging zal een daling van de
bierimport aan het eind van de zestiende eeuw zeker hebben
bevorderd. De import ging overigens niet helemaal verloren. Er bleef
duidelijk behoefte aan 'vreemd bier'.
In september 1607 hernieuwde de Brabantse overheid in |
|
Brussel een plakkaat dat het werken op zon- en feestdagen verbood.
De Bossche brouwers waren het hier volstrekt niet mee eens. Aan het
stadsbestuur vroegen zij ontheffing van de maatregel. Het
brouwproces kon je volgens hen namelijk niet onderbreken. Door dit
brouwersverzoek hebben wij nu een goed inzicht in de werkwijze en
gewoontes van de Bossche brouwers rond 1600. Het verzoek vertelt ons
dat de duur van het brouwproces toen tot meer dan vier dagen kon
oplopen; het produceren van een of twee, maar duurt soms wel meer
dan vier dagen.
Bij een eerste verzoek dat de Bossche gezamenlijke brouwers in 1649
aan de stadsregering deden om een gilde te mogen vormen, hadden de
brouwers heel duidelijk de bevoorrechting van de eigen Bossche
bedrijfstak op het oog. Voor een concept gildekeur hadden ze de
keuren van de Rotterdamse en Dordrechts brouwersgilden als voorbeeld
gebruikt. De bierstekers deden tegelijkertijd eenzelfde verzoek.
Geen van beide verzoeken had enig direct tastbaar resultaat.
De brouwers lieten het er niet bij zitten, en probeerden het in 1675
nog een keer. Dit keer was de uitkomst dat er een commissie zou
worden ingesteld die het een en ander zou gaan onderzoeken. Twee
maanden later kwam de commissie met het concept voor een gildekeur.
Na wat problemen doordat de stadhouder op formele gronden de
oprichting wilde tegenhouden, werd de ordonnantie aangaande het
coöp. brouwersgilde der stad ‘s-Hertogenbosch uiteindelijk pas op 31
oktober 1675 goedgekeurd.
Het Bossche bierbrouwersgilde was geen lang lever beschoren. In 1
augustus 1687 hief de Bossche stadsregering het op door iedereen
weer toe te staan een brouwerij te beginnen. Hoopte de magistraat de
kwaliteit van het Bossche bier te verhogen. Allerlei onenigheid over
de gildekeur zou dan ook afgelopen zijn.
In 1817 onderging de stedelijke verordening op bier- en azijnaccijns
een fundamentele wijziging. Niet langer een bepaalde hoeveelheid
gebrouwen bier, maar de inhoud van de roerkuip van de brouwer werd
het uitgangspunt bij de accijnsheffing. Af en toe een vaatje
smokkelen was nu veel problematischer. De Bossche brouwers moesten
in het kader van de nieuwe gemeentelijke accijnsverordening exact
een aantal administratieve en technische gegevens over hun bedrijf
opgeven. Onder andere moest bekend zijn over hoeveel roerbakken,
brouwketels en koel bakken het bedrijf beschikte. Ook hun inhoud en
exacte plaatsing moesten bekend zijn. Alleen de aldus aangemelde
brouwerijen mochten brouwen. Zo kwam er met deze nieuwe
accijnsverordening een feitelijk verbod op het thuis brouwen.
Zoals aangehaald schreef Jacob van Oudenhoven in 1670 nog over de
Bossche brouwnijverheid: 'De brouwerijen hebben hier van oudst al
mede wel geweest en hebben altijd goede handel gehad. Toch ging het
de Bossche brouwnijverheid vanaf ongeveer 1600 economisch steeds m
minder voor de wind. Het aantal brouwerijen verminderde snel.
Ongetwijfeld eiste de sterke bevolkingsdaling eind zestiende eeuw
haar tol. Eerder gaf ik al aan dat ter rond 1600 nog tussen de 50 en
de 70 brouwerijen productief zijn geweest. In 1639 somden de
brouwers in een schrijven aan het stadsbestuur 35 brouwerijen op die
teruggelopen te zijn. Begin achttiende eeuw was het maximumaantal
tegelijkertijd in bedrijf zijnde brouwerijen teruggelopen tot rond
dertig. Omstreeks 1770 waren er nog maar zestien brouwerijen over.
Dit aantal zou geleidelijk aan verder teruglopen tot zes in 1802.
Brouwerij 'De Bijenkorf van brouwer Carpreau was de eerste Bossche
brouwerij die in 1878 een stoommachine aanschafte, Deze machine was
vervaardigd door de firma Jacobs uit Haarlem. Al in 1886 werd ze
vervangen door een machine van de Duitse firma Willich. Brouwerij
'De Ster' en bierbrouwerij 'Schrakamp en Verhagen' volgden in 1888
en 1889.
Aan de bloeiperiode die de Bossche bouwnijverheid in het derde kwart
van de negentiende eeuw kende, kwam in 1876 een einde. Geleidelijk
daalde de productie van de Bossche brouwerijen. Met de afname in
productie daalde ook het aantal Bossche brouwerijen. Van de zes
brouwerijen die de stad in 1876 telde, waren er in 1904 nog maar
vier over: de firma's T. Boelen, F.W. Brouwers, F.M. Witte en Jos
van Gulick van Pelt. In 1907 Waren daar enkel Brouwers en Van Gulick
nog van over.
In september 1926 overleed Louis van Gulick op 81-jarige leeftijd.
Hij was meer dan een halve eeuw als brouwer van 'De Witte Zwaan'
actief geweest. De brouwerij stond bekend voor bier van een goede
kwaliteit dat ook buiten 's-Hertogenbosch afzet vond. Zo had de
brouwerij een eigen agentschap in Den Haag. Dit agentschap had onder
andere het prestigieuze Scheveningse Kurhaus als klant. In
's-Hertogenbosch leverde Van Gulick veel aan de horeca, maar ook aan
particulieren. Bijvoorbeeld de Zusters van Mariënburg die bij Van
Gulick vooral bruin bier voor hun bierpap kochten.
Theo en Arnold, zonen van Louis, besloten echter na het overlijden
van hun vader met de brouwerij te stoppen. In februari 1927 brouwde
'De Witte Zwaan' haar laatste bier.
Op 16 februari werd in het Casino de inboedel publiekelijk verkocht.
De brouwketels werden gesloopt en als oud koper verkocht.
Na de Tweede Wereldoorlog moest de bedrijfstak bierbrouwerij nodig
zijn reputatie verbeteren. Het slappe oorlogsbier had voor slecht
imago gezorgd. Koffie, thee, jenever en limonade werden de populaire
dranken. Cola, de drank van de bevrijders, werd de absolute
modedrank. Bier raakte uit de mode. Het gemiddeld bierverbruik per
hoofd van de bevolking ging dan
ook drastisch achteruit. In 1916 dronk de Nederlander gemiddeld nog
36,9 liter bier per jaar. In 1932 was dit nog maar 21,7 liter. Het
naoorlogs dieptepunt kwam in 1949, toen op jaarbasis per hoofd van
de bevolking slechts 10,1 liter gedronken werd.
Voor de ontwikkeling van Heineken zou 1954 een belangrijk jaar
blijken te zijn. In het najaar van 1954 ging de kogel definitief
door de kerk. Uitgaande van het streven dat er in 1957 een productie
van 900.000 hl mogelijk moest zijn, besloot de directie op 4
november 1954 'het terrein in Den Bosch' aan te kopen. Het feit dat,
ondanks de slechte zomer, de omzetstijging op zowel de binnenlandse
als de exportmarkt beduidend hoger was dan de verwachting begin 1954
aangaf, speelde bij de besluitvorming een grote rol. De
langverwachte opening vond op 4 september 1958 plaats prins Bernard
verrichten de officiële openingshandeling van de brouwerij.
Hieronder een diavoorstelling
van
De
Bossche brouwerij uit het verleden en tegenwoordige tijd.
|
|
De panden die eertijds de Bossche brouwerijen huisvestten
verklappen op het eerste gezicht niet wat er achter hun gevels
allemaal mogelijk was. Oude verkoopovereenkomsten van deze panden
lichten een tipje van de sluier op.
Alle brouwerijen waren gesitueerd in de buurt van de Binnendieze. De
belangrijkste grondstof, water, moest natuurlijk in ruime mate en
eenvoudig voorhanden zijn. In de achttiende eeuw beschikten zeker de
grote brouwerijen, zoals brouwerij 'De Witte Hond' aan de Hooge
Steenweg, dan ook allemaal over een pomp. Deze brouwerij beschikte
verder meer over een eigen mouterij, zolders, een zogenaamd
bierhuis' en dependen dien zoo ende gelijk aan met de toebehoren die
een brouwerijen nodig is'. Het complex liep door tot in de
Tolbrugstaat. Daar had de brouwerij een achteruitgang. Om daar te
kunnen komen moest je over een schoone brugge' de Binnendieze over.
Ook de andere brouwerijen waren vaak in redelijk uitgebreide
complexen gehuisvest.
Bij de omschrijving werd meestal ingegaan op
de aanwezigheid van mouterij, eest, moutzolders, turfopslagplaatsen,
waterpomp, aantal en grootte van de brouwketels, werk- en gistkuipen
koelbakken enzovoorts. De brouwerij De Vergulden Bierwagen aan de
Verwersstraat 49 is sinds 1846 verbouwd tot Evangelisch Lutherse Kerk. Met
op het einde nog enkele aanwezige brouwerijen is de stad. |
|
Bronnen, noten en/of referenties:
Beeldbank Erfgoed 's-Hertogenbosch
- Acht eeuwen uit 'n goei vat - Bossche Encyclopedie. |
|