|

|
|
Geschiedenis
De Historie van
's-Hertogenbosch
|
|
De stad
's-Hertogenbosch ligt op
een dekzandrug welke
loopt van Herpen (ten
oosten van de stad Oss)
naar Geertruidenberg.
Deze dekzandrug stamt
uit de
laatste ijstijd en
verhinderde ter plaatse
een goede afwatering
voor de Dommel en De Aa
die na de laatste
ijstijd uit de Centrale
Slenk naar het noorden
stroomden. De lagere
delen van de dekzandrug
werden door het
aanstromend water sterk
geërodeerd. Hierdoor
brak ter hoogte van het
huidige centrum op
verschillende plekken de
dekzandrug door en
konden de riviertjes op
de Maas afwateren. Zo
ontstonden zandkopjes in
het rivierenlandschap
ofwel donken. Eén van
deze donken betreft de
Markt in 's-Hertogenbosch
die nog steeds kan
worden ervaren. Hieraan
heeft de stad ook een
deel van zijn
carnavalsnaam Oeteldonk
te danken. Hoewel er bij
opgravingen op de Markt
weinig tot geen bewijs
voor gevonden is wordt
er vanuit gegaan dat
voordat de stad
ontstond ter plaatse
een (moeras)bos aanwezig
was dat als jachtgebied
toebehoorde aan Godfried
I van Brabant de eerste
hertog van Brabant en
later aan zijn zoon
Hendrik I van Brabant.
Hier komt de naam des
Hertogen bosch (het bos
van de hertog) vandaan
waarvan het huidige
's-Hertogenbosch een
samentrekking is. Uit
archeologisch onderzoek
in het nabijgelegen
Empel (namelijk
bij de tempel van
Empel) is uit pollenonderzoek evenwel
gebleken dat tijdens de
Romeinse tijd op de
(restanten van de)
dekzandrug een groot
eikenbos aanwezig moet
zijn geweest. |
|

|
Op de plek waar nu
’s-Hertogenbosch ligt
liepen duizenden jaren
geleden al
neanderthalers rond.
Neanderthalers zijn een
verdwenen mensensoort
die nauw verwant is aan
de moderne mens. Ze
waren kleiner van formaat maar ook zwaarder en sterker
gebouwd dan de mens nu. De neanderthalers leefden van de
jacht op dieren waaronder op
mammoeten en het
|
verzamelen van noten en
vruchten.
Begin 2013 werden er bijzondere vondsten gedaan bij de bouw
van de ondergrondse parkeergarage St. Jan. Archeologen
vonden verschillende goed geconserveerde vuurstenen
werktuigen van meer dan 40.000 jaar geleden. Deze werktuigen
waren gemaakt door neanderthalers en werden gebruikt als
gereedschap om mee te snijden, te schrapen en te schaven.
Als de neanderthalers enige tijd op dezelfde plek verbleven
maakten ze deze werktuigen uit grotere stukken steen.
Stukken vuursteen die niet meer nodig waren lieten ze
achter wanneer ze weer verder trokken. De vondst van deze
stukken naast de werktuigen maakt waarschijnlijk dat hier
een kamp van de neanderthalers is geweest.
Neanderthalers leefden vanaf ongeveer 350.000 jaar geleden
en waren nomaden die in tijdelijke kampen woonden. Hun
kampen bouwden ze op hoger gelegen delen van het landschap
zodat ze de omgeving goed in de gaten konden houden en in
de buurt van water waar ze konden vissen. Het waren simpele
kampen die vaak maar uit een paar tenten bestonden gemaakt
van hout en dierenvacht. Zo konden de neanderthalers bij
gevaar of als er geen voedsel meer was het kamp snel
afbreken en verder trekken.
Bij de parkeergarage zijn niet alleen stukken vuursteen
gevonden, maar ook restanten van prehistorische dieren. Zo
werd bijvoorbeeld een hele slagtand van een mammoet ontdekt.
Daarnaast zijn er ook resten van wolharige neushoorns,
reuzenherten, rendieren en grottenhyena’s gevonden. Ook al
is er geen direct verband te leggen tussen de werktuigen van
de neanderthalers en de botten van de dieren de
neanderthalers hebben wel op zulke dieren gejaagd.
Vermoedelijk was de vindplaats bij 's-Hertogenbosch een kleiner
jachtkamp in de buurt van een groter basiskamp. Kleine
groepjes jagers trokken er op uit om op zoek te gaan naar
prooidieren. Hoeveel mensen in het kamp
verbleven en hoe vaak hiervan gebruik is
gemaakt
|
is onduidelijk. Zo blijven er nog veel vragen over de Bossche
neanderthaler.
Zo’n 35.000 jaar
geleden stierven de
neanderthalers uit.
Waardoor ze precies zijn
uitgestorven is
onbekend. Mogelijk kwam
het door natuurrampen of
waren ziektes
verantwoordelijk voor
hun verdwijning.
Daarnaast speelde
mogelijk
klimaatverandering mee.
De stijgende
temperaturen zorgden
ervoor dat er steeds
minder grote dieren
zoals mammoeten waren om
op te jagen. Wat de oorzaak ook is geweest de
neanderthalers waren niet plotsklaps weg. Zij hebben zich waarschijnlijk in
tienduizenden jaren tijd ook vermengd met de homo sapiens.
Deze nieuwe menssoort trok 45.000 jaar geleden naar deze
regio. Oorspronkelijk kwamen ze van het continent Afrika en
hadden daar al duizenden jaren geleefd. Zij zijn onze
directe voorouders.
|

|
Vierduizend jaar geleden
waren er in de omgeving
van ’s-Hertogenbosch
voor het eerst mensen
die graan verbouwden en
vee hielden. Deze eerste
boeren |
bouwden hier ook
boerderijen. Zij bleven op dezelfde plek wonen in plaats van steeds verder
te trekken zoals jagerverzamelaars hadden gedaan. Het betekende een andere
manier van leven dan voorheen. Ook het landschap anders dan in de
tienduizenden jaren daarvoor. Dat kwam doordat het klimaat veranderd was.
Ruim elfduizend jaar geleden was de ijstijd voorbij en veranderde de koude
grasvlakte in berken- en dennenbos. Weer later in de tijd van de eerste
boeren groeiden er eiken
en iepen op de hogere
zandgronden. In de
lagere delen was er
moeras. Het
nieuwe klimaat maakte
|
|
het
voor deze
eerste boeren mogelijk
om gewassen te
verbouwen. Zij kwamen
uit het middenoosten van
Europa en vestigden zich
in dit gebied.
Door stukken bos te kappen voor de
akkers veranderden ze ook zelf het landschap. In de loop van de tijd kwamen
er steeds meer open stukken met boerderijen in het bos. In het begin
gebruikten de mensen nog vuurstenen werktuigen. Later werden werktuigen
eerst van brons daarna van ijzer gemaakt.
De oudste bewijzen dat in de omgeving van ’s-Hertogenbosch boeren woonden
zijn enkele stenen bijlen en scherven van potten. Omdat rondtrekkende jagerverzamelaars geen
aardewerk hadden dat zou zwaar zijn om mee te sjouwen en onderweg gauw
kapotgaan moeten we wel aannemen dat het van boeren was. Maar gebouwen of
andere vondsten uit deze tijd hebben we nog niet teruggevonden. Uit een iets
latere tijd zijn wel sporen van
boerderijen overgebleven. Ze zijn gevonden waar nu in Engelen een golfbaan
is. De boerderijen waren twintig tot dertig meter lang. Niet alleen de
mensen woonden erin in een apart gedeelte stond ook het vee. Kleine
gebouwtjes naast de boerderij waren bedoeld om de oogst in te bewaren.
Een stenen pijlpunt laat zien dat de mensen naast landbouwers ook jagers
waren. Ze gebruikten nog steeds stenen werktuigen maar hadden ook
voorwerpen van brons. Die waren kostbaar en daarom een mooi geschenk voor de
goden. Zo zijn door archeologen op verschillende plekken de geofferde
zwaarden, bijlen en speerpunten gevonden.
Vanaf 800 v. Chr. kwamen er steeds meer boerderijen. Ze waren kleiner dan
voorheen (ongeveer twaalf meter lang en zes meter breed) maar ook hier
woonden mensen in het ene deel en stond het vee in het andere. Meestal
vormden enkele van deze gebouwen samen een kleine nederzetting. Daar stonden
ook kleine gebouwtjes voor de opslag van graan. Om drinkwater uit de grond
te krijgen was er een diepe kuil gegraven.
De boeren maakten de grond geschikt om te zaaien door te ploegen met een
eergetouw. Dat is een eenvoudige ploeg waarmee ze de grond los maakten.
Sporen van dit ploegen komen bij opgravingen tevoorschijn als strepen in het
zand. Het graan dat geoogst werd maakten de bewoners fijn door het stuk te
wrijven tussen twee stenen. Van de wol van de schapen sponnen ze draden met
behulp van spinklosjes. Met deze draden weefden de mensen wollen kleden en
kleding.
In het gebied dat nu de gemeente ’s-Hertogenbosch is waren tientallen van
deze nederzettingen. Bij Empel was vanaf ongeveer 100 v. Chr. een heilige
plek. Daar werden allerlei voorwerpen zoals sieraden, munten en wapens aan
de goden geofferd.
In dit landschap langs de Maas, met
moeras, beken, bos, boerderijen en een heiligdom, kwamen aan het begin van
de jaartelling de Romeinen aan. Zij hadden de eeuwen daarna grote invloed op
het leven van de boeren hier. In het huidige landschap is van de
prehistorische nederzettingen niets meer te zien. |
|

|
In de Romeinse tijd
stond aan de Maas bij
Empel een tempel ter ere
van de god Hercules
Magusanus. Hij was de
belangrijkste god van de
Bataven en vooral veel
soldaten brachten hem
offers. Dat blijkt uit
de Romeinse wapens en
onderdelen van militaire
uitrustingen die later
op deze plek gevonden
zijn. In de Romeinse
tijd leefden in het
gebied van de rivieren
Rijn, Waal en Maas
|
mensen in kleine
nederzettingen in boerderijen van hout, leem en stro. Zij waren Bataven, een
Germaans volk. Bij archeologische opgravingen in de buurt
van het dorp Vinkel zijn resten van zo’n nederzetting gevonden. Ook bij Oss,
Nistelrode, Halder en Esch werden Romeinse of Bataafse vondsten gedaan.
Kort na de komst van de Romeinen gingen de bevriende Bataven wonen in het
rivierengebied. Dit was het grensgebied van het Romeinse Rijk. De officiële
grens – de limes – lag langs de Rijn, maar de Romeinen haalden uit het
gebied langs de Maas voedsel en dieren voor de legertroepen die de grens
bewaakten. In ruil daarvoor kregen de Bataafse boeren Romeinse
luxevoorwerpen zoals
bronzen serviezen en
handmolens om graan mee
te malen. Tussen 50 en
100 bouwden de Romeinen aan de Maas bij het huidige
Empel een tempel. Het was een rechthoekig gebouw van natuursteen met een
groot zadeldak, met rondom een overdekte zuilengang. Deze tempel stond
midden op een ommuurd terrein. Een groot poortgebouw gaf toegang tot het
tempelterrein. Voor de lokale bevolking moet het bouwwerk heel bijzonder
zijn geweest. Het was namelijk in de wijde omgeving het enige gebouw van
steen.
De handel was niet het enige wat de Romeinen en de Bataven verbond. Sommige
Bataafse mannen waren soldaat in het Romeinse leger. Het was bekend dat
Bataven heel goed konden paardrijden. De Bataafse ruiters werden door het
hele Romeinse Rijk ingezet. Dat weten we doordat er grafstenen van hen zijn
gevonden in Rome, Groot-Brittannië, Algerije en Kroatië. De vondsten
bij de tempel van Empel maken duidelijk dat ook in
|
|
de nederzettingen langs
de Maas Bataafse soldaten hebben gewoond. Bij archeologische opgravingen
zijn veel militaire voorwerpen gevonden, zoals speren en pijlpunten. Ook
zijn er sierspelden, onderdelen van paardentuig en een ruiterhelm
opgegraven. Het moeten vooral offers van oud-soldaten zijn geweest. Met hun
offers bedankten zij de god Hercules Magusanus dat zij hun
diensttijd hadden overleefd.
Deze god dankte zijn naam aan zowel de Bataven als de Romeinen. Magusanus
was oorspronkelijk een Keltischgermanisme god. Toen de Romeinen kwamen, werd
Magusanus gelijkgesteld aan de Romeinse Hercules. Zo heeft hij zijn dubbele
naam gekregen.
Maar er kwamen niet alleen maar soldaten bij de tempel van Empel. Er zijn
ook sieraden van vrouwen teruggevonden. Daarnaast werden er offers gebracht
aan andere goden. Tot circa 250 is de tempel gebruikt. Er is van de tempel van Empel
nu niets meer over maar de fietsroute ‘Tempels langs de Maas’ geeft door
middel van reconstructies en informatieborden wel een duidelijk beeld van
hoe het eruit moet hebben gezien.
|

|
De plaatsen Empel,
Engelen, Orthen en
Rosmalen bestonden al in
de vroege middeleeuwen.
De inwoners leefden op
hoge plekken omringd
door moerassen en |
rivieren. Historische vondsten vertellen meer over de handel en het
dagelijks leven in dit gebied. Na de val van het Romeinse Rijk trokken veel
mensen weg uit de streek die later Brabant zou worden genoemd. Ze verlieten
hun boerderijen en de
natuur nam het land weer
over. Een enkeling
bleef. De achtergebleven
bewoners gaven oude
prehistorische en
Romeinse namen |
van de plaatsen door aan
volgende generaties,
zoals van de rivieren de
Aa en de Dieze.
Begin negende eeuw bestond ’s-Hertogenbosch nog niet maar
de plaatsen Empel, Engelen, Orthen en Rosmalen al wel. Ze waren gebouwd op
zandruggen dichtbij de rivieren de Maas en de Dieze. Hier was de grond
vruchtbaar en de hoger gelegen ruggen overstroomden niet zo snel. De lagere
natte gebieden werden gebruikt voor veeteelt. Grote delen van de omgeving
zoals moerassen en dichte bossen waren hier ongeschikt voor.
Dankzij een rijke man die Alfger heette weten we nog iets meer over dit
gebied. Uit een middeleeuws document blijkt dat hij in 815 veel van zijn
bezittingen weggaf aan een Duits klooster. In ruil hiervoor hoopte hij dat
de monniken voor hem en zijn familie zouden bidden en bij God een goed
woordje voor hem konden doen.
Zijn bezittingen lagen in Empel (Empele), Engelen (Angrisa), Orthen (Orthinon)
en Rosmalen (Rosmalla). Volgens het document bezat Alfger onder meer “In
Orthen land om tien maten [graan] te zaaien en weidegrond en in dat bos
twee varkens”. Naast stukken land schonk hij het klooster ook een kerk in
Empel. Dat in dit dorpje toen al een kerk stond betekent dat deze plek toen
al christelijk was. De Engelse monnik Willibrord was honderd jaar eerder de
Noordzee overgestoken om het christelijk geloof te verspreiden in Europa.
Blijkbaar was dit in Empel gelukt.
Daarnaast zijn er in dit gebied archeologische vondsten gedaan die meer
vertellen over de handel en het dagelijks leven in de vroege middeleeuwen.
Rond het jaar 840 verloor een rondreizende handelaar 22 zilveren munten in
de moerassige grond bij de rivier de Dommel. De helft van de schat bestaat
uit Franse munten. De
andere munten komen uit
Friesland en uit een
belangrijke handelsstad
aan de Rijn die nu niet
meer bestaat Dorestad. Deze gebieden hoorden rond 800 allemaal bij het grote
Frankische Rijk van keizer Karel de Grote.
Na de dood van Karel de Grote viel het Frankische Rijk uiteen. Vikingen
kwamen vanuit het noorden hier naartoe in de negende en tiende eeuw om
handel te drijven of om plaatsen te plunderen. Zij hadden het gemunt op de
handelsplaatsen langs de grote rivieren. Empel, Engelen, Orthen en Rosmalen
bleven ondanks deze dreiging bestaan. Dat de Vikingen wel in dit gebied zijn
geweest weten we door een in Engelen gevonden Vikingmunt. |
|
|
Foto's
copyright
©
bij groetenuitdenbosch.nl |
|
|