Stadswandeling

 Geschiedenis

  De Historie van 's-Hertogenbosch

  Sint-Janskathedraal

  Het beleg van 's-Hertogenbosch 1629

  De bevrijding Oktober 1944

  Oeteldonk

 Binnendieze

 Sint-Janskathedraal

 's-Hertogenbosch

 Straten en Stegen

 Vestingstad in het groen

 Bossche wijken

 Oeteldonk

 Evenementen

  

       

Geschiedenis

De Historie van 's-Hertogenbosch

       

De stad 's-Hertogenbosch ligt op een dekzandrug welke loopt van Herpen (ten oosten van de stad Oss) naar Geertruidenberg. Deze dekzandrug stamt uit de laatste ijstijd en verhinderde ter plaatse een goede afwatering voor de Dommel en De Aa die na de laatste ijstijd uit de Centrale Slenk naar het noorden stroomden. De lagere delen van de dekzandrug werden door het aanstromend water sterk geërodeerd. Hierdoor brak ter hoogte van het huidige centrum op verschillende plekken de dekzandrug door en konden de riviertjes op de Maas afwateren. Zo ontstonden zandkopjes in het rivierenlandschap ofwel donken. Eén van deze donken betreft de Markt in 's-Hertogenbosch die nog steeds kan worden ervaren. Hieraan heeft de stad ook een deel van zijn carnavalsnaam Oeteldonk te danken. Hoewel er bij opgravingen op de Markt weinig tot geen bewijs voor gevonden is wordt er vanuit gegaan dat voordat de stad ontstond ter plaatse een (moeras)bos aanwezig was dat als jachtgebied toebehoorde aan Godfried I van Brabant de eerste hertog van Brabant en later aan zijn zoon Hendrik I van Brabant. Hier komt de naam des Hertogen bosch (het bos van de hertog) vandaan waarvan het huidige 's-Hertogenbosch een samentrekking is. Uit archeologisch onderzoek in het nabijgelegen Empel (namelijk bij de tempel van Empel) is uit pollenonderzoek evenwel gebleken dat tijdens de Romeinse tijd op de (restanten van de) dekzandrug een groot eikenbos aanwezig moet zijn geweest.

       

ca. 60.000 v. Chr.

Op de plek waar nu ’s-Hertogenbosch ligt liepen duizenden jaren geleden al neanderthalers rond. Neanderthalers zijn een verdwenen mensensoort die nauw verwant is aan de moderne mens. Ze waren kleiner van formaat maar ook zwaarder en sterker gebouwd dan de mens nu. De neanderthalers leefden van de jacht op dieren waaronder op mammoeten en het

verzamelen van noten en vruchten. Begin 2013 werden er bijzondere vondsten gedaan bij de bouw van de ondergrondse parkeergarage St. Jan. Archeologen vonden verschillende goed geconserveerde vuurstenen werktuigen van meer dan 40.000 jaar geleden. Deze werktuigen waren gemaakt door neanderthalers en werden gebruikt als gereedschap om mee te snijden, te schrapen en te schaven. Als de neanderthalers enige tijd op dezelfde plek verbleven maakten ze deze werktuigen uit grotere stukken steen. Stukken vuursteen die niet meer nodig waren lieten ze achter wanneer ze weer verder trokken. De vondst van deze stukken naast de werktuigen maakt waarschijnlijk dat hier een kamp van de neanderthalers is geweest. Neanderthalers leefden vanaf ongeveer 350.000 jaar geleden en waren nomaden die in tijdelijke kampen woonden. Hun kampen bouwden ze op hoger gelegen delen van het landschap zodat ze de omgeving goed in de gaten konden houden en in de buurt van water waar ze konden vissen. Het waren simpele kampen die vaak maar uit een paar tenten bestonden gemaakt van hout en dierenvacht. Zo konden de neanderthalers bij gevaar of als er geen voedsel meer was het kamp snel afbreken en verder trekken.
   
Bij de parkeergarage zijn niet alleen stukken vuursteen gevonden, maar ook restanten van prehistorische dieren. Zo werd bijvoorbeeld een hele slagtand van een mammoet ontdekt. Daarnaast zijn er ook resten van wolharige neushoorns, reuzenherten, rendieren en grottenhyena’s gevonden. Ook al is er geen direct verband te leggen tussen de werktuigen van de neanderthalers en de botten van de dieren de neanderthalers hebben wel op zulke dieren gejaagd. Vermoedelijk was de vindplaats bij 's-Hertogenbosch een kleiner jachtkamp in de buurt van een groter basiskamp. Kleine groepjes jagers trokken er op uit om op zoek te gaan naar prooidieren. Hoeveel mensen in het kamp
verbleven en hoe vaak hiervan gebruik is gemaakt

is onduidelijk. Zo blijven er nog veel vragen over de Bossche neanderthaler.
         

Zo’n 35.000 jaar geleden stierven de neanderthalers uit. Waardoor ze precies zijn uitgestorven is onbekend. Mogelijk kwam het door natuurrampen of waren ziektes verantwoordelijk voor hun verdwijning. Daarnaast speelde mogelijk klimaatverandering mee. De stijgende temperaturen zorgden ervoor dat er steeds minder grote dieren zoals mammoeten waren om op te jagen. Wat de oorzaak ook is geweest de neanderthalers waren niet plotsklaps weg. Zij hebben zich waarschijnlijk in tienduizenden jaren tijd ook vermengd met de homo sapiens. Deze nieuwe menssoort trok 45.000 jaar geleden naar deze regio. Oorspronkelijk kwamen ze van het continent Afrika en hadden daar al duizenden jaren geleefd. Zij zijn onze directe voorouders.

 

2000 v. Chr.

Vierduizend jaar geleden waren er in de omgeving van    ’s-Hertogenbosch voor het eerst mensen die graan verbouwden en vee hielden. Deze eerste boeren

bouwden hier ook boerderijen. Zij bleven op dezelfde plek wonen in plaats van steeds verder te trekken zoals jagerverzamelaars hadden gedaan. Het betekende een andere manier van leven dan voorheen. Ook het landschap anders dan in de tienduizenden jaren daarvoor. Dat kwam doordat het klimaat veranderd was. Ruim elfduizend jaar geleden was de ijstijd voorbij en veranderde de koude grasvlakte in berken- en dennenbos. Weer later in de tijd van de eerste boeren groeiden er eiken en iepen op de hogere zandgronden. In de lagere delen was er moeras. Het nieuwe klimaat maakte

het voor deze eerste boeren mogelijk om gewassen te verbouwen. Zij kwamen uit het middenoosten van Europa en vestigden zich in dit gebied. Door stukken bos te kappen voor de akkers veranderden ze ook zelf het landschap. In de loop van de tijd kwamen er steeds meer open stukken met boerderijen in het bos. In het begin gebruikten de mensen nog vuurstenen werktuigen. Later werden werktuigen eerst van brons daarna van ijzer gemaakt.
    
De oudste bewijzen dat in de omgeving van ’s-Hertogenbosch boeren woonden zijn enkele stenen bijlen en scherven van potten. Omdat rondtrekkende jagerverzamelaars geen aardewerk hadden dat zou zwaar zijn om mee te sjouwen en onderweg gauw kapotgaan moeten we wel aannemen dat het van boeren was. Maar gebouwen of andere vondsten uit deze tijd hebben we nog niet teruggevonden. Uit een iets latere tijd zijn wel sporen van boerderijen overgebleven. Ze zijn gevonden waar nu in Engelen een golfbaan is. De boerderijen waren twintig tot dertig meter lang. Niet alleen de mensen woonden erin in een apart gedeelte stond ook het vee. Kleine gebouwtjes naast de boerderij waren bedoeld om de oogst in te bewaren. Een stenen pijlpunt laat zien dat de mensen naast landbouwers ook jagers waren. Ze gebruikten nog steeds stenen werktuigen maar hadden ook voorwerpen van brons. Die waren kostbaar en daarom een mooi geschenk voor de goden. Zo zijn door archeologen op verschillende plekken de geofferde zwaarden, bijlen en speerpunten gevonden. Vanaf 800 v. Chr. kwamen er steeds meer boerderijen. Ze waren kleiner dan voorheen (ongeveer twaalf meter lang en zes meter breed) maar ook hier woonden mensen in het ene deel en stond het vee in het andere. Meestal vormden enkele van deze gebouwen samen een kleine nederzetting. Daar stonden ook kleine gebouwtjes voor de opslag van graan. Om drinkwater uit de grond te krijgen was er een diepe kuil gegraven. De boeren maakten de grond geschikt om te zaaien door te ploegen met een eergetouw. Dat is een eenvoudige ploeg waarmee ze de grond los maakten. Sporen van dit ploegen komen bij opgravingen tevoorschijn als strepen in het zand. Het graan dat geoogst werd maakten de bewoners fijn door het stuk te wrijven tussen twee stenen. Van de wol van de schapen sponnen ze draden met behulp van spinklosjes. Met deze draden weefden de mensen wollen kleden en kleding. In het gebied dat nu de gemeente ’s-Hertogenbosch is waren tientallen van deze nederzettingen. Bij Empel was vanaf ongeveer 100 v. Chr. een heilige plek. Daar werden allerlei voorwerpen zoals sieraden, munten en wapens aan de goden geofferd.
     
In dit landschap langs de Maas, met moeras, beken, bos, boerderijen en een heiligdom, kwamen aan het begin van de jaartelling de Romeinen aan. Zij hadden de eeuwen daarna grote invloed op het leven van de boeren hier. In het huidige landschap is van de prehistorische nederzettingen niets meer te zien.

          

100

In de Romeinse tijd stond aan de Maas bij Empel een tempel ter ere van de god Hercules Magusanus. Hij was de belangrijkste god van de Bataven en vooral veel soldaten brachten hem offers. Dat blijkt uit de Romeinse wapens en onderdelen van militaire uitrustingen die later op deze plek gevonden zijn. In de Romeinse tijd leefden in het gebied van de rivieren Rijn, Waal en Maas

mensen in kleine nederzettingen in boerderijen van hout, leem en stro. Zij waren Bataven, een Germaans volk. Bij archeologische opgravingen in de buurt van het dorp Vinkel zijn resten van zo’n nederzetting gevonden. Ook bij Oss, Nistelrode, Halder en Esch werden Romeinse of Bataafse vondsten gedaan. Kort na de komst van de Romeinen gingen de bevriende Bataven wonen in het rivierengebied. Dit was het grensgebied van het Romeinse Rijk. De officiële grens – de limes – lag langs de Rijn, maar de Romeinen haalden uit het gebied langs de Maas voedsel en dieren voor de legertroepen die de grens bewaakten. In ruil daarvoor kregen de Bataafse boeren Romeinse luxevoorwerpen zoals bronzen serviezen en handmolens om graan mee te malen. Tussen 50 en 100 bouwden de Romeinen aan de Maas bij het huidige Empel een tempel. Het was een rechthoekig gebouw van natuursteen met een groot zadeldak, met rondom een overdekte zuilengang. Deze tempel stond midden op een ommuurd terrein. Een groot poortgebouw gaf toegang tot het tempelterrein. Voor de lokale bevolking moet het bouwwerk heel bijzonder zijn geweest. Het was namelijk in de wijde omgeving het enige gebouw van steen.

De handel was niet het enige wat de Romeinen en de Bataven verbond. Sommige Bataafse mannen waren soldaat in het Romeinse leger. Het was bekend dat Bataven heel goed konden paardrijden. De Bataafse ruiters werden door het hele Romeinse Rijk ingezet. Dat weten we doordat er grafstenen van hen zijn gevonden in Rome, Groot-Brittannië, Algerije en Kroatië. De vondsten bij de tempel van Empel maken duidelijk dat ook in

de nederzettingen langs de Maas Bataafse soldaten hebben gewoond. Bij archeologische opgravingen zijn veel militaire voorwerpen gevonden, zoals speren en pijlpunten. Ook zijn er sierspelden, onderdelen van paardentuig en een ruiterhelm opgegraven. Het moeten vooral offers van oud-soldaten zijn geweest. Met hun offers bedankten zij de god Hercules Magusanus dat zij hun diensttijd hadden overleefd. Deze god dankte zijn naam aan zowel de Bataven als de Romeinen. Magusanus was oorspronkelijk een Keltischgermanisme god. Toen de Romeinen kwamen, werd Magusanus gelijkgesteld aan de Romeinse Hercules. Zo heeft hij zijn dubbele naam gekregen. Maar er kwamen niet alleen maar soldaten bij de tempel van Empel. Er zijn ook sieraden van vrouwen teruggevonden. Daarnaast werden er offers gebracht aan andere goden. Tot circa 250 is de tempel gebruikt. Er is van de tempel van Empel nu niets meer over maar de fietsroute ‘Tempels langs de Maas’ geeft door middel van reconstructies en informatieborden wel een duidelijk beeld van hoe het eruit moet hebben gezien.

      

840

De plaatsen Empel, Engelen, Orthen en Rosmalen bestonden al in de vroege middeleeuwen. De inwoners leefden op hoge plekken omringd door moerassen en

rivieren. Historische vondsten vertellen meer over de handel en het dagelijks leven in dit gebied. Na de val van het Romeinse Rijk trokken veel mensen weg uit de streek die later Brabant zou worden genoemd. Ze verlieten hun boerderijen en de natuur nam het land weer over. Een enkeling bleef. De achtergebleven bewoners gaven oude prehistorische en Romeinse namen

van de plaatsen door aan volgende generaties, zoals van de rivieren de Aa en de Dieze. Begin negende eeuw bestond ’s-Hertogenbosch nog niet maar de plaatsen Empel, Engelen, Orthen en Rosmalen al wel. Ze waren gebouwd op zandruggen dichtbij de rivieren de Maas en de Dieze. Hier was de grond vruchtbaar en de hoger gelegen ruggen overstroomden niet zo snel. De lagere natte gebieden werden gebruikt voor veeteelt. Grote delen van de omgeving zoals moerassen en dichte bossen waren hier ongeschikt voor.
     
Dankzij een rijke man die Alfger heette weten we nog iets meer over dit gebied. Uit een middeleeuws document blijkt dat hij in 815 veel van zijn bezittingen weggaf aan een Duits klooster. In ruil hiervoor hoopte hij dat de monniken voor hem en zijn familie zouden bidden en bij God een goed woordje voor hem konden doen. Zijn bezittingen lagen in Empel (Empele), Engelen (Angrisa), Orthen (Orthinon) en Rosmalen (Rosmalla). Volgens het document bezat Alfger onder meer “In Orthen land om tien maten [graan] te zaaien en weidegrond en in dat bos twee varkens”. Naast stukken land schonk hij het klooster ook een kerk in Empel. Dat in dit dorpje toen al een kerk stond betekent dat deze plek toen al christelijk was. De Engelse monnik Willibrord was honderd jaar eerder de Noordzee overgestoken om het christelijk geloof te verspreiden in Europa. Blijkbaar was dit in Empel gelukt. Daarnaast zijn er in dit gebied archeologische vondsten gedaan die meer vertellen over de handel en het dagelijks leven in de vroege middeleeuwen. Rond het jaar 840 verloor een rondreizende handelaar 22 zilveren munten in de moerassige grond bij de rivier de Dommel. De helft van de schat bestaat uit Franse munten. De andere munten komen uit Friesland en uit een belangrijke handelsstad aan de Rijn die nu niet meer bestaat Dorestad. Deze gebieden hoorden rond 800 allemaal bij het grote Frankische Rijk van keizer Karel de Grote. Na de dood van Karel de Grote viel het Frankische Rijk uiteen. Vikingen kwamen vanuit het noorden hier naartoe in de negende en tiende eeuw om handel te drijven of om plaatsen te plunderen. Zij hadden het gemunt op de handelsplaatsen langs de grote rivieren. Empel, Engelen, Orthen en Rosmalen bleven ondanks deze dreiging bestaan. Dat de Vikingen wel in dit gebied zijn geweest weten we door een in Engelen gevonden Vikingmunt.

     

home

23456789Volgende

Website informatieGastenboek

Foto's copyright © bij groetenuitdenbosch.nl